Net als honderden vrijwilligers in heel Nederland zet Serva Urlings zich in om anderstaligen Nederlandse conversatieles te geven. Doet zo iemand dat uit idealisme of vanwege de gezelligheid? Hoe pak je zoiets aan? En wat steken zijn leerlingen ervan op?

"Op vakantie denk ik aan jullie"

Nederlandse conversatielessen als vrijwilligerswerk

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in april 2006 in Onze Taal.)

"Dat kan ik!", dacht Serva Urlings toen hij een advertentie in de krant las. "Ik kan Nederlands praten!" Niet lang daarvoor was Urlings met pensioen gegaan als directeur van een famaceutisch bedrijf. Met de advertentie werden vrijwilligers geworven om anderstaligen te begeleiden die Nederlands wilden leren. Urlings meldde zich aan, en hielp de laatste jaren in totaal ongeveer tien buitenlandse vrouwen hun spreekvaardigheid te verbeteren.

Een van Urlings' pupillen is Deisi van der Horst, een jonge vrouw die in Venezuela geboren werd als Deisi Coromoto Vivas Sanchez. Vijf jaar geleden kwam ze bij haar man Dick wonen in Maaspoort, een nieuwbouwwijk in 's-Hertogenbosch. Van der Horst volgde eerst een jaar Nederlandse les aan een Regionaal Opleidingencentrum (ROC) in haar woonplaats, maar daar was ze niet tevreden over. De docenten waren volgens haar te star. "Als ik iets vroeg, zeiden ze: 'Zo is het nu eenmaal. Wij kunnen het Nederlands ook niet veranderen'. Meneer Urlings begrijpt onze problemen beter."

De begeleider is zelf wat positiever over de school waar ze les heeft gevolgd. "De eerste keer dat ik er kwam, verbaasde ik me erover hoe breed het aanbod is. Ze geven er les aan universitair geschoolden die graag willen leren, maar ook aan analfabeten die dat helemaal niet willen. Dat is heel ingewikkeld."

Gezellig

Urlings is een van de honderden vrijwilligers die een migrant op sleeptouw nemen om hem zo kennis te laten maken met het Nederlands van alledag. In het hele land zijn er organisaties die zich met de organisatie van deze informele taallessen bezighouden: Vluchtelingenwerk Nederland bijvoorbeeld, maar ook vrijwilligersorganisaties als Humanitas en het Gilde Nederland, waarvoor Urlings werkt (zie kader), hebben de afgelopen jaren projecten opgezet. De mensen die dit werk doen, hebben daarvoor soms idealistische motieven – ze zien dat er problemen zijn met de integratie en willen hun steentje bijdragen –, maar vaak speelt ook een rol dat ze op deze manier in de maatschappij blijven staan en meer sociale contacten opdoen.

Voor Urlings is dat laatste niet nodig. Hij vult zijn overige dagen al met ander vrijwilligerswerk. Hij is bijvoorbeeld voorzitter van het bestuur van een Bossche rugbyvereniging en doet daarnaast onder andere ook werk voor de carnavalsvereniging van Haarsteeg, het dorp waar hij woont, en voor de kerk. Waarom verzorgt hij dan ook nog de conversatielessen? "De lol zit hem er voor mij vooral in dat ik zie dat de vrouwen die ik begeleid het gezellig hebben met elkaar en dat ze onderling vriendschappen sluiten."

Gemakkelijk is het vrijwilligerswerk niet, geeft Urlings toe. "Je moet doorzettingsvermogen hebben. Als je verwacht dat de mensen vooruit zullen schieten, raak je teleurgesteld. Voor de meesten blijkt onze taal toch te taai. Ze hebben weinig gelegenheid om te oefenen, en met dat ene uurtje in de week conversatie komen ze niet snel verder."

Huiskamers

Sommige vrijwilligers werken met één immigrant tegelijk. Toen Urlings ongeveer drie jaar geleden begon, besloot hij dat die methode hem niet beviel. "De mensen worden te afhankelijk van je. Mijn vrouw heeft dit vrijwilligerswerk bijvoorbeeld een tijdje één-op-één gedaan. Toen een leerling haar vroeg of ze ook een keer meewilde naar een rechtszaak tegen haar ex-man, kon ze dat niet weigeren. Terwijl ze wel in aanraking kwam met allerlei semi-criminele elementen waar ze liever niet mee te maken had."

