Ringbaums dilemma en de popularisering van de taalkunde

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in VakTaal, maart 2003)

Toen in het najaar van 1999 bekend gemaakt werd dat de Nobelprijs voor de Natuurkunde was toegekend aan Gerard ’t Hooft en Martin Veltman, kon de geïnteresseerde leek onmiddellijk een heleboel informatie naslaan op de eigen homepage die de eerste laureaat had ingericht op de website van de Universiteit Utrecht (Veltman was al met emeritaat toen hij de prijs kreeg).

Die pagina wordt ook nu nog steeds door de natuurgeleerde zeer regelmatig bijgewerkt en is volgens mij een toonbeeld van hoe een maatschappelijk betrokken geleerde met een moeilijk, abstract vak zich moet presenteren aan de buitenwereld. De pagina bevat onder andere serieuze informatie over de huidige onderzoeksbelangstelling van ’t Hooft, uitgebreid achtergrondmateriaal bij zijn doctoraalcursussen, een curriculum vitae en een publicatielijst met verwijzingen naar elektronische versies van recente artikelen. Daarnaast presenteert de Nobelprijswinnaar op dit moment ook zelfgemaakte foto’s van de zonsverduistering en van de ceremonie in Stockholm, informatie over de naar hem genoemde planeet, een lezing over professor Sickbock en over de relatie tussen theoretische natuurkunde en paranormale verschijnselen. Bovendien zijn er verwijzingen naar het populair-wetenschappelijke boek dat ’t Hooft enkele jaren geleden schreef: Bouwstenen van de schepping. De pagina straalt van enthousiasme voor het eigen vakgebied. ’t Hooft staat bovendien niet alleen in zijn vak: wie een beetje rondsnuffelt op de websites van natuurkundige faculteiten, vindt er menige poging plaats iets over te dragen van het vakgebied. Bovendien heeft de natuurkunde een ware traditie van popularisering door vooraanstaande onderzoekers, van Feynman tot Casimir.

Als je ’t Hoofts homepage bekijkt, kun je alleen maar opgelucht zijn dat er geen Nobelprijs voor de Taalkunde bestaat. Er zou geloof ik op de hele wereld geen kandidaat in ons vak voor die prijs te vinden zijn die zich presenteert op een manier die ook maar bij benadering in de buurt komt van die van ’t Hooft. Een enkeling heeft een pagina met een CV en een publicatielijst; sommigen zetten daar nog een link naar een artikel uit 1997 bij. Pagina’s waarop wordt geprobeerd enthousiasme voor het vak over te dragen, laat staan aan een groter publiek duidelijk te maken wat de inhoud van dat vak is, ben ik nog niet tegengekomen. Over de meeste belangrijke nog levende taalkundigen is op het web eigenlijk niets te vinden. Terwijl er geen eenvoudiger manier is om contact te maken met iedereen die om wat voor reden dan ook iets over je vak te weten wilt komen dat het bouwen van een website.

Ik ben bang dat het verschil kenmerkend is voor de verschillende vakken. Neem nu de taalkunde, mijn eigen vak. Voor geen enkele deeldiscipline daarvan bestaat een tegenhanger van Bouwstenen van de schepping, dat wil zeggen een door een vooraanstaande geleerde geschreven populaire inleiding (al wil ik de zaak ook niet overdrijven – op Bouwstenen van de schepping valt stilistisch hier en daar wel wat aan te merken; het boek is soms ronduit onbegrijpelijk). Ook ken ik eigenlijk geen voorbeelden van lezingen van taalkundigen die serieus op argumenten van tegenstanders ingaan op de manier waarop ’t Hooft dat doet in het geval van paranormale verschijnselen. De laatste jaren is op dit vlak overigens zeker in Nederland wel iets aan het veranderen. Er verschijnen titels als De toren van Babel van Muysken, Semantiek van Verkuyl en De taal van je kind van Verrips. (Er zijn ook enkele journalisten zoals Liesbeth Koenen die een taalkundige opleiding hebben en zich in het bijzonder op taalkundige onderwerpen hebben toegelegd.) De verzamelde Linguïstische Miniatuurtjes van Coppen vormen wat mij betreft de grootste aanwinst, al zijn ze soms behoorlijk technisch.

