Veel Nederlandse dialecten staan op het punt te verdwijnen. Volgens sommige deskundigen helpt officiële erkenning door de overheid om dit tij te keren, maar volgens anderen doet zo'n erkenning meer kwaad dan goed. In juni kwamen enkelen van hen bij elkaar om over dit onderwerp te praten.

Hoe meer dialecten, hoe beter

Deskundigen maken zich sterk voor de streektaal

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in Onze Taal, juli/augustus 2001)

"Weete-gij dat in uw Groen Boekske woorden voorkomen die helemaal niet bestaan?", vroeg het elfjarige zoontje van Koen Jaspaert onlangs aan zijn vader. Jaspaert is algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie en woont in het Belgische Aarschot. Zijn zoontje had van een leraar op school gehoord dat er in de jaren vijftig een Aarschotse professor is geweest die wilde nagaan of zijn collega's in de redactie van het Groene Boekje wel opletten, door een lijst met 'niet-bestaande' woorden toe te voegen - woorden uit het Aarschotse dialect.

Wat die woorden precies waren, wist de jongen niet meer, maar met enig puzzelen kon Jaspaert er minstens één achterhalen: blaffetuur, dat overigens ook in de recentste editie van het Groene Boekje en in Van Dale staat. Ook wie de professor indertijd was, viel na te gaan. De uit Aarschot afkomstige professor Pauwels zat in de jaren vijftig in de redactie van het Groene Boekje. Hij streed voor het Vlaams en wilde waarschijnlijk de woorden uit zijn moedertaal burgerrecht geven in de standaardtaal. Zijn kleine taalpolitieke daad leeft nu nog steeds voort als een Aarschots stadsverhaal.

Machtspositie

Jaspaert vertelde dit verhaal tijdens het symposium 'Taal of tongval?', dat vorige maand gehouden werd op het Meertens Instituut in Amsterdam. Taalkundigen en taalbeleidsmakers kwamen bij elkaar om te praten over de rol van wetenschappers bij de bescherming van het dialect. Dat het de moeite waard is om de bestaande varianten te beschermen, daarover lijken de meeste deskundigen het met elkaar eens. Maar over de beste manier om dat te doen, zijn de meningen verdeeld.

Volgens Jaspaert is de anekdote veelzeggend voor de manier waarop vaak met taalbeleid is omgegaan: "Pauwels was een man die het Vlaams wilde verdedigen en die op een bepaald moment in een machtspositie kwam - als redacteur van het Groene Boekje - die het hem mogelijk maakte zijn ideaal te verwezenlijken." In zaken van taalpolitiek wordt volgens Jaspaert de gemiddelde dialectspreker zelden iets gevraagd. De meeste beslissingen worden genomen door een taalkundige elite. Als daar toevallig een hoogleraar bij is die het Aarschots hoog heeft zitten, komt blaffetuur in het Groene Boekje. Zonder dat dit overigens veel effect heeft: een gemiddeld Aarschots jongetje van elf weet ondanks Pauwels allang niet meer wat een blaffetuur is (een naar binnen openslaand luik voor het raam).

Nieuwe standaardtalen

Ook de erkenningsprocedures in Nederland zijn volgens Jaspaert op deze weinig democratische manier verlopen. Enkele jaren geleden tekende Nederland het Europees Handvest voor Regionale Talen of Talen van Minderheden. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat alleen het Fries erkenning en ondersteuning zou krijgen, maar al snel werd ook erkenning aangevraagd voor het Nedersaksisch (de dialecten die gesproken worden in onder andere Groningen, Drenthe, Overijssel en de Achterhoek) en het Limburgs. Dit voorjaar diende de provincie Zeeland een aanvraag in voor erkenning van het Zeeuws. De regering is zich hierop momenteel aan het beraden. In geen van die gevallen is de bevolking van de respectieve gebieden gevraagd wat zij van een dergelijke erkenning zou vinden.

Jaspaert is een tegenstander. Hij ziet het Nederlands als een verzameling taalvarianten; de standaardtaal is één zo'n variant, maar de dialecten zijn daaraan gelijkwaardig. Het enige verschil is dat de standaardtaal in formele, onpersoonlijke situaties wordt gebruikt en het dialect in het dagelijks leven. Het zoontje van Jaspaert spreekt dialect met zijn vader, maar de standaardtaal op school. Door nu sommige streektalen een aparte status toe te kennen, creëer je volgens Jaspaert ongelijkheid. Sommige varianten worden nieuwe standaardtalen en de andere varianten blijven daarbij achter.

Recht

Veel sprekers op het symposium waren het niet met Jaspaert eens. De hoogleraar Friese taalkunde Durk Gorter vindt bijvoorbeeld dat erkenning een belangrijk steuntje in de rug kan zijn voor een streektaal. De Groningse streektaalfunctionaris en taalkundige Siemon Reker ging nog een stap verder. Hij keurt de houding van de Nederlandse Taalunie af: "Het Europees Handvest is bedoeld om deuren open te zetten - om de taalkundige rijkdom in Europa te bevorderen. Laten we die deuren dan ook openzetten en talen de erkenning geven waar ze recht op hebben." In Nederland wordt volgens Reker overdreven strikt aan de letter van het Handvest vastgehouden: "In Zwitserland is men bijvoorbeeld veel liberaler. Hoewel het Handvest expliciet voorschrijft dat alleen talen mogen worden aangemeld die verschillen van de officiŽle talen van het land, heeft men daar het Reto-Romaans en het Italiaans aangemeld. Dat zijn officiŽle talen van het land, maar ze zijn volgens de Zwitsers wel bedreigd."

Volgens de Tilburgse hoogleraar Guus Extra zijn de streektalen in Nederland overigens nog beter af dan de allochtone minderheidstalen. Extra: "Streektalen worden vaak wel door de overheid gestimuleerd, maar nog nauwelijks thuis gebruikt. Voor immigrantentalen ligt dat precies omgekeerd." Ook in het onderwijs merk je volgens Extra het verschil: "Het succes van kinderen die Fries leren, wordt afgemeten aan hun taalvaardigheid in het Fries. Maar het succes van het onderwijs in het Turks wordt afgemeten aan de taalvaardigheid van de leerlingen in het Nederlands."

Eilanders

Over één ding lijken de meeste betrokkenen het eens: veel Nederlandse dialecten zijn er slecht aan toe. Durk Gorter gaf een voorbeeld van zo'n uitstervende taal: het 'Eilanders', het dialect van Schiermonnikoog. Waren er in de jaren vijftig nog enkele tientallen gezinnen die thuis Eilanders spraken, momenteel is dat er nog maar een. In totaal zijn er slechts ongeveer honderd sprekers van het Eilanders. Gorter: "De burgemeester zegt dat hij de taal wel belangrijk vindt, maar hij vindt het onzin om haar toe te staan bij raadsvergaderingen of om zelf op cursus te gaan."

Het Eilanders is daarmee misschien ten dode opgeschreven, maar andere varianten zijn misschien nog te redden. Met of zonder officiële erkenning door de overheid.