Taal is passie

Marc van Oostendorp

Dit artikel verscheen in Folkert Kuiken (red.) Appel heeft het gedaan. Liber Amicorum voor René Appel bij zijn afscheid van de Universiteit van Amsterdam. Amsterdam, Bert Bakker, 2003.

"Prima donna, mozzarella, Donde è il Vaticano?" – haar minnaar hoeft alleen zoiets tegen de Amerikaanse Wanda te zeggen om haar te doen kronkelen van wellust. Een andere minnaar probeert het later in dezelfde film (de misdaadkomedie A fish called Wanda van John Cleese, uit 1988) met een gedicht in het Russisch, met een nog overweldigender effect op Wanda's lichamelijk welzijn. Weinig mensen zullen er zulke warme erotische gevoelens van krijgen als Wanda, maar een beetje opgewonden wordt bijna iedereen wel van taal.

Het vreemdst uit die opwinding zich bij de mensen die zich taalliefhebbers noemen, en die hun liefde vormgeven in geweeklaag over de teloorgang van de grammatica, gejammer over de toenemende invloed van het Engels en ingezonden brieven over spelfouten in de krant. Het is het soort liefde dat je verder alleen vindt bij verzuurde echtelieden, die hun band ook alleen kunnen bevestigen door zoveel mogelijk karakterfouten van de ander op te sommen.

Als je geliefde zo kwaad nog niet is, moet je behoorlijk zoeken om fouten te vinden. Dat doen sommige minnaars van de moedertaal dan ook. In het tijdschrift Hollands Maandblad (mei 2003) wijdde de schrijver J. J. Peereboom een uitgebreide beschouwing aan wat hij 'valse maren' noemt, het in zijn ogen verkeerde gebruik van het woord maar. Hij heeft bedacht dat dit woord alleen twee zinnen of zinsdelen mag verbinden die volledig met elkaar in tegenspraak zijn. De uitdrukking 'klein maar dapper' kan volgens deze redenering niet door de beugel: kleine mensen kunnen immers best dapper zijn, ja, kleine mensen zijn zelfs heel vaak dapperder dan grote mensen.

Wie zo redeneert, kan zijn leven wijden aan de ergernis, want op deze manier bezien is vrijwel elke maar een valse. Je mag de constructie 'X maar Y' dan alleen gebruiken, als X en Y volkomen met elkaar in tegenspraak zijn, dat wil zeggen: in door en door onlogische zinnen, zoals 'het Vaticaan ligt voor ons, maar het Vaticaan ligt achter ons'. Zulke incoherente beweringen worden gelukkig slechts zelden gedaan, en omdat het woord maar toch redelijk vaak gebruikt wordt, valt de ergernis met wagonladingen uit elk gesprek te scheppen.

Dat doet J.J. Peereboom dan ook met volle teugen. Bijvoorbeeld krijgt Louis Couperus ervan langs omdat deze het bestaan heeft in De boeken der kleine zielen dingen te schrijven als "Andy had die vader lief met iets – nog niet volgroeid, maar toch zachtjes aan wassend – van bescherming bijna". Er is natuurlijk geen absolute tegenstelling tussen onvolgroeidheid en groei, anders had Couperus die zin niet geschreven, en toch meent de schrijver van het artikel precies te weten wat 'correct' was geweest: 'nog niet volgroeid en zachtjes aan wassend' had daar moeten staan.

Een prettige bijkomstigheid van de ergernis bij valse maren is dat je je haar kunt uitbreiden tot alle vreemde talen die je kent: aber, but en mais worden natuurlijk ook de hele tijd 'verkeerd' gebruikt, en zo geeft Peereboom ook buitenlandse beroemde schrijvers als La Rochefoucauld, Tolstoj en Noel Malcolm er ongenadig van langs: foei, een woord gebruikt zonder het aan de meester te vragen!

Wat gaat er toch in het hoofd van zo'n taalliefhebber om? Hoe komt hij erbij te denken dat hij het, met zijn zelfbedachte simplistische logische redenering, beter weet dan al die schrijvers? In de zinswending 'klein maar dapper' zit wel degelijk een tegenstelling, al is die wat subtieler dan 'kleine mensen zijn niet dapper' (maar eerder: deze persoon is klein, waardoor je bepaald gedrag niet zou verwachten; maar hij vertoont dat gedrag wel, omdat hij dapper is) en dat Couperus' prozatoon wordt verpest als je maar vervangt door en. Een taalgebruiker als Couperus valt niet te verbeteren: één bladzijde uit De boeken der kleine zielen is meer waard dan duizend beschouwingen over valse maren.

