Sinds de jaren tachtig hebben bijna alle Nederlandse provincies mensen in dienst die zich bezighouden met streektaal. Zij zorgen voor onderwijsprogramma’s en tentoonstellingen, en ondersteunen mensen die een liedje schrijven of een woordenboek samenstellen. Heeft hun werk zin?

'Geen Friese toestanden!'

Het werk van streektaalfunctionarissen

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in Onze Taal, juli/augustus

"De spelling van het Weertlands is veel te ingewikkeld!" roept Pierre Bakkes. "Ze hebben rond Weert veel verschillende tweeklanken en die schrijven ze dan ook nog eens op allerlei verschillende manieren. Ik moet proberen die mensen ervan te overtuigen dat ze hun spelling moeten vereenvoudigen, want kinderen worden hier horendol van." Bakkes is streektaalfunctionaris in Limburg, iemand die met geld van de provincie het gebruik van het dialect bevordert. Die taak brengt met zich mee dat hij mensen bijstaat die een woordenboek samenstellen. Afgezien van Noord- en Zuid-Holland en Utrecht heeft inmiddels iedere Nederlandse provincie een of meer streektaalfunctionarissen. Wat doen zij voor werk? En waarom?

Bakkes is net vijfenzestig geworden, en tijdens het gesprek is hij aan zijn laatste werkdagen toe: op 16 juni nam hij afscheid, bijna tien jaar nadat de Nederlandse overheid het Limburgs officieel als ‘regionale' taal had erkend, zoals zij dat eerder met de dialecten van Groningen, Drenthe, Overijssel, de Achterhoek en een paar niet-Friestalige gebiedjes in Friesland (samen: het Nedersaksisch) had gedaan. Die erkenning, in 1997, was volgens Bakkes belangrijk voor het zelfbewustzijn van de Limburgers: "Bijna iedere Limburger weet dat er aan het Limburgs gewerkt wordt door de provincie. En men waardeert dat zeer." Bovendien heeft de erkenning politici doordrongen van de waarde van de streektaal: "Ik kan nu naar een gedeputeerde toe stappen als ze een tijdje geen dialect in het openbaar heeft gebruikt om haar daarop aan te spreken. En het mooie is: ze luistert ook nog!"

Erkenning

De officiële erkenning van het Nedersaksisch was ook belangrijk voor andere regio's, zegt Siemon Reker uit Groningen, die in 1984 de eerste was die als streektaalfunctionaris werd benoemd: "In Groningen en Drenthe waren we al bezig voor de erkenning, maar in Overijssel en ook in Gelderland zijn er pas daarna streektaalfunctionarissen gekomen." Het Zeeuws en het Brabants hebben geen erkenning gekregen, maar ook zij hebben geprofiteerd van de golf van belangstelling voor de streektaal. "De provincies willen graag hun eigenheid benadrukken", zegt Reker. "En daar past ook belangstelling voor de eigen taal bij."

In Zeeland is de streektaalfunctionaris aangesteld in de tijd dat de provincie erkenning voor het Zeeuws had aangevraagd. Zo'n streektaalfunctionaris is vereist na erkenning, maar uiteindelijk is het verzoek hiertoe in juni 2004 door minister Remkes van Binnenlandse Zaken afgewezen. Ook in Noord-Brabant werd met de gedachte gespeeld om erkenning aan te vragen in de tijd dat er daar een streektaalfunctionaris werd aangesteld. Na het besluit van Remkes over het Zeeuws hebben de Brabanders geen moeite meer gedaan hun taal wél erkend te krijgen.

Klapbank

Wie een rondje langs de streektaalfunctionarissen maakt, merkt hoezeer zij van elkaar verschillen. Pierre Bakkes uit Limburg is in de eerste plaats een man van het onderwijs: hij is zelf leraar geweest aan onder andere de lerarenopleiding, en hij heeft dan ook aan de basis gestaan van een 'scholenpakket' over het Limburgs dat op basisscholen gebruikt kan worden.