Ringbaums dilemma

Volgens mij ligt dit aan een tamelijk krampachtige houding van de taalkundigen tegenover de popularisering van hun vak. Die houding wordt denk ik veroorzaakt doordat menige collega die zijn vak wil populariseren, vroeger of later geconfronteerd wordt met wat ik Ringbaums dilemma wil noemen.

Wat is dat dilemma? In de roman Changing Places van David Lodge wordt bschreven hoe de leden van een Vakgroep Engelse Letterkunde ‘Humiliation’ spelen. In dit spelletje kun je punten krijgen door de titels van boeken te noemen die je nog nooit gelezen hebt. Hoe meer mensen in het gezelschap dat boek wél gelezen hebben, des te meer punten kun je verdienen. Je doet er dus goed aan om in anglisistische kring algemeen gelezen boeken te noemen, zoals Paradise regained en Hiawatha. Beschreven wordt nu hoe één van de deelnemers, Howard Ringbaum, ernstig met zijn eigen karakter in de knoei komt, doordat hij streeft naar een zo groot mogelijk prestige. Aan de ene kant zorgt dat ervoor dat hij niets liever wil dan winnen, maar aan de andere kant zou dat betekenen dat hij van een klassieker moet toegeven dat hij er nog nooit een letter in gelezen heeft. (Uiteindelijk wint zijn overwinningszucht het en roept hij: Hamlet! Hetgeen vervolgens niemand gelooft.)

Ik beweer nu dat taalkundigen, en vooral taalkundigen, die hun vak populariseren met een soortgelijk dilemma worstelen. Populariseren is een spel dat je alleen kunt winnen door jezelf in zekere zin wetenschappelijk te vernederen, door tijdelijk meer nadruk te leggen op algemeen menselijke fascinaties dan op strenge wetenschappelijke principes. Veel collega's zijn daartoe niet bereid omdat ze vinden dat hun vak nog niet het wetenschappelijke prestige heeft dat het verdient.

Een natuurkundige die iets wil uitleggen over zijn vakgebied, hoeft alleen maar te proberen omo alles zo eenvoudig mogelijk te maken. Hij kan in die opzet mislukken, maar het doel is in ieder geval helder en die natuurkundige hoeft niet bang te zijn dat men zijn vak eigenlijk maar een hoop flauwekul vindt. Taalkundigen worden echter geplaagd doordat ze in hun uitingen naar buiten behalve een algemeen-informatieve, altijd nog een tweede, vaak min of meer verborgen, bedoeling hebben: ze willen serieus genomen worden, en aantonen dat er in hun vakgebied in de afgelopen vijftig jaar grote vorderingen bereikt zijn. Die twee bedoelingen zitten elkaar in de weg. Wie het vak wil uitleggen, moet de techniek weglaten. Maar wie de techniek en het formalisme weglaat, zou wel eens de indruk kunnen wekken dat het vak alleen bestaat uit een verzameling informele observaties.

Enkele populariseringspogingen

De laatste jaren staat het populariseren van het vak om redenen die ik niet helemaal begrijp wel heel sterk in de belangstelling onder taalkundigen. Op verschillende plaatsen zijn initiatieven genomen om de taalkunde aan de man te brengen: de Landelijke Onderzoeksschool Taalwetenschap (LOT) stelde in 1996 een prijs in voor de beste populair-wetenschappelijke publicatie, in 1999 werd het bedrijfje Studio Taalwetenschap opgericht, en in het jaar 2000 kwam een grote groep taalkundigen ertoe om gezamenlijk een Taalkundig Manifest de wereld in te sturen. Studio Taalwetenschap (en haar iets later opgerichte zuster Taalstudio) wordt gedreven door enthousiaste taalkundigen, die misschien te weinig hulp en steun van vakgenoten krijgen. Op het Taalkundig Manifest en de LOT-prijs wil ik hier wat dieper ingaan.

