Macht der gewoonte

Marc van Oostendorp

Artikel voor Idee 66, het tijdschrift van het wetenschappelijk bureau van D66 (oktober 2010).

Mijn beste vriend betrapte me onlangs op een overmatig inderdaad. We waren er nog op tijd bij, ik zei het nog in niet iedere zin, maar ineens werd me verteld dat ik wel een paar keer per dag inderdaad zei. Heel moeilijk was het niet om ervanaf te komen, ik hoefde alleen maar een paar dagen op te letten — toen was het uit mijn systeem.

Wie zijn oren spitst, hoort ze overal om zich heen: stopwoordjes. En hoe meer je je ervan bewust bent, des te pijnlijker het doorlopende staccato van ik bedoel en zeg maar en zelfs leuk wordt. Is het mensen met stopwoorden erom te doen hun medemens te kwellen? Willen ze zo graag aan het woord zijn dat ze ieder vulsel aangrijpen? Zijn ze buitensporig dom? Ik denk dat dit geen van allen het geval is.

Praten is een van de ingewikkeldste dingen die een mens kan doen. In een fractie van een seconde moet je je een gedachte vormen, de juiste woorden opzoeken ergens in het gigantische woordenreservoir dat zich in je geheugen bevindt en die tot een zin vormen die je vervolgens met honderden spierbeweginkjes tot klinken moet brengen. Je zou er bijna van in paniek raken, en in dat geval grijp je al gauw nog eens naar hetgene je al eerder hebt gezegd, en nog eens, en nog eens.

Wie dat veel overkomt, kan ineens een woord ingesleten krijgen. Iedere keer als je iets moet zeggen, springt dat ene stopwoord weer naar boven. Het kalmeert de permanente woordpaniek en het wordt zo licht verslavend. Dat is nu de macht der gewoonte. Inderdaad.