Afwisselend neerslachtig en woedend

De gebrekkige belangstelling van taalliefhebbers voor de werkelijkheid kan worden verklaard uit de belangrijkste rol van taal in het dagelijks leven: indruk maken. Volgens sommige biologische theorieën heeft taal slechts één evolutionaire functie, namelijk om aan anderen te laten zien hoe slim je bent. Wat de manen zijn voor de leeuw, is de taal voor de mens: een manier om je aantrekkelijk te maken. Taalvaardige types zijn aantrekkelijker partners dan stotteraars, stamelaars en woordelozen. Iemand die goed uit zijn woorden kan komen heeft meer kans op succesvol nageslacht dan iemand die maar wat voor zich uit mompelt. Elke discussie over taal is een verbale krachtmeting, en die krachtmeting kan altijd weer voortgaan: Peereboom beheerst het Nederlands beter dan Couperus, en ik probeer Peereboom weer vliegen af te vangen.

Het schrijverschap is, zo bezien, een aardiger manier om je passie voor taal vorm te geven. Zoals bij sommige zangvogels de mannetjes ingewikkelde trillers produceren om de vrouwtjes te laten zien wat ze allemaal in hun mars hebben, zo schrijven sommige mensen dialogen, beschrijvingen en verhalen waarmee ze indruk maken op anderen. Ook dat schrijven is opschepperij en aandachttrekkerij, maar dan wel een soort opschepperij waarmee iets wordt opgebouwd in plaats van afgebroken – waarmee de schoonheid, de bonte kleurentooi van de menselijke taal wordt gevierd, in plaats van haar lelijkheid.

Nu is de literatuur natuurlijk ook een slagveld van ijdelheden. "Een beschaving is altijd in beweging", peinst de hoofdpersoon Tibbolt Satink in A.F.Th. van der Heijdens bejubelde roman De Movo Tapes. "Door geschiedserosie brokkelt er 's wat af, iets raakt zoek in de modder, maar er worden ook nieuwe dingen aan toegevoegd... dat is een noodzaak... Het onbegrijpelijke is nou dat als iemand 's iets nieuws van enige culturele waarde fabriekt, zijn medemensen, vakgenoten voorop, daar afwisselend neerslachtig en woedend van worden (...) ze willen dus eigenlijk helemaal niet dat iemand iets bijdraagt aan hun beschaving, waar ze ter meerdere glorie van de eigen status zo hoog van opgeven tenzij ze de bijdrage zelf verricht hebben... maar dat doen ze nou juist niet..."

Wat geldt voor de beschaving, geldt ook voor de taal: zij is altijd in beweging, en degenen die haar bewegen hoeven niet op unanieme lof van de medebewegers te rekenen. Het is alleen niet waar dat iedereen neerslachtig of woedend wordt van die nieuwe producten. Een groot deel van de collegiale depressie en de kwaadheid kan juist worden toegeschreven aan rivaliteit, doordat er grote groepen bewonderaars en bewonderaarsters zijn. De ware taalliefhebber zou overigens in de geciteerde passage twee keer driftig het woordje maar doorstrepen: dat er dingen zoekraken in de modder, betekent helemaal niet dat er geen nieuwe dingen kunnen worden toegevoegd!

Heilige wonderen

Ook voor we niet voldoende aanleg heeft voor de schone letteren, en niet voldoende chagerijnig is om taalliefhebber te worden, is er een manier om gepassioneerd te raken over taal: je kunt nog altijd taalwetenschapper worden. Je voegt dan misschien weinig toe aan de taal, en je wijst niet op haar feilen, maar je probeert wel in kaart te brengen hoe ze in elkaar steekt, hoe de wonderen die zich in elk menselijk gesprek voltrekken, verklaard kunnen worden.

Ook taalkundigen zijn vaak betweters die graag laten zien dat ze slimmer zijn dan alle anderen: iedereen denkt wel dat spelling belangrijk is, maar de taalwetenschap leert dat dit helemaal niet zo is! Mensen maken zich wel zorgen over de invloed van Engelse leenwoorden, maar dat komt alleen doordat ze geen taalkunde op school gehad hebben!

Er zijn niet veel mensen die alle drie de passies voor taal in elkaar verenigen. Nu is dat voor gewone stervelingen misschien ook wel wat veel gevraagd. Iemand die zowel invloedrijke taalwetenschappelijke boeken, veelgelezen misdaadromans als bittere klachten over het schriftelijk taalgebruik van de minister-president weet te produceren, weet als geen ander wat het is om taal en passie te combineren.

De enige die hem misschien nog overtreft, is Archie Leach, de advocaat (gespeeld door John Cleese) die zijn minnares in A fish called Wanda in extase weet te brengen door een Russisch gedicht te declameren. Dat gedicht wordt niet ondertiteld in de film, maar is door kenners geïdentificeerd als 'Gebed' van Michael Lermontov: "Als mijn leven onrechtvaardig is/Als zorgen mijn hart vullen/Is er een magisch gebed/Dat ik uit mijn hoofd ken//Er is een heilzame kracht/In de levendige vrolijkheid van zijn woorden/Die bruisen van mysterieuze/En heilige wonderen."