Deze maand viert de Amerikaanse taalkundige William Labov zijn vijfenzeventigste verjaardag. Labov wordt wel beschouwd als de vader van de sociolinguïstiek. Wat is dat voor vak? En waarom durft Labov niet op zijn motor door Nederland te rijden?

Taalkunde van de straat

De 75e verjaardag van de Amerikaanse sociolinguïst William Labov

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen, iets verkort, in Onze Taal, december 2002)

"Even kijken of ik het snap", zei een veertienjarig jongetje ooit tegen de beroemde Amerikaanse taalkundige William Labov, "Jouw baan is dat je kunt reizen waarheen je maar wilt, om met iedereen te praten waarover je maar wilt?" Labov, die op vier december zijn vijfenzeventigste verjaardag viert en algemeen wordt beschouwd als een van de belangrijkste taalkundigen ter wereld, kon dat alleen maar beamen.

Labov ziet het sinds het begin van zijn carrière als zijn opdracht om de taalkunde de straat op te brengen. Toen hij in de jaren zestig als een jonge onderzoeker begon, viel hem op dat veel taalkundigen maar een beperkte blik hadden. De taal die ze beschreven was hun eigen taal, de taal van een kleine intellectuele elite. Als een taalkundige een grammaticale constructie juist vond, wás die daarmee ook juist. Labov vond dat je ook de taal van de gewone man moest beschrijven. Hij wilde dat de methode waarmee werd vastgesteld wat die taal precies was, wetenschappelijker werd. Hij wilde dat er goed zou worden nagedacht over de manier waarop mensen over hun taal zouden worden bevraagd en dat je vervolgens moderne statistische methoden moest gebruiken om die gegevens te verwerken.

Zijdezeefdruk

De vorm van taalkunde die Labov voorstaat, wordt wel 'sociolinguïstiek' genoemd, taalkunde met speciale aandacht voor maatschappelijke en sociologische aspecten. Labov heeft zich lange tijd tegen die term verzet. Hij had de ambitie om de hele taalkunde te hervormen. Hij vond dat alle taalkunde het echte taalgebruik in de maatschappij in beschouwing moest nemen en dat andere taalkundigen het zich niet te gemakkelijk mochten maken door zich in hun studeervertrek terug te trekken; dat alle taalkundigen de straat op moesten. Dat is hem niet helemaal gelukt, maar Labov heeft wel over de hele wereld een grote aanhang gekregen.

Labov verklaart zijn voorkeur voor 'echte taal' uit het feit dat hij pas laat aan zijn taalkundestudie begon – hij was drieëndertig. Voor die tijd had hij eerst allerlei baantjes gehad. Zo had hij onder andere flapteksten geschreven voor een uitgeverij, was hij marktonderzoeker geweest, en inktmaker in een commercieel laboratorium met een specialisatie in zijdezeefdruk, dat bijvoorbeeld gebruikt wordt om te kunnen drukken op t-shirts en flessen. Toen hij uiteindelijk besloot om toch maar taalkunde te gaan studeren, wilde hij die ervaringen gebruiken. Ook taalkundigen moesten het laboratorium in, en het laboratorium, dat was voor taalkundigen de maatschappij.

Paradox

Het valt niet mee om alledaagse taal te onderzoeken. Waar haal je die taal vandaan? Mensen praten anders tegen hun baas dan tegen hun beste vriend. Labov was het meest geïnteresseerd in die taal tegen de beste vriend, het informele taalgebruik. Niet omdat dit het enige echte taalgebruik zou zijn, maar omdat het volgens Labov de taal is met het puurste systeem, een systeem dat niet wordt verpest door allerlei op school aangeleerde idee‘n over 'correcte' taal.

Een taalkundig onderzoeker is slechts zelden de beste vriend van degene die hij wil interviewen. Labov noemde dit de 'paradox van de observator' (en andere taalkundigen noemen het de 'paradox van Labov'): de onderzoeker wil de taal observeren die mensen gebruiken als ze niet geobserveerd worden. Hij bedacht verschillende manieren om door die paradox heen te breken. Zijn proefschrift ging bijvoorbeeld over taalverschillen in de stad New York. In het dialect van die stad wordt een r-klank aan het eind van de lettergreep niet of nauwelijks uitgesproken, mensen zeggen ongeveer [njoe johk]. In de praktijk kennen alle New Yorkers beide varianten en zeggen ze soms [jork] en soms [johk]. Er zijn wel verschillen: hoe lager de sociale klasse van een New Yorker, hoe groter de kans dat hij de r weglaat.

