De taal overleeft de omroep

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in Onze Taal, december 1999 als een tegenhanger van een artikel van Herbert Blankesteijn, dat te lezen is op diens eigen website: 'Hoe de omroep de taal bederft')

Op filmfragmenten van lang geleden zien alle mensen er elegant uit: de dames dragen fraaie wijde rokken die tot de grond reiken en de heren hebben stijve boorden en hoge hoeden. Maar kijk nu eens op straat: iedereen loopt in slonzige spijkerbroeken en flodderige bloesjes in ordinaire kleuren. Dat is het soort kleding dat we ook regelmatig op de televisie zien. Waarmee bewezen is dat de televisie onze kleedgewoonten bederft.

Is dat een onzinnige redenering? Het is de redenering die Herbert Blankesteijn in zijn artikel volgt. Wie zegt dat de media onze taal bederven, beweert drie dingen: (1) vroeger was de taal onbedorven, (2) tegenwoordig is de taal bedorven, (3) de media zijn verantwoordelijk voor het verschil tussen vroeger en nu. Dat zijn alle drie in het beste geval onbewijsbare stellingen, en tegen alle drie is wel iets in te brengen.

1. Vroeger was de taal onbedorven

Er is een groot verschil tussen vroeger en nu: het heden is overal om ons heen. Wie zijn oren openzet, hoort de hele dag eigentijdse taal. Van de taal van vroeger is veel minder voorhanden. Alleen wat men indertijd de moeite waard vond om vast te leggen, is bewaard, op een glasplaat, op een spoelband, of in geschreven vorm. Bovendien maakte de mensen vroeger een veel groter verschil tussen het openbare leven en het privéleven. Wie voor een microfoon sprak, pastte zich aan en gebruikte een bijzondere, openbare, taal.

Als we willen weten of de media de taal bedorven hebben, moeten we luisteren naar alledaagse taal van vroeger en die vergelijken met het heden. Het gewone werd maar zelden de moeite van het conserveren waard gevonden. Slechts heel af en toe sijpelt er iets door en de zien we dat de alledaagse taal in het verleden niet zo anders moet zijn geweest dan nu. In het populaire boek Camera Obscura van de schrijver Hildebrand praten sommige personages als volgt: `` `En blom, meheer Kegge; dat zeg ik altijd; `en blom is net as `en mensch. As ik jou je hart uit je gemoed snij, dan kan je ommers ook niet in 't leven blijven? Daar zit 'et `em as `t ware maar in... Wat zeg jij, meheer?'' Mij is niet duidelijk in welk opzicht dit soort praatjes beter zijn dan wat we vandaag de hele dag kunnen horen.

Neem de clichés. Volgens Blankesteijn vormen deze een voorbeeld van de `destructieve invloeden van de omroep op de taal'. Er is alleen geen enkele aanwijzing dat de mensen vroeger minder clichés gebruikten dan nu. In het fragmentje uit Camera Obscura staan ze in overvloed (`dat zeg ik altijd', `daar zit `et `em as `t ware maar in', `wat zeg jij?'). De radio en de televisie kunnen we daar moeilijk de schuld van geven. Die waren in Hildebrands tijd nog niet uitgevonden.

Waarschijnlijk kunnen mensen niet zonder stoplappen en clichés. Dat deze tegenwoordig soms van de radio of de televisie geleend worden, ligt voor de hand. Maar het is misleidend om de media vervolgens de schuld te geven van deze algemeen-menselijke eigenschap. Toen de omroepen er nog niet waren, betrok men zijn `catchprases' van elders. Er zijn geen aanwijzingen dat de taal vroeger minder bedorven werd dan nu.

2. Tegenwoordig is de taal bedorven

Zoals we niet weten of de taal vroeger wel zo onbedorven was, zo weten we ook niet zeker of de taal tegenwoordig wel zo bedorven is. Dat geldt in ieder geval voor Blankesteijns voorbeeld van modern taalgebruik noemt: `je' zeggen in plaats van `ik'. Blankesteijn schrijft dit woordgebruik toe aan voetballers, mediatrainers en de zachte sector, kortom, aan de drie beruchtste leveranciers van abject taalgebruik in onze maatschappij. Ieder fijngevoelig mens zou met een grote boog om elk woord heen willen lopen dat ooit door een voetballer, een mediatrainer of een lid van de zachte sector gebruikt is.