Het Taalkundig Manifest (over het belang van meertaligheid in een multiculturele samenleving) heeft vooral weerklank gehad onder de taalkundigen. Bij mijn weten is het manifest niet in enig gevestigd medium gepubliceerd. Wel was er eind juni van het jaar 2000 een tamelijk succesvolle discussiemiddag met politici en beleidsmakers in het Trippenhuis in Amsterdam, maar het grote publiek werd hier nauwelijks mee bereikt. Uit het stuk spreekt Ringbaums dilemma vrij duidelijk: er wordt bijvoorbeeld gezegd: "De taalwetenschap heeft de afgelopen decennia veel aandacht besteed aan meertaligheid en aan het leren en onderwijzen van Nederlands als tweede taal en van allochtone talen. De resultaten van deze studies geven aanleiding tot de hierboven besproken stellingname." Helaas werd nergens duidelijk gemaakt wat deze resultaten precies zijn en op welke manier deze eenduidig zouden kunnen leiden tot een politieke stellingname in het ingewikkelde debat over de multiculturele samenleving. Het manifest lijkt eerder de bedoeling te hebben te melden dat de taalkunde tot bepaalde inzichten is geraakt dan uit te leggen op grond van welke argumenten dit is gebeurd. Dat is een beetje alsof 't Hooft in zijn discussie met gelovigen in paranormale verschijnselen alleen ex cathedra zou zeggen dat zijn onderzoek nu eenmaal heeft uitgewezen dat die verschijnselen niet kunnen bestaan.

Overigens is er in de zomer van 2002 een nieuw manifest gepresenteerd door gedeeltelijk dezelfde groep, 'Samen naar de talenschool'. Dat lijdt gelukkig al veel minder aan die mankementen: het is duidelijker en constructiever en vooral: het wordt veel minder gepresenteerd als een wetenschappelijke en veel meer als de sociaal-politieke kwestie die het is. Dit tweede manifest is dan ook niet alleen door wetenschappers ondertekend, maar ook door sociologen, politcologen en andere intellectuelen.

De LOT-prijs is in zijn korte geschiedenis door tegenslag geplaagd. Tijdens de eerste vier keer dat het Taalgala (waar de winnaar bekend wordt gemaakt) georganiseerd is, is hij slechts tweemaal uitgereikt, in 1997 aan Jan Don en in 1998 aan Frank Jansen, in beide gevallen zonder dat er serieuze tegenkandidaten waren. Nu zijn er ook nogal wat bezwaren tegen de prijsvraag in te brengen. Zo werd de prijs tot 1999 alleen toegekend aan nog niet eerder gepubliceerde – dus speciaal voor de prijsvraag geschreven – artikelen, hetgeen weinig bevorderlijk is voor professionele deelname, was het van veel juryleden niet helemaal duidelijk waar hun affiniteit met popularisering eigenlijk lag en werd iedere keer als de prijs niet werd uitgedeeld de kans gegrepen om de inzendingen belachelijk te maken. Overigens gaat het sinds de reglementen zijn aangepast de laatste jaren iets beter met de prijs, die in 2000 naar Henk Verkuyl ging, in 2001 naar Jacomine Nortier, en in 2002 naar Petra Hendriks. Aan de andere kant trekt de prijs nog steeds niet de aandacht die ze verdient, en hebben geen van de bekroonde werkjes helaas een miljoenenpubliek bereikt.

Interessanter is echter dat in de openbare discussie die vervolgens tijdens sommige Taalgala’s gevoerd werden, twee partijen te onderscheiden zijn. Aan de ene kant zijn er mensen zoals de in 1999 als gastspreker uitgenodigde Rob Doeve, wiens standpunt er, enigszins gechargeerd, op neerkomt dat een artikel over taal eigenlijk zo min mogelijk over taalkunde moet gaan en veel meer over dingen waar "men" op zit te wachten, zoals kwesties over ‘goed’ of ‘fout’. Ik vind dat net zoiets als ‘Hamlet!’ roepen bij een spelletje Humiliation. Aan de andere kant brengen veel taalkundige onderzoekers zelf in dit soort discussies vaak een blad als Scientific American als voorbeeld naar voren, waarin technische onderwerpen worden aangesneden uit de exacte wetenschappen. Een artikel over de analyse van het Nederlandse werkwoordelijke eindcluster binnen de antisymmetriehypothese zou uitstekend in een dergelijk format passen. Dat een tussenvorm, een atechnische uitleg van de ideeën achter moderne theoretische noties als 'antisymmetrie' en 'minimalisme' – wat dat betekent doet er niet toe, ik neem nu maar willekeurig begrippen uit de generatieve syntaxis, maar iets soortgelijks kan natuurlijk over andere deeldisciplines worden gezegd, ik denk trouwens dat in een dergelijke uitleg de begrippen ‘antisymmetrie’ en ‘minimalisme’ best mogen ontbreken – ook mogelijk en misschien wel veel nuttiger is, verdwijnt in een dergelijke discussie snel uit beeld.

