Van tata naar hebbie

Schrijver van nieuw taalboek: 'Rotterdams nogal lui dialect'

Door Eefje Oomen

(Dit artikel verscheen in op 13 mei 2002 in het Rotterdams Dagblad)

Rotterdam _ Voor een echte cursus Rotterdams moet je natuurlijk helemaal niet op een zondagmiddag in het theater van boekhandel Donner gaan zitten. Bestel liever een pond Golden Delicious bij de fruithandelaar buiten, reken een patatje oorlog af bij Bram Ladage op het Binnenwegplein of koop een kaartje voor de Gerdesiaweg bij de vrouw achter het loket van metrostation Churchill- plein. Of, een suggestie van één van de aanwezigen in het theatertje: luister slechts vijf minuten naar weerman Ed Aldus.

Hoewel de boekhandel had aangekondigd dat de auteur van het net verschenen taalboekje 'Rotterdams' een les dialect zou geven, besloot schrijver Marc van Oostendorp ter plekke dan ook maar van het college af te zien. Liever filosofeerde Van Oostendorp, wetenschapper aan het Meertens Instituut, over de omschrijving. Wat maakt Rotterdams nu tot Rotterdams? Een moeilijke kwestie, zeker omdat er maar weinig literatuur of lectuur in het puur Rotterdams bestaat, stelde de auteur vast. ,,Anders dan het Haags laat het Rotterdams zich moeilijk in geschreven taal omzetten.'' Daarom ook zal het volgens hem niet zo snel van een Rotterdams Dictee komen.

Bij het onderzoek dat aan de publicatie van het boekje voorafging, kwam de geboren Rotterdammer (,,je hoort het eigenlijk niet meer, behalve als ik katje zeg'') uit op een aantal steekwoorden. Het Rotterdams is, los van een aantal uitzonderingen, een 'nogal luie' taal. En, het Rotterdams staat voor 'pret', voor 'lol'. ,,In Zeeland zijn ze nu heel serieus bezig psalmen om te zetten naar het Zeeuws: zoiets zal met het Rotterdams niet snel gebeuren. Dit dialect is van oorsprong toch wat ruw, onbeschoft. Taal die door de arbeiders wordt gesproken, maar niet door andere sociale klassen.''

Om aan te tonen dat Rotterdammers zich taalkundig niet al teveel inspanning getroosten, vroeg Van Oostendorp de enkele tientallen toeschouwers in de kelder van de boekhandel mee te doen aan een 'Zeg 'ns aaa'-achtige sessie. Hoe spreek je een medeklinker als de t uit? En hoe kom je tot een klinker i? Van Oostendorp: ,,Niet voor niets dat een arts je vraagt een 'a' te zeggen. Dan maak je vanzelf je mond zo groot mogelijk en druk je je tong naar beneden.''

Waarom de Maastaal dan 'lui' is? Omdat Rotterdammers het liefst zo dicht mogelijk bij babytaal blijven. De wetenschapper: ,,Baby's over de hele wereld zeggen als eerste: tata, tata. Waarom? Omdat het 't makkelijkst is om een medeklinker direct te laten volgen door een klinker.'' En dat laatste doen Rotterdammers bijvoorbeeld als ze 'heb je' verbasteren tot 'hebbie'. Dat 'hebbie' ligt gewoonweg lekkerder in de mond.

Dat is volgens van Oostendorp dan ook direct de reden dat het Rotterdams zelfs een paar Zuid- Nederlandse klanken kent. ,,Laat een Rotterdammer de woorden 'haat je' maar eens uitspreken. Van die botsende t en j maakt hij een soort zachte g, vergelijkbaar met de zacht g-klanken in Brabant en Limburg. Dat praat gemakkelijker.''

Ei of ai

Niet dat de Rotterdammer, die het immers juist van zijn hardwerkende, mouwen opstropende imago moet hebben, zich er qua taal áltijd zo luchtig vanaf maakt. In de Maasstad is er één grote uitzondering op het linguïstische baby-gedrag. De uitspraak van de ei- en ij-klanken.

Maken de inwoners van Den Haag hun mond juist klein bij het oplezen van de woorden 'vijftig ijzeren pijpleidingen'; de bewoners van deze stad sperren hun mond extra open. Van Oostendorp: ,,Probeer de drie woorden maar eens op z'n Haags en z'n Rotterdams uit te spreken.'' Rotterdammers maken van de ei- klank een langgerekte ai-klank. Hoe klinkt het clublied bij het winnen van een UEFA Cup op Zuid? ,,Fai-enoord, Fai-enoord, niets is beter dan . . .''

Het oprukken van die ai-klank door de rest van Nederland toont volgens de medewerker van het Meertens Instituut dat het Rotterdams populairder wordt. ,,Die ai- klank kom je nu ook tegen in Dordrecht, in Gouda en in Delft.''

Niet, zoals een van de toehoorders suggereert, omdat radio en tv het dialect verspreiden. Van Oostendorp: ,,Omdat je er wel naar luistert, maar niet terug praat zijn media niet zo belangrijk bij het verspreiden van dialecten. Belangrijker is dat het contact tussen inwoners van verschillende steden, verschillende provincies in de vorige eeuw enorm is toegenomen.'' De brommer heeft volgens taalkundigen dan ook een grotere rol gespeeld bij het bekend maken van streektalen dan de radio.

Blijft er nog een taalmysterie over, in het theater van de boekhandel. Aan het einde van de lezing van Van Oostendorp vraagt een man: ,,Waarom kunnen ze hier toch maar geen onderscheid maken tussen kennen en kunnen?'' Jolig: ,,Kén u dat uitleggen?'' De wetenschapper had er al menig uur over gepeinsd. Het moet, denkt hij, toch iets te maken hebben met de Zuid-Hollandse dialecten van vroeger. ,,Daar werd dat onderscheid ook niet gemaakt. En, in feite, zit er ook niet zoveel verschil tussen beide werkwoorden.''

Marc van Oostendorp, 'Rotterdams' (Serie: 'Taal in stad en land'), SDU, ISBN 90-12-09007-5.