Voor het meedogende oor

Uniforme uitspraak is onhaalbaar en onwenselijk

Marc van Oostendorp

(Dit stukje verscheen in september 2007 in Onze Taal. Het is een reactie op een artikel van Jan Stroop in hetzelfde nummer van hetzelfde tijdschrift; dat artikel staat op de website van Jan Stroop.)

Ruim tachtig jaar geleden schetste de Utrechtse neerlandicus C.B. van Haeringen een beeld waarvan hij veronderstelde dat het veel lezers vrees zou inboezemen: in de toekomst zouden alle Nederlanders accentloos spreken. De omgangstaal zou er haar charmante veelkleurigheid door verliezen. "Men kan dit betreuren - het is eenmaal niet anders", troostte Van Haeringen. "Beschaving is afschaving, Mooie, karakteristieke kleding verdwijnt voor modieuze eenvoudigheid. Oude traditie wordt opgeofferd aan de vrees voor alles wat afwijkend of ongewoon lijkt. Men moge die oude klederdrachten, die oude gebruiken om hun curiositeit aardig vinden, welk beschaafd mens wil nog door uiterlijk of manier van doen curieus zijn voor anderen? Zo ook op het gebied van de taal."

Anders dan Jan Stroop dacht Van Haeringen dus dat er helemaal geen onderwijs nodig zou zijn om iedereen ooit ABN te laten spreken. Het Nederlandse volk zou naar het correcte taalgebruik gedreven worden als wespen naar de limonade. De moderne tijd had nu eenmaal maling aan variatie. "Hoe hechter de eenheid van het land, hoe despotischer de macht van één cultuurcentrum tegenover 'de provincie', hoe scherper en onmeedogender oor men krijgt voor alles wat gewestelijk is."

De tijd gaf Van Haeringen ongelijk. Wie nu naar de radio of de tv luistert, krijgt niet de indruk dat enig 'despotisch cultuurcentrum' veel in de melk te brokken heeft. Het traditionele dialect, met al zijn schakeringen en variaties tussen naburige dorpen, heeft misschien inderdaad zijn langste tijd gehad. Maar het gewestelijke accent in de uitspraak van de standaardtaal is in het openbare leven niet afgenomen. Van veel ministers en staatssecretarissen kun je nog steeds vrij nauwkeurig vaststellen waar ze vandaan komen door alleen maar te beluisteren hoe ze spreken. Bovendien zijn er nieuwe accenten bijgekomen - uitspraakvormen die vooral gekleurd zijn door het Turks, het Berber, het Surinaams en het Papiamento.

Verkooppraatjes

De gevreesde eenvormigheid is er dus niet gekomen, maar de onheilstijdingen worden er niet minder om. Nu betreurt Jan Stroop de variatie waarvan hij vermoedt dat het onze samenleving in de afgrond zal doen verzinken. Overal om zich heen, in de politiek, op straat en aan de telefoon, hoort Stroop mensen die hij niet verstaat. Hij vindt dit ergerlijk en meent dat het onderwijs hierbij verlichting kan brengen. Als de mensen niet vanzelf naar de norm getrokken worden, dan moet het onderwijs hen er maar toe dwingen.

Het is niet altijd even makkelijk om uit Stroops nogal emotionele betoog de zakelijke argumenten te destilleren, maar ze lijken, anders dan je zou mogen wachten van een taalgeleerde, niet gebaseerd op serieus onderzoek. Hij stelt bijvoorbeeld dat "onverstaanbaarheid steeds vaker voorkomt" en hij illustreert dit aan de hand van een aantal voorbeelden uit zijn eigen leven. Zo vertelt hij dat hij "bijna dagelijks" wordt opgebeld door "lieden" die hij "meestal" niet verstaat, maar die hem iets proberen te verkopen.

Het is moeilijk te geloven dat hun accent de verkopers volkomen onverstaanbaar zou maken. Bedrijven die systematisch verkooppraatjes zouden laten afsteken door onverstaanbare verkopers, zouden zichzelf snel uit de markt prijzen. Dat wettigt het vermoeden dat de meeste mensen best raad weten met al die verschillende manieren van spreken. Waarom het Stroop dan niet lukt, is moeilijk te bepalen. Wel is bekend dat het in het algemeen moeilijker is om iemand te verstaan als je van te voren denkt dat je die persoon niet zult begrijpen.

