Taal om bij te dansen.

Lang leve het leenwoord

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in vakTaal, augustus 2002)

In Haarlem bestaat een uitgelaten clubje dertigers dat zich onder het banier van de zeventiende-eeuwse Haarlemmer Samuel Ampzing heeft geschaard. 'Het Nederlands is vol!' verkondigt dit groepje vol verve, dat van plan is een lijst te maken met Engelse leenwoorden om deze op een gepaste tijd op de boot terug naar Engeland te zetten.
Samuel Ampzing is een grap, maar wel een grap die helemaal niet zo heel ver weg ligt van de manier waarop veel mensen over taal denken. Zij zien de taal als een land waarom je duidelijke grenzen zou moeten kunnen trekken. Die grenzen kun je bewaken en ongewenste vreemdelingen moet je kunnen erugsturen, als ze niet bereid zijn zich aan te passen of als ze je anderszins niet bevallen.

Ook neerlandici denken naar mijn ervaring zo. "Ik weet natuurlijk wel dat je er weinig aan kunt doen, dat het een strijd tegen windmolens is. Maar woorden als human resource manager en community sales zijn zo lelíjk en zo onnódig." In het vorige nummer van VakTaal publiceerde J.M.J. Sicking een column dat door deze neerlandici ongetwijfeld met instemming ontvangen is. Ze praten erover alsof een taalkundige studie je nu eenmaal met een bepaalde ideologie opzadelt, die je verhindert nu eens in actie te komen, terwijl er wel vagelijk iets blijft jeuken.

Elk woord een leenwoord

Ik deel die mening niet. Ik houd van leenwoorden, niet omdat ik taalkunde gestudeerd heb, maar omdat ik van Manu Chao houd. Chao is een muzikant die de wereld rondreist en behalve bij mij ook erg populair is bij het soort jongeren dat zich verzet tegen de mondialisering van de economie. Chao haalt zijn muziekstijlen overal vandaan (als ze maar opgewekt zijn) en schrijft zijn teksten in een wonderlijke mengeling van Engels, Frans, Spaans, Portugees en ongetwijfeld nog meer talen, die ik niet kan thuisbrengen. Die taal is zijn moedertaal.

Chao heeft volgens mij gelijk. Talen als het 'Nederlands', het 'Engels', het 'Frans' zijn uitvindingen van de mensen die inderdaad menen dat talen iets te maken hebben met politieke structuren zoals natiestaten. Het Nederlands is de nationale taal van Nederland, of eigenlijk van de participanten van de Nederlandse Taalunie: Nederland en Vlaanderen. Misschien is men bereid om te erkennen dat er bijvoorbeeld binnen het Nederlands taalvariatie bestaat, dat er dialecten en sociolecten bestaan, en dat deze ook een zekere waarde hebben.
Ik verzet me tegen die ideologie. Ik erken helemaal geen variatie binnen het Nederlands, omdat het Nederlands voor mij geen waarde heeft. Taalgebruikers hebben waarde, en iedere taalgebruiker heeft een eigen taalrepertoire, waarin hij woorden van her en der in bruikleen heeft genomen, hopelijk om aardige en mooie dingen te zeggen, die andere mensen met een overlappend taalrepertoire kunnen waarderen.
Vanuit het individu gezien is elk woord een leenwoord. Afgezien van een enkele gelegenheidssamenstelling heb ik geloof ik in mijn hele leven nooit een woord bedacht. Waarom zou ik me dan bekommeren over de precieze herkomst van mijn woorden? Ik pak wat ik pakken kan om met taal te kunnen doen wat ik wil. Human resource manager en community sales hoef ik niet te pakken, en ik ben ook niet van plan dat te doen, al is het maar omdat ik hopelijk nooit over die onderwerpen hoef te spreken.

Overgrootvader

Voor mij is een taal geen land. Mijn eigen taal is mijn huis dat ik eigenhandig in elkaar getimmerd heb van het drijfhout dat ik toevallig op het strand vond. Natuurlijk zie ik ook wel dat mijn privé-taal meer gemeen heeft met dat van de inwoners van Nederland en Vlaanderen, dan pakweg met dat van de inwoners van Sierra Leone, maar dat lijkt me geen reden om te proberen mijn taal dan ook 'puur' te houden door alle woorden te weren die mijn overgrootvader niet zou hebben begrepen. Mijn overgrootvader is dood en zal me dus nooit meer begrijpen.

Betekent zo'n anarchistische houding niet dat we ons willoos overleveren aan het Engels? Nee, want het Engels bestaat natuurlijk net zo min als het Nederlands of enige andere taal. En de kans dat al die miljarden mensen over de hele wereld ooit hetzelfde taalrepertoire hebben, lijkt me precies even klein als de kans dat iedereen ooit in een Mao-pakje zal lopen. Taal heeft namelijk een veel belangrijk functie dan communicatie: te laten horen dat je anders bent dan de anderen, de ouwe lui, de kapitalisten, de moslims, de vrouwen, het werkvolk, de ongeletterden, de neerlandici.

Ik weiger om mijn taal een bron van zorg, verdriet of saggerijn te laten zijn. Mijn taal is mijn taal, mijn instrument, hoe gebrekkig en vals het misschien ook mag klinken. Ik streef naar een opgewekte taalmix, ongeveer zoals de taal van Manu Chao. Taal om bij te dansen, niet om bij te huilen.