Urlings werkt nu met een wisselend groepje van vier vrouwen. Een keer in de week komen ze bijeen, telkens bij een andere vrouw thuis. Oorspronkelijk gebruikte Urlings een lokaaltje in het ROC, maar toen een oudere Japanse cursiste dreigde af te haken omdat het te lastig werd om steeds naar de school te komen, verhuisde het groepje naar haar huiskamer. "Veel Nederlands leerde zij niet. Ze was vooral bezig met thee te redderen. Nadat haar Nederlandse man met pensien was gegaan, was de vrouw met hem naar Den Bosch gekomen, maar hij was overleden. Je kon merken dat die woensdagmiddagen voor haar heel belangrijk waren." Toen de vrouw terugkeerde naar Japan, werden de conversaties voortgezet in de huiskamers van de anderen.

Dat Serva Urlings pupillen alleen vrouwen zijn, is overigens toeval: "Het zou me ook interessant lijken om juist eens met mannen te werken, om de verschillen te zien. Maar er melden zich nu eenmaal meer vrouwen aan dan mannen."

Luiheid van de echtgenoot

"Meneer Serva geeft elke week een opdracht mee aan iedere cursist", vertelt Deisi van der Horst. "Je moet je er dan op voorbereiden dat je moet vertellen over iemand uit de Nederlandse cultuur: een schilder, een dichter, een sporter of een politicus. Mij vroeg hij een tijdje lang om me te verdiepen in allerlei 'sterke vrouwen' in de Nederlandse cultuur, zoals Marga Klompé en... hoe heet die vrouw ook alweer die goed werk doet in Amsterdam... ze heeft Bos in haar naam... oh ja, Majoor Boshardt. Ik zocht die vrouwen dan op in de encyclopedie of op internet, en bereidde zo een verhaaltje voor."

"Met die spreekopdrachten probeer ik ze los te krijgen," zegt Urlings. "Het is vooral voor vrouwen uit Oost-Azië al heel wat als ik ze de schaamte kan laten overwinnen en als ze durven Nederlands te spreken. Een vrouw uit Taiwan heb ik deze week de opdracht gegeven om naar de Openbare Bibliotheek te gaan en daar uit te vinden hoe je lid kunt worden. Ze hoeft dat niet zelf te doen, maar ze moet het mij kunnen uitleggen. Een paar maanden geleden had ze dat nog niet gedurfd, nu zei ze dat ze dat een leuke opdracht vond. Het is ook de bedoeling dat de anderen goed luisteren. Ik vraag ze na afloop wat de spreekster nu eigenlijk precies heeft gezegd."

Af en toe verbetert hij ook wel wat aan het Nederlands van de vrouwen. "Vorige maand begon een Marokkaanse over geile bloemen. Dan leg ik uit hoe dat zit met het verschil tussen geel en geil. De Taiwanese vindt het woord misschien moeilijk om uit te spreken. 'Probeer het eens als twee woorden,' zeg ik dan, 'mus-gien'. Dan lukt het haar wel. En ze verbetert zichzelf nu ook."

Urlings probeert voor iedere deelneemster een opdracht te vinden die bij haar past. "Dat is soms even proberen. Ik had een keer een vrouw uit Laos, en ik vroeg haar een spreekbeurt voor te bereiden over Vincent van Gogh. Daar wist ze niet veel meer over te vertellen dan dat ze zijn werk lelijk vond. Nou, dat is mogelijk. Ik vroeg haar de volgende keer iets te vertellen over Rembrandt. Maar dat vond ze ook alleen maar lelijk. Van haar Nederlandse man begreep ik dat schilderkunst in Laos eigenlijk nauwelijks bekend is."

Gilde Samenspraak

Het Gilde Nederland is een landelijke stichting met afdelingen ('gilden') in 65 plaatsen in heel Nederland. De vrijwilligers van het Gilde zijn over het algemeen mensen van vijftig jaar en ouder die hun kennis en ervaring met beroep of hobby aan anderen overdragen.

