Plat praten in het derde millennium

Marc van Oostendorp

(Dit stukje verscheen in de Taalagenda 1999)

Stap in Houston op het vliegtuig en vlieg een paar honderd kilometer in een willekeurige richting. Laat u blinddoeken voordat u het vliegveld verlaat. De kans dat u aan de taal van de taxichauffeur kunt horen in welke stad u precies terechtgekomen bent, is klein. Maar stap dan eens in Heusden op de bus en ga er bij een willekeurige halte uit. Misschien verstaat u de mensen bij de halte niet eens meer.

Er zijn in de Verenigde Staten wel accenten: wie goed op de uitspraakdetails let, kan wel degelijk verschillen horen tussen de tongval van Chicago en die van Los Angeles. Maar een dialect in Europa is meer dan alleen een andere manier om klinkers en medeklinkers te maken: het heeft ook andere woorden en een andere zinsbouw dan andere dialecten en dan de standaardtaal. De verschillen zijn in Europa veel groter dan in Amerika, en de gebieden waarin een dialect gesproken wordt, veel kleiner.

Er zijn mensen die denken dat de Verenigde Staten ons taalkundig voorland zijn. Over een paar honderd jaar zullen we ook het verschil tussen de buspassagiers in Wijk en Aalburg en die in Heusden niet meer horen -- we horen dan misschien niet eens meer verschil tussen iemand uit Londen en iemand uit Parijs.

Wie zal het zeggen? Een dialect is een groepstaal -- de eigen taal van een groep mensen die allemaal in dezelfde regio wonen. De verschillen tussen Amerika en Nederland zijn voor een deel te verklaren door de grotere reislust van de Amerikanen, die er nooit tegenop hebben gezien om van de ene kant van het land naar de andere kant te verhuizen als dat ze uitzicht gaf op een betere baan. De Europese houding is altijd een andere geweest. `Het enige goede dat uit Heusden komt, is de bus naar Wijk en Aalburg,' zeggen ze in Wijk en Aalburg. En iets dergelijks wordt in vrijwel elke andere Europese gemeente gezegd over de buren. Hoe vaker er verhuisd wordt, hoe meer de groepen zich met elkaar mengen, des te minder het dialect een kans krijgt.

De toekomst van het dialect hangt zo bezien af van de kwaliteit van de infrastructuur -- als de treinen op tijd rijden blijft er van al die subtiele verschillen nog maar weinig over. Alleen een energiecrisis kan de streektaal dan nog van de ondergang redden.

Toch denk ik niet dat we pessimistisch hoeven zijn. Er zijn tekenen dat het dialect helemaal niet zo snel zal verdwijnen als het enkele tientallen jaren geleden wel leek. Toen werd het dialect vooral bedreigd door de massamedia, door de film, door de radio en door de televisie. Miljoenen mensen kregen tegelijkertijd dezelfde film of hetzelfde programma te zien of te horen. En dus moesten die miljoenen mensen het liefst allemaal dezelfde taal spreken.

Het is ondertussen veel gemakkelijker en veel goedkoper geworden om radio- of televisieprogramma's te maken. Ook kleinere gemeenschappen kunnen het zich veroorloven, en het aantal lokale omroepen is de laatste jaren dan ook enorm gegroeid. Vrijwel ieder dorp heeft zijn eigen lokale omroep. De zogenaamde `nieuwe media' zoals Internet zijn bovendien veel minder beperkt tot het idee van `uitzendingen' naar een zo groot mogelijk publiek. Een pagina op het web kan ook best lucratief zijn als hij maar door een paar duizend mensen bekeken wordt.

Als deze ontwikkelingen doorzetten, kunnen mensen uit een kleine gemeenschap dus uittrekken over de hele wereld en overal toch informatie krijgen in hun eigen dialect. Sommige mensen zullen dat graag willen, al is het maar omdat het dialect zoals gezegd een groepstaal is, waarbij ze zich bovendien sterk betrokken voelen. Het dialect zal blijven bestaan zolang er mensen zijn die trots zeggen dat ze oorspronkelijk uit Wijk en Aalburg komen -- al zijn ze ook vertrokken met de bus naar Heusden of het vliegtuig naar Houston.