In heel Europa wordt er geklaagd over het Engels, dat in steeds meer omstandigheden gebruikt wordt en bovendien volgens velen van een slechte kwaliteit is. Maar hoe erg is dat? De wereld wordt steeds kleiner en daarmee groeit de behoefte aan een wereldtaal. Een pleidooi voor het loslaten van al te strikte normen.

Ons steenkolen-Engels

De pragmatische oplossing van een taalprobleem

Marc van Oostendorp

Verschenen in Onze Taal, oktober 2000.

De wereld is rijp voor een nieuwe taal: het steenkolen-Engels. Wie goed kijkt en luistert, ziet en hoort die taal om zich heen ontstaan. Je hoeft maar een avondje over het internet te surfen, een luchthaven te bezoeken of een internationale bijeenkomst van politici of zakenmensen bij te wonen, en je krijgt een idee van de taal van de toekomst, die zijn wortels weliswaar in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten heeft, maar langzamerhand van de hele wereld wordt.

De term steenkolen-Engels wordt meestal in smalende zin gebruikt, voor het taaltje dat mensen spreken die eigenlijk niet weten hoe het hoort, die om modieuze of andere redenen wel Engels proberen te praten, maar dat vervolgens niet op precies dezelfde manier doen als Britten en Amerikanen. Ik denk dat het tijd wordt om de term in plaats daarvan als een geuzennaam te gebruiken, als de naam van een soort Engels dat de toekomst heeft. Dat is de taal van slimme en mondige wereldburgers die zich weinig gelegen laten liggen aan de idiomatische manier waarop moedertaalsprekers het Engels hanteren. Voor die mensen kunnen hun Engelstalige teksten net zo goed gecontroleerd worden door een intelligente taalgevoelige Fin of Japanner als door een moedertaalspreker.

Voor dat steenkolen-Engels hoeven we niet bang te zijn: het bedreigt onze eigen taal niet en het kan de wereld een stuk rechtvaardiger en gemakkelijker maken. Het gaat er niet om dat iemand zijn taal opgeeft ten gunste van het steenkolen-Engels. Het gaat erom dat de wereld er behoefte aan heeft dat alle wereldburgers minstens tweetalig zijn en dat die tweede taal voor zo veel mogelijk mensen, arm en rijk, een wereldtaal is. Het steenkolen-Engels is daarvoor een goede kandidaat — misschien niet de best denkbare oplossing voor het wereldtaalprobleem, maar ook niet de slechtste.

Kritiekloos en klakkeloos

Ik weet dat veel mensen het niet met me eens zijn. Klachten over het aanstormende steenkolen-Engels worden in heel Europa gehoord. U wist het misschien nog niet, maar het Duits staat op het punt te verdwijnen. De bekende Duitse journalist en schrijver Dieter E. Zimmer maakt zich in elk geval ernstig zorgen. Volgens hem is er geen Europees volk dat zo gevoelig is voor de invloed van het Engels als het Duitse, en geen land ter wereld waar vrijwel iedereen zo kritiekloos en klakkeloos de eigen taal verloochent als Duitsland.

Terwijl volgens Zimmer naburige volken als het Nederlandse vlijtig eigen woorden gebruiken voor begrippen als notebook (notaboek) en to upgrade (uitbouwen), spreken de Duitsers onbekommerd over Notebook en upgraden. Als ze konden, zouden ze de hele dag Engels praten. Omdat dat hun niet lukt, mengen ze maar van alles door elkaar en spreken ze steenkolen-Engels.

Zimmer heeft ook een verklaring voor dit afwijkende gedrag van de Duitsers. Het komt allemaal door de oorlog. Deze heeft bij de gemiddelde intelligente en goed opgeleide Duitser zo’n enorme afkeer bewerkstelligd van alles wat Duits is, dat hij eigenlijk liever een Amerikaan zou willen zijn, en dan ook zo zou willen praten. Andere volkeren hebben veel minder last van een dergelijke zelfhaat.

Illegale activiteiten

Daar zit wat in, zou je zeggen, ware het niet dat het Frans óók al ten dode opgeschreven is. Ruim zes jaar geleden, op 4 augustus 1994, nam de Franse regering een wet aan die het verbood om zich in Frankrijk alléén in het Engels uit te drukken. Wie anderstalige teksten voor websites, congresbundels of advertenties schrijft, moet altijd op zijn minst zorgen voor een vertaling in het Frans.

Het helpt allemaal weinig. Vorig jaar bracht de vereniging Recht op Begrip (‘Le Droit de Comprendre’), die in oktober 1994 was opgericht om naleving van de wet te controleren, een rapport uit over de naleving van de wet. De toon van dat rapport was allesbehalve positief. Weliswaar kon de vereniging buiten de multinationals weinig ‘illegale’ activiteiten vinden bij het Franse bedrijfsleven, maar verder werd er in de Franse maatschappij veel gezondigd. "Als we op basis van onze bevindingen een prijs zouden uitloven voor taalonbeschoftheid," schreef de vereniging, "zou de ‘gouden palm’ zonder twijfel worden toegekend aan het Europese ambtenarenapparaat en de publieke dienstverlening in Frankrijk. Zij staan ex aequo op de weinig benijdenswaardige eerste plaats als bewuste, vrijwillige en onvergeeflijke promotors van het verval van onze taal."