Maar is dat gebruik van `je' wel zo lelijk? Ik geloof dat mooie en lelijke woorden of zinsconstructies niet bestaan. Er bestaan alleen goede en slechte taalgebruikers. En in de handen van een goede taalgebruiker, van een dichter bijvoorbeeld, gaat zelfs het woordje `je' glimmen. Al sinds een jaar of dertig gebruikt de beroemde dichter Gerrit Komrij dat woordje op de manier die Blankesteijn tegenstaat:

We zouden nu natuurlijk kunnen zeggen dat ook het werk van Komrij onderhevig is aan taalbederf, maar mij gaat dat te ver. Ik geloof dat de dichter hier de kracht van een (waarschijnlijk) tamelijk nieuwe constructie heeft ontdekt: door 'je' te gebruiken kan hij wat meer afstand nemen. Wie naar voetballers en mediatrainers kijkt, ziet overal taalbederf. Maar wie onze dichters leest, ziet veerkracht en rijkdom.

3. De media veranderen de taal

Er zijn weinig bewijzen voor de gedachte dat onze taal ingrijpend veranderd is. Honderd jaar geleden werd er ook al in clichés gepraat. Moderne constructies worden door dichters nu met succes gebruikt. Maar dat de media onze taal veranderen is toch wel waar? De mensen praten elkaar toch na? En dat levert toch eenheidsworst op? De dialecten zijn toch op hun retour doordat iedereen op de televisie ABN `of wat daarvoor door moet gaan' krijgt voorgeschoteld?

Ik geloof het niet. Het is onmiskenbaar dat de ouderwetse streektalen, waarin je over dorsvlegels kon praten zonder dat iemand uit een andere streek je verstond, langzaam maar zeker verdwijnen. De media spelen alleen geen rol in het verdwijnen van het dialect.

Uit onderzoek blijkt dat mensen hun taal alleen aanpassen aan media waartegen ze iets kunnen terugzeggen, zoals bij de telefoon en tegenwoordig bij Internet. Als de taal maar één kant opgaat, zoals het geval is bij de radio en de televisie, blijkt de verandering minimaal te zijn. Een interessant argument voor die stelling is geleverd door de Amerikaanse taalkundige William Labov, die heeft laten zien dat de spraak in Noord-Amerikaanse steden in de loop van de afgelopen decennia uit elkaar gegroeid is. Als de radio en de televisie nu ergens op de wereld een sterke invloed hebben, is het wel in de Verenigde Staten.

Bij het verdwijnen van de oude dialecten spelen het onderwijs, het sterk verbeterde wegennet en 'interactieve' media zoals de telefoon waarschijnlijk dan ook een veel belangrijker rol dan de radio en de televisie. Om diezelfde reden zullen de lokale en regionale omroepen waarschijnlijk weinig kunnen doen om een eventuele teloorgang van het dialect te stoppen, hoeveel aandacht ze ook aan het dialect besteden.

Dat betekent niet dat we af zouden stevenen op eenheidsworst. Het Amerikaanse onderzoek laat ook zien dat mensen het prettig vinden om zich van elkaar te onderscheiden in hun taalgebruik. De ouderwetse dialecten zullen verdwijnen, omdat ze hun functie verloren hebben, maar hun plaats zal worden ingenomen door nieuwe varianten, zoals jongerentaal, oubotaal en Nederengels. Zolang we niet bang zijn dat de mensen allemaal in Mao-pakjes gaan rondlopen, hoeven we ook niet bang te zijn dat ze allemaal hetzelfde praten. Er is geen reden om te geloven dat de taal vroeger beter was dan nu. Wie bang is voor hun verderfelijke invloed op de taal, overschat de macht van de media. Zij kunnen niets kapot maken, al zouden ze het willen. Het Nederlands heeft vele eeuwen geleuter, gescheld en gepreek overleefd. De radio en de televisie zal het ook nog wel overleven.