Eind jaren tachtig lieten de Amerikaanse taalkundigen Donald Rubin en Kim Smith een groep studenten luisteren naar enkele op band opgenomen lezingen. De teksten waren ingesproken door een vrouw van Chinese komaf, die tijdens de helft van de opnames een zwaar Chinees accent gebruikte en tijdens de andere helft bijna volmaakt standaard-Amerikaans sprak. De studenten moesten zeggen wat ze van de lezingen dachten en vragen over de inhoud beantwoorden. Ze vonden de accentloze opnames een stuk begrijpelijker en gaven er meer juiste antwoorden over, en dat zal weinig mensen verbazen.

Nu komt het. De studenten kregen bij de lesjes ook een foto te zien die zogenaamd van de spreekster was. Voor sommigen was dit een foto van een Chinese vrouw, en voor anderen een foto van een blanke vrouw. Nu bleek dat de studenten de voordrachten met de foto van de blanke vrouw beter konden volgen. Bovendien gaven ze meer goede antwoorden. Dat kwam niet door het accent: dezelfde opname werd beter begrepen met een blank gezicht dan met een Chinees gezicht. Hoe komt dit? De aannemelijkste verklaring is dat de studenten die een Aziatische vrouw zagen, dachten: dat wordt moeilijk te volgen, en vervolgens minder moeite deden. Vooroordelen over accenten helpen de begrijpelijkheid niet.

Cultuurtaal

Ook een ander door Stroop gebruikt argument is eerder gebaseerd op een gevoel van onbehagen dan op onderzoek. De "diversiteit van de bevolking, wat herkomst en moedertaal betreft" neemt toe, en juist daarom zou de behoefte aan een standaardtaal groeien. Als iedereen de woorden verschillend uitspreekt, weten de nieuwkomers niet naar welk model ze zich moeten richten en raken ze hopeloos in de war.

Ook hier lijken sommige feiten juist de andere kant op te wijzen. We weten niet of het moeilijker is om een taal te leren met wat lossere normen. Het omgekeerde zou hier ook waar kunnen zijn. Juist als er veel variatie is, zullen sprekers ook toleranter zijn voor buitenlandse accenten, wat de taal gemakkelijker kan maken om te leren.

Stroops eigen anekdote wijst in deze richting. Hij vertelt dat het met school-Frans heel moeilijk is om een gewone Fransman te verstaan. Welnu, het Frans is bij uitstek een cultuurtaal waarvoor al eeuwenlang een vrij nauwkeurige standaarduitspraak wordt gepropageerd. Buitenlanders én moedertaalsprekers weten dus uitstekend op wie ze zich moeten richten, en ze hebben daar kennelijk niets aan. Ze zouden beter af zijn als ze op school wat meer leerden over de werkelijke variatie in de taal, en wat minder over het prachtige ideaal dat feitelijk niemand hanteert.

Stroop kent het ABN in onze multiculturele samenleving overigens nog een functie toe, die van 'decoder'. Ik ben bang dat Stroop hier een beeld op het menselijk taalgebruik in het leven roept dat door geen enkel wetenschappelijk onderzoek wordt ondersteund. Stel dat Kees en Koos zich onafhankelijk van elkaar naar de paardenmarkt begeven. Kees spreekt van huis uit over 'mien peerd', terwijl Koos in zijn dorp heeft leren praten over 'majn paord'. Kan Kees alleen begrijpen wat Koos zegt omdat hij in zijn hoofd snel 'majn paord' vertaalt naar 'mijn paard' en dat weer naar 'mien peerd'? Dat is onwaarschijnlijk. De Nederlandse dialectvormen liggen dicht genoeg bij elkaar om begrijpelijk te zijn zonder zo'n ingewikkelde tussenstap. Een algemeen geaccepteerde decoder is helemaal niet nodig.

Wat daarom overblijft van Stroops betoog is vooral een gevoel; dat het allemaal de spuigaten uitloopt, dat het in het onderwijs en de politiek een grote rommel is, en dat de mensen elkaar bijna niet meer verstaan. Tegen zo'n gevoel valt moeilijk te redeneren. Je kunt er hoogstens een ander gevoel tegenover stellen: dat het Nederlands ondanks alles een periode van grote bloei doormaakt, ook in zijn gesproken vorm. De groeiende populariteit van het luisterboek, en de recente opleving van het hoorspel op de Nederlandse radio (Het Bureau, Bommel) zijn daar slechts een paar voorbeelden van. Als het allemaal zo beroerd is, dan zouden er toch ook geen luisteraars meer zijn?