Ook over het lot van het Nederlands zijn veel betrokkenen het al met elkaar eens. Zelfs taalkundigen maken zich zorgen, al zijn er mensen die denken dat zorg om de moedertaal onder die beroepsgroep taboe is. In Onze Taal komen deze taalkundigen af en toe aan het woord.

Accountmanagers

Zelfs in het Engelse taalgebied maakt men zich zorgen: gaat door al dat internationale gebruik de kwaliteit van de taal van Shakespeare niet zienderogen achteruit? Het Engels is al minstens sinds het begin van de twintigste eeuw bezig aan een opmars door de wereld, maar de laatste decennia lijkt het wel steeds sneller te gaan. De hoeveelheid communicatiemiddelen, het gemiddelde opleidingsniveau van de burgers en de mogelijkheden om te reizen zijn in die tijd zó snel toegenomen dat het Engels over de hele wereld zijn invloed doet gelden.

Het lijkt me voor de discussie zinnig om een onderscheid te maken tussen twee soorten invloed van het Engels. In de eerste plaats beginnen sommige talen in ieder geval oppervlakkig gezien meer op het Engels te lijken, doordat ze woorden uit die taal lenen, en misschien een enkele grammaticale constructie. In de tweede plaats begint het Engels hoe langer hoe meer de enige taal te worden die in internationale contacten een rol speelt. Voor de vorm wordt er soms nog weleens een andere taal toegestaan, maar in de praktijk en in de wandelgangen verdwijnen die talen steeds meer naar de achtergrond ten faveure van één taal — het Engels. Hoewel deze twee soorten invloed van het Engels door veel mensen met elkaar verbonden worden, moet je ze volgens mij los van elkaar zien. We lenen ook woorden uit talen die geen wereldtaal zijn, en omgekeerd is het heel wel mogelijk om een ‘eigen’ taal en een wereldtaal naast elkaar te gebruiken, zonder dat dit een van beide nadrukkelijk benadeelt.

Ik ben taalkundige, en net als veel collega’s maak ik me nauwelijks druk om de eerste soort invloed. Leenwoorden komen en gaan, en zolang je niet urenlang met accountmanagers praat, valt een gemiddeld gesprek tussen Nederlandstaligen ook zonder woordenboek Nederlands-Engels nog best te verstaan. Ik heb trouwens de indruk dat die leenwoorden de meeste niet-taalkundigen ook niet echt dwarszitten. Je hoort voor de vorm weleens iemand klagen, maar het aantal mensen dat echt boos of verdrietig wordt als iemand een keertje by the way zegt, is te verwaarlozen.

Op zijn beloop

De tweede soort invloed (het Engels wordt hoe langer hoe meer de taal van internationale contacten) lijkt me vooralsnog veel belangrijker en interessanter. We leven in een tijd waarin mensen wereldwijd op grote schaal met elkaar kunnen praten, schrijven, lachen en ruziemaken. Dat is nog nooit eerder mogelijk geweest.

Het is daarom tijd om op dit vlak een weloverwogen politieke keuze te maken. Als mensen met verschillende achtergronden samenkomen, moeten ze het eens worden over het soort taal dat ze onderling gaan gebruiken. Wat zijn dan de mogelijkheden? We kunnen de zaak overlaten aan de techniek, we kunnen ons lot in handen leggen van de Amerikanen, we kunnen kiezen voor meertaligheid, of we kunnen een taal als het Esperanto aannemen. Voor elk van die mogelijkheden is wel wat te zeggen, maar de keus voor het steenkolen-Engels is, denk ik, een goed compromis.

Websites

De techniek is nog steeds niet ver genoeg gevorderd om ons echt te kunnen helpen. Automatische vertalers en tolken worden al meer dan vijftig jaar aangekondigd, en steevast wordt er dan bij gezegd dat ze er ‘binnen een paar jaar’ zullen zijn, maar de grote doorbraak is vooralsnog uitgebleven. Zelfs als die zou komen, is het trouwens maar de vraag of het wenselijk zou zijn om ons altijd op de techniek en op apparaten te verlaten als het gaat om een alledaagse menselijke bezigheid als communicatie.

We kunnen de zaken ook laten zoals ze nu zijn en het Brits-Engels of, nog waarschijnlijker, het Amerikaans-Engels aannemen. Zeker die laatste variant is al een beproefd middel van communicatie tussen mensen met heel verschillende culturele achtergronden. Maar er kleeft toch ook één groot nadeel aan: als de Amerikanen de norm mogen stellen, wordt elke discussie met hen wel erg ongelijk. Zij spreken een taal die ze perfect beheersen, maar wij moeten ons eigenlijk eerst door hen laten corrigeren.