Vierde verdieping

Om deze situatie in kaart te brengen, bezocht Labov onder andere een aantal warenhuizen met verschillende soorten van assortiment en publiek – in Nederlandse verhoudingen ongeveer de Hema, Vroom & Dreesmann en de Bijenkorf. In elk van die warenhuizen vroeg hij naar een artikel waarvan hij wist dat het te verkrijgen was op de vierde verdieping. Dat zei de winkeljuffrouw dan ook, "on the fourth floor". "Pardon", zei Labov dan, "ik heb het niet goed verstaan". De juffrouw herhaalde het en zo had Labov twee voorbeelden van dezelfde woorden van dezelfde dame, de ene keer wat minder duidelijk uitgesproken en de andere keer wat duidelijker. Hij herhaalde deze procedure met meerdere winkelbediendes in alle drie de warenhuizen en kreeg zo een duidelijk beeld over de sociale verschillen.

Labov bedacht meer van dit soort technieken. Zo liet hij de band soms meelopen voorafgaand aan of na afloop van het 'echte interview', omdat de mensen dan nog veel natuurlijker spraken. Ook merkte hij dat hij betrouwbaarder gegevens kreeg als hij de mensen vragen stelde als 'hebt u weleens gedacht: "nu ben ik er geweest"?' Veel mensen gingen zo op in het verhaal dat ze vervolgens vertelden, dat ze de microfoon letterlijk vergaten.

Labov in Nederland

In Nederland is het werk van Labov altijd met belangstelling gevolgd. De dialectologe Jo Daan van het Meertens Instituut introduceerde zijn werk al in de jaren zestig en inmiddels zijn er op vrijwel alle universiteiten en academische instellingen in Nederland sociolinguïsten werkzaam. Labov komt hier ook graag. Alleen heeft hij als fervent motorrijder in ons land een probleem, vertelde hij eens: hij durft hier niet te gaan rijden, want gegeven het relatief hoge aantal taalkundigen in Nederland is de kans hier veel te groot dat hij er eentje aanrijdt.

Wel is men de laatste jaren iets afstandelijker geworden in de toepassing van zijn ideeën in Europa. Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat enkele decennia geleden Labovs ideeen over onder andere de taalsituatie van de zwarte gemeenschap in Amerika nogal gemakkelijk van toepassing werden verklaard op de nieuwkomers in ons land. De laatste jaren begint men de verschillen beter te zien en wordt daarom sterker naar 'eigen' oplossingen gezocht.

Domme taalfouten

William Labov ontwikkelde zich tot een taalonderzoeker met een buitengewoon brede belangstelling. Hij werd bijvoorbeeld een van de bekendste deskundigen op het gebied van de taal van de zwarten in Amerika, het African American Vernacular English. Hij schreef een baanbrekend artikel waarin hij aantoonde dat het hier niet ging om een verzameling domme taalfouten, maar om een volwaardig taalsysteem, dat net zo geschikt was om logisch in te redeneren als andere talen. Dat zwarte kinderen op school meer moeite hadden om te leren lezen dan blanke, kwam vooral doordat ze op school een andere taal moesten gebruiken dan thuis, niet doordat ze minder slim waren.

Labov is dit standpunt zijn levenlang blijven vasthouden en heeft zich ook de afgelopen jaren nog regelmatig in het publieke debat over het onderwijs aan zwarte Amerikanen gemengd. Hij ontdekte overigens ook dat de manieren waarop zwarten in heel Amerika met elkaar praatten, weinig van elkaar verschilde, maar dat de verschillen met het witte Amerikaans steeds groter werden. Volgens hem is het huidige zwarte Amerikaans voor een belangrijk deel in de afgelopen vijftig jaar ontstaan.

Gesloten mond

Ook de manier waarop taal verandert, interesseert Labov. Alle talen veranderen voortdurend en volgens Labov laat dat zien dat degenen die denken dat taal vooral een communicatiemiddel is, ongelijk hebben. Als een communicatiemiddel verandert, ontstaat er gemakkelijk verwarring, bijvoorbeeld omdat de ontvanger van de boodschap nog niet op de hoogte is van de veranderingen. Echte communicatiemiddelen veranderen daarom niet of hoogstens heel langzaam, maar voor zover we weten veranderen alle talen voortdurend.