Ringbaums dilemma voorbij

Wat moet er gebeuren? Om te beginnen moeten taalkundigen en dan meteen ook maar alle andere taalkundigen zich volgens mij zo snel mogelijk losmaken van Ringbaums dilemma. Populair-wetenschappelijke artikelen moeten aan de ene kant wel over het vak gaan, maar moeten aan de andere kant liefst toch zo begrijpelijk mogelijk zijn; het is niet erg om daarbij te mikken op een hogere graad van begrijpelijkheid dan Scientific American en Gerard ’t Hooft bereiken. Vrijwel alle subdisciplines van ons vak zijn veel jonger en hebben veel minder beoefenaars dan de theoretische natuurkunde; ik geloof dan ook niet dat wij een even hoge graad van specialisatie of formele verfijning hebben bereikt.

Bij het schrijven van populaire artikelen is de voornaamste doelgroep niet: de collega’s bij de faculteit wis- en natuurkunde die ons misschien uitlachen omdat ze denken dat we alfa’s zijn, en al helemaal niet de universitaire bestuurders die we moeten overtuigen van ons wetenschappelijk belang. Het zijn mensen die geïnteresseerd zijn in het menselijk taalvermogen, de manier waarop talen zich ontwikkelen, de manier waarop taal functioneert in menselijke groepen, enzovoort. Die mensen moeten we zo duidelijk en begrijpelijk mogelijk uitleggen wat wij van dat vak weten. Als we dat goed doen, worden die mensen enthousiast – zelfs als ze natuurkundige zijn, of universiteitsbestuurder. Dat het wiskundig ook allemaal wel goed zit, zien ze wel als ze vervolgens in een handboek kijken of door Nederlandse Taalkunde bladeren.

Nu zijn er ook concrete problemen op te lossen. Uit een enkele jaren geleden verschenen proefschrift over de aandacht voor alfawetenschap in de gevestigde schrijvende pers (Esmeijer 1999) blijkt dat veel alfaonderzoekers ontevreden zijn over de hoeveelheid ruimte die hun vak krijgt in de media. Eén reden voor dit gebrek aan aandacht lijkt te zijn dat veel wetenschapsjournalisten een beta-achtergond hebben; een andere reden is dat nieuws uit de alfawetenschappen vaak tussen de wal van de cultuurpagina en het schip van de wetenschapsbijlage terecht komt. Een verwant probleem is overigens gesignaleerd door de opstellers van het Taalkundig Manifest die erop wezen dat bijdragen van individuele taalkundigen aan de opiniepagina ook niet worden geaccepteerd.

Dit soort problemen zijn niet in een handomdraai op te lossen. Daarvoor is geduld nodig en inspanning van individuele onderzoekers: geduld om goede contacten op te bouwen met de redacties van kranten en radio- en televisieprogramma’s, en wetenschapsbijlagen); inspanning en talent 'om informatieve en leesbare artikelen te schrijven die tegemoetkomen aan de kopijbehoefte van redacties van krantenkaternen die geen boodschap hebben aan lange en technische stukken.

Eerlijk gezegd lijken me de klachten ook nogal gratuit als ze niet komen van onderzoekers die een minstens even mooie en levendige website hebben als onze natuurkundige collega’s. Zo’n website kan elke mengeling van technische verhalen en populaire uitleg bevatten die ieder voor zich wenselijk en nuttig vindt, en biedt daarmee de ideale uitweg uit Ringbaums dilemma.

Bibliografie