In de jaren negentig begon een aantal gilden informele Nederlandse conversatieles aan te bieden aan mensen van buitenlandse afkomst. Deze opzet bleek succesvol en daarom werd in 2001 met subsidie van de toenmalige minister van Grote Steden- en Integratiebeleid Rogier van Boxtel een grootschaliger project onder de noemer Gilde SamenSpraak opgezet.

De enige voorwaarde die aan een vrijwilliger gesteld wordt is dat hij de Nederlandse taal beheerst, en enthousiast en geduldig is. De redenen om dit vrijwilligerswerk te gaan doen verschillen volgens het landelijk hoofdkantoor van het Gilde, maar sociale contacten en actief betrokken blijven bij de Nederlandse samenleving zijn veelgehoorde motieven. Voor veel anderstaligen is de vrijwilliger omgekeerd vaak de eerste autochtone Nederlandstalige met wie ze actief contact onderhouden.

Meer informatie: http://www.gilde-samenspraak.nl/

Vreselijk en afschuwelijk

Vrouwen met een Nederlandse man wil Urlings overigens hoogstens een jaar begeleiden. Daarna moet de man het maar overnemen. "Ik ben er niet om de luiheid van de echtgenoot op te vangen. Er zijn mensen die het meer nodig hebben: vrouwen met een man uit hetzelfde land, die nooit kunnen oefenen. Al begrijp ik ook wel dat het moeilijk is. Als je elkaar in het buitenland ontmoet, spreek je eerst iets anders. Dat wordt dan jouw intieme taal, en het voelt vreemd aan om Nederlands met elkaar te praten. Ik zou het ook raar vinden als ik ineens met mijn vrouw in het Engels moest spreken."

Ook Deisi van der Horst moest om die reden onlangs stoppen met de lessen. Inmiddels zet ze haar studie van het Nederlands op eigen gelegenheid voort. "Ik luister naar Radio 1", zegt ze. "En ik lees kinderboeken zoals Jip en Janneke en Margriet en Libelle. En deze tijdschriften." Op tafel liggen Viva España en Spanje Magazine, tijdschriften die artikelen zowel in het Nederlands als in het Spaans afdrukken: nuttig voor Nederlandstaligen die Spaans willen leren, maar ook voor een Venezuelaanse die het omgekeerde wil.

Van haar huisarts kreeg Van der Horst een verwijzing naar een logopediste in de buurt. Daar krijgt ze een keer in de week les in de uitspraak van tweeklanken zoals ei, ui en au die het Spaans niet kent, en moeilijk uit te spreken woorden als vreselijk en afschuwelijk. Het blijft moeilijk om met mensen in gesprek te raken. "Jullie spreken liever Engels met een buitenlander. Dat is jullie cultuur. Mensen weten ook niet hoe ze je moeten aanspreken. In de winkel gaan ze luider praten, in plaats van langzamer en duidelijker. Vanmiddag moest ik nog tegen de buurjongetjes zeggen dat ze best Nederlands met mij konden spreken."

Met de taal worstelen

Stuurt Urlings ook wel eens mensen weg om een andere reden dan dat ze een Nederlandse man hebben? "Er was een Russische vrouw die alleen maar negatief was over alles: het weer, de Nederlandse samenleving, haar echtgenoot. Ze kende niet veel Nederlands, maar ze kende wel het woord klote. Dat plakte ze overal aan vast: kloteweer, klotemensen, loodsman. Ik heb haar maar gezegd dat ze beter kon gaan."

Deisi van der Horst is zelf talenlerares van beroep. Ze studeerde Spaans in Venezuela en heeft inmiddels ook in Nederland al weer enkele leerlingen. Wat vindt zij van de manier waarop Serva Urlings – die sinds zijn zestiende in het drogisterijwezen werkte en nooit een talenopleiding deed – zijn conversatielessen aanpakt? "Voor mij is hij soms echt een vaderfiguur, iemand die zich om je bekommert. Hij weet veel over de Nederlandse cultuur en over de Nederlandse samenleving, maar tegelijkertijd staat hij open voor andere culturen. En hij probeert ons te begrijpen. Hij is Frans aan het leren, en hij zegt altijd: 'Als ik op vakantie ben, denk ik aan jullie.' Omdat hij dan net zo met de taal worstelt als wij hier doen."