Mieke Trommelen, Buitenkrachten, binnenkrachten: de Utrechtse taalkunde, 1979-1989, Utrecht, Matrijs

Marc van Oostendorp

(Recensie, verschenen in het tijdschrift voor wetenschapsgeschiedenis Studium)

Volgens allerlei criteria -- publicatie-indices, internationale erkenning voor onderzoekers, gehonoreerde subsidieaanvragen -- is de taalwetenschap sinds enkele decennia een van de succesvolste (geestes)wetenschappen van Nederland. Daarbij is Utrecht ontegenzeggelijk een van de belangrijkste centra, met name van de zogenoemde generatieve taalkunde die ontwikkeld is door de beroemde Amerikaan Noam Chomsky. Hoe komt dat? Hoe is de Utrechtse taalkunde aan zo'n sterke positie gekomen? Daarover gaat het boek 'Buitenkrachten, binnenkrachten. De Utrechtse taalkunde 1979-1989' van de Utrechtse taalkundige Mieke Trommelen.

Trommelen kiest een opvallend perspectief in dit boek. Over de taalkundige ontdekkingen die Utrechtse geleerden in de jaren tachtig deden, lees je geen woord. Wie geÔnteresseerd is in de belangrijkste debatten van die tijd, in de intellectuele bijdragen die Utrechtenaren aan die debatten leverden, of de inhoudelijke samenwerking met buitenlandse geleerden die er in die jaren wel degelijk was, wordt uit Buitenkrachten niet veel wijzer. Er is welgeteld ťťn hoofdstuk (hoofdstuk 2) waarin in grote lijnen het theoretisch kader van de Chomskyaanse taalkunde wordt uitgelegd — maar zelfs dat gaat niet in op de specifiek Utrechtse blik op dit vakgebied. In plaats daarvan gaat het boek vrijwel exclusief over de bezuinigingsmaatregelen die in de jaren tachtig in Den Haag werden afgekondigd (de buitenkrachten) en de manier waarop de Utrechtse geleerden (de binnenkrachten) dit ogenschijnlijke nadeel handig in een voordeel wisten om te zetten.

Behalve een inleidend hoofdstuk en het genoemde hoofdstuk 2 bestaat de kern van het boek uit hoofdstukken met titels als 'Voorwaardelijke Financiering' (hoofdstuk 3), 'Onderzoeksinstituten' (hoofdstuk 5) en 'Selectieve Krimp en Groei' (hoofdstuk 6). Het allerlaatste hoofdstuk heet 'Een vergelijking met Leiden' (hoofdstuk 9). Alles bij elkaar is het een leerzaam betoog voor iedereen die belangstelling heeft voor universitair bestuur en universitaire administratie. De hoofdrol wordt in zekere zin gespeeld door een driemanschap: de toenmalige hoogleraar Fonetiek Toon Cohen (1923-1996) en de toenmalige jonge honden Ger de Haan (1944; tegenwoordig decaan in Groningen) en Wim Zonneveld (1950; tegenwoordig hoogleraar Engelse Taalkunde in Utrecht).

Cohen was naar Utrecht gekomen na eerst jarenlang bij het Instituut voor Perceptieonderzoek (IPO) gewerkt te hebben, een voor een belangrijk deel door Philips gesponsord instituut. Hij kende dus de manier van werken van het bedrijfsleven van binnenuit. Dat bleek uitermate gunstig in een periode waarin men van overheidswege de onderzoeks- en onderwijssubsidies meer wilde verzakelijken. Op de een of andere manier kon Cohen zelfs veel maatregelen vantevoren zien aankomen. Zo begon men in Utrecht al aan de oprichting van een Onderzoeksschool voor Taal en Spraak (OTS) voordat op de instelling van dergelijke scholen van hogerhand heel sterk werd aangedrongen. Het OTS was daarmee een van de de eerste en zeker een van de sterkste geesteswetenschappelijke onderzoeksscholen van Nederland. Dat zorgde er op zijn beurt weer voor dat bijvoorbeeld het Utrechtse universiteitsbestuur de school goedgezind was en voorzag van relatief ruime financiŽle middelen.

Cohen had het waarschijnlijk niet in zijn eentje geklaard, maar er liepen in die tijd een aantal relatief jonge taalkundigen in Utrecht rond die zijn ideeŽn met energie tot uitvoering brachten, en ook zelf scherp waren op nieuwe ontwikkelingen. Toen het programma voor Voorwaardelijke Financiering in het leven werd geroepen, dat universitaire onderzoekers er min of meer toe dwong om hun onderzoek in projecten onder te brengen, wisten vooral Zonneveld en De Haan met grote voortvarendheid ervoor te zorgen dat de taalkundigen veel beter georganiseerd te werk gingen dan andere geesteswetenschappers of dan andere taalkundigen elders in Nederland.

Uit het laatste hoofdstuk, dat een vergelijking met de situatie in Leiden maakt, blijkt overigens dat het hierbij niet alleen maar ging om organisatorisch talent. Een belangrijke kracht van Utrecht was dat men er inhoudelijk tamelijk eensgezind was — veel taalkundigen waren op Chomsky georiŽnteerd - of anders bereid was om inhoudelijke verschillen van inzicht om pragmatische redenen opzij te zetten. In Leiden is decennialang op het scheprst van de snede gebakeleid over de vraag of Chomsky nu een genie was of juist een bedrieger, en daardoor is een echte brede onderzoeksschool voor alle Leidse taalkundigen pas een paar jaar geleden van de grond gekomen.

Een vraag die daarbij door Trommelen niet beantwoord wordt is of er nu criteria zijn volgens welke Leiden het bij dat alles ook daadwerkelijk 'slechter' gedaan heeft dan Utrecht. Als ik het goed zie noemt ze naast het ontbreken van een 'echt brede onderzoeksschool' alleen dat de generatieve taalkunde momenteel in Leiden 'niet opvallend prominent' is. Maar het eerste is een wel erg formalistisch criterium; en of het laatste erg is valt alleen maar te besluiten als je denkt dat de generatieve school van denken inherent beter is. Het lijkt er een beetje op alsof de auteur Leiden minder succesvol vindt dan Utrecht omdat het Utrecht niet is. Dit is precies het punt waarop een meer inhoudelijke kijk op de geschiedenis - wat voor inzichten zijn er in de twee steden in de beschreven periode aan het licht gekomen? - van nut was geweest.