Reker houdt kantoor aan de Rijksuniversiteit Groningen en publiceerde behalve wetenschappelijke artikelen ook bijvoorbeeld een cursus over de taalkunde van het Gronings. Hun Zeeuwse collega Veronique De Tier is gehuisvest bij de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland, waar behalve aan de streektaal ook aandacht wordt besteed aan archeologie en de regionale geschiedenis van de provincie. Ze werkt momenteel onder andere aan een tentoonstelling die onder de titel De Zeeuwse Klapbank ('praatbank') de provincie zal rondtrekken en de Zeeuwen zo kennis laat maken met hun eigen dialect.

Hoewel ze niet veel contact met elkaar hebben, volgen ze elkaars werk wel. "Zo'n scholenpakket als in Limburg zouden wij ook wel willen hebben", zegt De Tier. In dat pakket wordt de leerlingen iets verteld over hun eigen dialect: dat het niet per se dommer of slechter is om dialect te spreken dan om de standaardtaal te gebruiken, en dat er ook binnen een regio nog verschillen zijn. "We gaan daar in de toekomst ook nog wel aan werken", zegt De Tier. "Maar het kost veel tijd, en de mensen in het onderwijs moeten het er allemaal naast doen."

Plaatsnaamborden

Ook Siemon Reker is niet erg positief: "Het is hier in Groningen lastig gebleken om iets tot stand te brengen op de scholen. Zodra je voorstelt om ook maar een uurtje per week aan het dialect te besteden, staat er altijd wel een onderwijzer of een ouder op die roept: 'We willen hier geen Friese toestanden!' Daarmee is de discussie dan beslecht."

De verwijzing naar Friese toestanden kennen alle streektaalfunctionarissen. Een heikel punt blijken bijvoorbeeld tweetalige plaatsnaamborden te zijn. De Tier: "Toen men hier in Zeeland bezig was met de erkenningsaanvraag, kwamen tegenstanders vaak met die borden als een afschrikwekkend voorbeeld." "Terwijl je je afvraagt wat daar eigenlijk op tegen is", zegt Reker. "De twee namen hoeven toch niet even groot op het bord? De dialectnaam in kleine cursieve letters onder de Standaardnederlandse naam, als met een knipoog, dat is toch juist mooi? Zo doen ze dat in Luxemburg bijvoorbeeld ook."

De jongste streektaalfunctionaris heeft waarschijnlijk voorlopig de lastigste baan: de 38-jarige taalwetenschapper Jos Swanenberg werkt sinds juli 2004 in de provincie Noord-Brabant, waar — buiten de Randstad — nog de minste belangstelling lijkt te zijn voor dialect. "Misschien komt het doordat Brabant het meest verstedelijkt is", zegt hij. "Omroep Brabant zendt bijvoorbeeld nauwelijks dialect uit. Ze hebben een wekelijks programma, Het Brabants uurke, maar daarbuiten spelen ze vooral een landelijke omroep in het klein."

Gedichten

Ook al zijn er dan verschillen, de kern van het werk is voor alle streektaalfunctionarissen hetzelfde: individuen en lokale groepen bijstaan als ze iets met hun streektaal willen doen. "Ik was deze week nog bij een werkgroepje dat alle namen van straten en huizen in Den Bosch wil optekenen en verklaren", zegt Swanenberg. "Dat zijn tien enthousiaste mensen, maar ze hebben in meerderheid geen enkele taalkundige of historische achtergrond. Ik help ze dan door ze uit te leggen hoe ze dingen kunnen uitzoeken." Pierre Bakkes staat bovendien vaak liedjesschrijvers terzijde: hij kijkt hun teksten na op spelling en taalgebruik. "Sommigen komen pas naar me toe als ze het liedje al hebben opgenomen", zegt hij bedremmeld. "Dan zingen ze bijvoorbeeld dat ze iets 'vaok' doen. Terwijl het echte Limburgse woord duk of duks is."