In de Verenigde Staten zelf wordt onder andere om deze reden in ieder geval in de officiële politiek vaak voor een andere mogelijkheid gekozen: die van de veeltaligheid. De websites van de twee kandidaten voor de presidentsverkiezingen hebben in dat land bijvoorbeeld allebei een uitgebreide Spaanstalige versie, waar ook de recentste persberichten vrijwel onmiddellijk op verschijnen. Maar het bekendste voorbeeld van een officiële instantie waar meertaligheid tot politiek verheven is, is natuurlijk de Europese Unie. De landstalen mogen in de belangrijkste organen van de unie officieel allemaal gebruikt worden en het ideaal dat gepropageerd wordt, is dat alle Europese burgers meertalig worden, wat concreet betekent dat ze op school meerdere Europese landstalen zouden moeten leren.

Idealen

Het is niet moeilijk te zien wat de zwakke plek van deze politiek is: ze is onwerkbaar. Le Droit de Comprendre zag het goed toen ze erop wees dat de ambtenaren van de Europese instanties feitelijk de grootste tegenstanders van het Frans zijn. Dat valt die ambtenaren alleen nauwelijks te verwijten. Idealen zijn mooi, maar er moet ook nog gewerkt worden, en met een veelvoud aan talen lukt dat nu eenmaal nauwelijks.

De laatste mogelijkheid is die van een natieloze plan-taal als het Esperanto. Ik zou de keuze daarvoor niet betreuren, want in veel opzichten zou het de meest rationele zijn: een taal zonder moedertaalsprekers, dus zonder strikte normen, en met een grammatica en een woordenschat zonder historische aanslibsels. Het nadeel van rationele keuzes is echter vaak dat niemand ze serieus neemt, en dat mensen geen taal willen leren zolang niet voldoende andere mensen die geleerd hebben. De wereld kan niet wachten tot iemand iets vindt om deze vicieuze cirkel te doorbreken.

De keuze voor het steenkolen-Engels lijkt mij op zijn minst second best. Als we ons nu wat minder aantrekken van hoe de Britten en de Amerikanen vinden dat het hoort; als de wereldburgers in Europa, en uiteindelijk op de hele wereld, eens met elkaar afspreken dat we niet per se elk woord van Shakespeare of zelfs van Salman Rushdie hoeven te begrijpen, maar liefst wel elk woord van elkaar; dat we geen nieuwe taal nodig hebben om onze diepste gevoelens mee uit te drukken — dat proberen we wel in onze moedertaal — maar wel om zakelijke gesprekken en genoeglijke mailcorrespondenties in te kunnen voeren; dat het niet nodig is elkaar op ongrammaticaliteiten te betrappen als we elkaar maar kunnen verstaan — als we dat allemaal zouden doen, dan zouden de mensen elkaar moeten kunnen vinden op een gemeenschappelijke basis. Het steenkolen-Engels zou zo’n basis kunnen zijn.

In november verschijnt bij uitgeverij Contact het boek Steenkolen-Engels van Marc van Oostendorp.

Spreek steenkolen-Engels!

Hét steenkolen-Engels bestaat nog niet. Wel kun je met wat gezond verstand al enkele vuistregels opstellen voor het gebruik van een internationale variant van het Engels.

Een belangrijke spelregel is: vermijd zoveel mogelijk idiomatische uitdrukkingen, ironie en andere overdrijvingen die door mensen uit andere culturen gemakkelijk verkeerd begrepen kunnen worden. Zeg tegen een onbekende niet ‘Martin kicked the bucket’ maar ‘Martin died’. Zeg niet ‘I am dying to see Martin’, maar ‘I would like to see Martin’ of, als u eigenlijk ironisch had willen zijn, ‘I would rather never see Martin again’.

Een minstens even belangrijke regel is: geen enkele regel ligt vast. Idioom, ironie en overdrijving zijn geen taboe. Als u vaak met iemand praat of mailt en merkt dat de ander ondanks het cultuurverschil een soortgelijk gevoel voor humor heeft, mag u daar best gebruik van maken. En als u heel intiem raakt met een Deense kennis kunt u op een bepaald moment best uitleggen wat u voortaan bedoelt als u zegt ‘Martin went around the corner’.

Voor grammaticale regels geldt dat net zo goed. ‘I seen you’ is misschien geen goede vertaling van ‘Ik zag je’ in het Brits- of in het Amerikaans-Engels, maar in het steenkolen-Engels is er weinig bezwaar tegen. Het steenkolen-Engels is nog lang niet af, de wereld gaat er de komende decennia aan werken. Laten we hopen dat het iets moois wordt.