Hoe en waarom doen ze dat? Over die vragen schrijft Labov zijn magnum opus: Principles of Linguistic Change (Principes van taalverandering). In dit meerdelige boek, waarvan tot nu toe twee delen met samen meer dan duizend bladzijden verschenen zijn, behandelt Labov vragen als: waarom zijn het zo vaak vrouwen die voorop lopen bij taalvernieuwing? En wat zijn dat eigenlijk voor vrouwen? Hoe kan het dat sommige taalveranderingen generaties lang duren? In sommige Amerikaanse dialecten worden bepaalde klinkers met steeds geslotener mond uitgesproken; elke generatie doet zijn mond net iets meer dicht. Hoe kan dat?

Taalkundige stoelendans

Een van Labovs favoriete voorbeelden van taalverandering is een taalkundige stoelendans tussen enkele Engelse klinkers. Die stoelendans is al honderden jaren geleden begonnen, zoals we kunnen zien als we de Engelse spelling vergelijken met de Engelse uitspraak.

De meeste klinkers werden in het verlopen uitgesproken met een wat opener mond. Om de klinker in het Nederlandse woord maat uit te spreken, moet je bijvoorbeeld je mond vrij wijd opendoen. Het Engels heeft, blijkens de spelling mate ooit dezelfde klinker gehad, maar die is inmiddels gaan klinken als een [ee], met een wat dichtere mond. Tegelijkertijd kreeg de [ee] in het Engelse woord metre (dat ooit ongeveer hetzelfde moet hebben geklonken als het Nederlandse meter) een nog iets dichtere mond: [mietr].

Met een dichtere mond dan voor de [ie]-klank nodig is, kun je geen klanken meer maken, en met die klank gebeurde dan ook iets anders: rite begonnen de Engelse uit te spreken als [rait]. Opvallend genoeg kwam daar de [a]-klank uit mate dus weer in terug, zodat het bijna is of de klinkers in een kringetje rond zijn gedraaid:

i

e

a(i)

Labov ontdekte dat de stoelendans in veel noordelijke Amerikaanse steden weer een nieuwe ronde lijkt te zijn ingezet. Het woord mate wordt daar bijvoorbeeld al bijna uitgesproken als [miet]. Waarom het Engels kennelijk zo'n voorkeur heeft voor dit kringetje, is vooralsnog een onopgelost raadsel.

Doeltreffende getuigenis

Behalve aan dit reusachtige boek werkt Labov onder andere ook nog aan een atlas waarin de dialectverschillen in de Verenigde Staten worden ingetekend en aan artikelen over onder andere de manier waarop mensen de verhalen die ze elkaar vertellen structureren (waar beginnen ze mee, hoe zetten ze dingen in perspectief, enzovoort).

Bij dat alles blijft het voor Labov belangrijk dat zijn werk ook maatschappelijk belang heeft. In een autobiografisch opstel heeft hij eens verteld hoe trots hij was toen hij iemand in 1987 kon bijstaan in een rechtszaak. Een man had een aantal maal een telefonische bommelding gepleegd bij het vliegveld van Los Angeles. De politie had daarvoor een New Yorker in hechtenis genomen met als voornaamste bewijs dat de man een stem had die leek op die van de bommelder. Na een aantal maanden werd Labov gevraagd op te treden als getuige-deskundige, omdat de politie dacht dat hij verschil zou kunnen maken tussen twee New Yorkse accenten. Labov kwam er al snel achter dat de New Yorker nooit de bommeldingen kon hebben gepleegd – die waren gedaan met een accent van Boston.

De meeste Amerikanen kunnen het verschil tussen het New Yorks en het Bostons niet horen, dus Labov moest al zijn wetenschappelijke kennis uit de kast halen. "Het was of mijn hele carrière had plaatsgevonden om in dit geval een zo doeltreffend mogelijke getuigenis af te leggen", schreef hij er later over. De rechter vond Labovs bewijs zo overtuigend, dat hij niet verder naar argumenten van de verdediging wilde luisteren en de man uit New York onmiddellijk vrijsprak. De taalkunde van de straat had een onschuldige man gered.