"De meeste dialectliefhebbers zijn natuurlijk amateurs", zegt Veronique De Tier, die, die naast haar werk als streektaalfunctionaris, enkele dagen aan de Universiteit van Gent werkt aan het wetenschappelijke Woordenboek van de Vlaamse dialecten. "Dat wil niet zeggen dat ze geen goed werk doen, maar een streektaalfunctionaris kan ze allicht een beetje verder helpen."

Alle streektaalfunctionarissen benadrukken verder dat ze het brede publiek in hun provincie willen voorlichten. "Er zijn nog steeds veel mensen die zich schamen voor hun dialect, die denken dat het een onvolwaardige taal is", zegt Reker. "Dat is een misverstand waar ik tegen strijd." "Kinderen die op school wat over het Limburgs hebben gehoord", vult Bakkes aan, "zullen in ieder geval niet meer voetstoots aannemen dat het Limburgs een taal is die je niet kunt schrijven. Of dat er geen gedichten in bestaan."

Vader

Waarom wordt iemand streektaalfunctionaris? De meesten zeggen dat ze er "ingerold" zijn: tijdens hun studie schreven ze een scriptie over een dialectonderwerp, en later begonnen ze zich gaandeweg meer voor het dialect te interesseren. Zelfs Jos Swanenberg, wiens vader een bekende Brabantse zanger en dialectschrijver is, zegt dat hij tijdens zijn studie min of meer toevallig bij het dialect betrokken raakte: "Er was een baantje bij het Woordenboek van de Brabantse dialecten." Inmiddels werkt Swanenberg overigens veel samen met zijn vader, die hem van informatie voorziet over van alles wat met het Brabants te maken heeft. "Ik spreek hem bijna iedere dag. En dat zou ik waarschijnlijk ook doen als hij geen Swanenberg zou heten."

Pierre Bakkes heeft de passie voor het dialect ook van huis uit meegekregen. "Toen ik opgroeide in de jaren vlak na de oorlog, kwamen er in mijn midden-Limburgse dorp Montfort de eerste mensen van buiten de provincie wonen. Mijn ouders hielden ons altijd voor dat we thuis Limburgs zouden blijven praten. Toen ik eenmaal volwassen was, begon ik ook Limburgse boeken te lezen, en lp's met Limburgse muziek te verzamelen. Dat waren er nog niet zo veel, en dan gaat men je al snel zien als een kenner. Zo werd ik af en toe voor de Limburgse radio uitgenodigd om mijn mening te geven over een nieuw boek."

Reis

Hebben de streektaalfunctionarissen ook idealen? Ook hierin zijn er nogal wat verschillen. "Ik wil graag wat misverstanden over dialecten wegnemen", zegt Veronique De Tier, "zoals dat alle dialecten in Zeeland alleen maar heel erg van elkaar verschillen. Natuurlijk zijn er ook overeenkomsten." "Het zou goed zijn als eens wordt uitgezocht hoe het zit met de erkenning", zegt Jos Swanenberg. "Waarom is het Nedersaksisch wel erkend en het Zeeuws niet? Dat zou ik weleens willen weten."

"Ik zou willen", zegt Siemon Reker, "dat er een wat meer ontspannen houding tegenover het dialect was. Dat mensen er zonder schaamte mee konden omgaan. Dat er in de kranten, op de radio en de televisie op een natuurlijke manier aandacht aan werd besteed."

En de bijna gepensioneerde Pierre Bakkes? "Wat zou ik graag een reis kunnen maken in een land boordevol dialecten. Van het zuidelijkste puntje van ons taalgebied reizen naar het noordelijkste puntje, iedereen onderweg in mijn eigen taal aanspreken, begrepen worden, en van iedereen antwoord krijgen in telkens weer een ander dialect."