Arbeidsmarkt

Het sterkste argument vóór meer aandacht voor de standaarduitspraak in het Nederlands onderwijs wordt door Stroop vreemd genoeg niet genoemd. Het komt voort uit Van Haeringens redenering. We weten dat er mensen zijn die zich storen aan andermans zachte g of al te duidelijk uitgesproken slot-n. Het 'onmeedogende oor' luistert nog in veel gesprekken mee, en er zijn nog altijd strenge luisteraars die menen dat hen onrecht wordt gedaan als iemand anders spreekt dan zij het op school geleerd hebben.

Als iemand die zo kritisch is op andermans uitspraak, voor belangrijke keuzes gesteld wordt, bijvoorbeeld omdat hij met een blind date een levenspartner zoekt, of een geschikte kandidaat voor een functie in zijn bedrijf, zou hij zich weleens bewust of onbewust door dit soort ergernissen kunnen laten leiden. Dus is het voor de kandidaat-levenspartner of een kandidaat-werknemer beter om te weten hoe het hoort, en zou een school zijn leerlingen moeten leren om op zijn minst de mogelijkheid te hebben 'correct' te spreken.

Ook op dit punt is onze betrouwbare kennis overigens jammer genoeg onvolledig. De Nijmeegse taalkundige Renée van Bezooijen heeft aangetoond dat sprekers van het Nederlands verschil horen tussen ABN en andere vormen van Nederlands, en dat ze het ABN doorgaans mooier vinden, ook als ze het zelf niet spreken. We weten alleen niet wat voor conclusies die sprekers in de praktijk trekken uit dat esthetisch oordeel. Onderzoek van de socioloog Gerbert Kraaykamp van de Radboud Universiteit Nijmegen wijst dan weer uit dat dialectsprekers het moeilijker hebben op de arbeidsmarkt dan mensen die van huis uit Standaardnederlands spreken. Maar dat onderzoek gaat expliciet over het gebruik van dialect, en niet over Nederlands met een accentje. Er zou eens iemand moeten onderzoeken hoeveel nadeel je hebt van een Gooise r of een zachte g in je loopbaan.

Graut

Zolang niemand het goed onderzocht heeft, weten dus niet in hoeverre iemand die correct kan spreken meer kans maakt op rijkdom en geluk. Daarom weten we ook niet of we erom moeten treuren dat onze kinderen dat niet op school leren. Maar we weten wel dat kennis altijd helpt, en de meeste mensen weten niets of bijna niets over uitspraak.

Nederlandse sprekers kennen het instrument waarvan ze zich elke dag bedienen, helemaal niet; ze voelen niet of ze een r maken met hun tong of met hun huig, ze weten niet waar in de mond het verschil gemaakt wordt tussen een harde g en een zachte, en hebben geen idee wanneer groot gaat klinken als graut. Toch zijn dat zaken die op zijn minst prettig zijn om te weten. Maar inzicht in de wonderen van het spraakorgaan is meer dan alleen een biologielesje. Het is ook een manier om leerlingen te laten nadenken over hun moedertaal. Is het niet vreemd dat er zoveel aandacht wordt besteed aan de details van de spelling, terwijl niemand weet hoe hij spraakklanken maakt, of klanken maken moet? Zelfs de fanatiekste weblogger spreekt in zijn leven meer woorden uit dan dat hij er neerschrijft. Waarom zouden we leerlingen dan niet leren hoe ze over taal moeten nadenken?

Bovendien zou er meer aandacht kunnen komen voor de zogenoemde technische aspecten van het spreken en het accent. Iemand die in het openbaar wil spreken, moet bepaalde dingen leren: niet schreeuwen en niet fluisteren, erop letten dat je niet te snel praat, of te binnensmonds. Sommige telefonische verkopers en sommige tv-presentatoren zouden wellicht een cursus in dit soort technische zaken kunnen volgen, maar met ABN spreken heeft dat niet zo veel te maken. Een goed articulerende spreker met een accent is niet per se moeilijker te verstaan dan een algemeen beschaafde mompelaar.

Wie weet hoe het werkt, wie het instrument op de juiste manier leert kennen, kan het ook op meer manieren gebruiken. Dat is nuttig bij het leren van vreemde talen, maar het geeft leerlingen ook de kans om zich een uitspraakvariëteit eigen te maken die anderen 'mooi' vinden. Dat hoeft dan nog niet eens ABN te zijn, het kan iedere vorm van Nederlands betreffen die de luisteraar behaagt. De leerlingen hoeven niet gedwongen te worden correct te spreken, maar ze kunnen het wel, als het nodig is. En verder krijgen ze een meedogend oor aangeleerd, dat hen helpt hun taalgenoten echt te verstaan, ondanks de toch vaak minimale verschillen. Dat zou wat mij betreft een belangrijk kerndoel mogen zijn bij ieder onderwijs.