Recensie van: René Kager. Optimality Theory. Cambridge, Cambridge University Press, 1999. Cambridge Textbooks in linguistics .

Marc van Oostendorp

Dit artikel verscheen in Nederlandse Taalkunde, mei 2003.

De optimaliteitstheorie is nu al bijna tien jaar zonder enige twijfel het dominante paradigma in de fonologische theorie. René Kager is in dat vak een van de belangrijkste beoefenaars. Hij is ook een uitstekend docent en het is dan ook heel verheugend dat hij een inleidend boek heeft willen schrijven voor de prestigieuze reeks Cambridge Textbooks in Linguistics. Bovendien lijdt de optimaliteitstheorie al sinds het bestaan aan een curieus probleem: de teksten die het fundament leggen zijn alleen in manuscriptvorm te verkrijgen (Prince en Smolensky 1993, McCarthy en Prince 1993); de enige fundamentele tekst die in een peer-reviewed tijdschrift verscheen (Prince en Smolensky 1997) is weinig gedetailleerd waar het gaat om concrete fonologische analyses. Kagers boek vult ook deze leemte en wordt in de praktijk al gezien als een standaardreferentie waar het gaat om deze theorie (de kritiek van McMahon 2000 op de theorie lijkt zich op belangrijke punten bijvoorbeeld voor een belangrijk deel op dit boek te baseren).

Hoewel de theorie zich nog steeds betrekkelijk snel ontwikkelt, zal Optimality Theory nog wel een paar jaar dé inleiding blijven in deze theorie. Het boek geeft op een uiterst heldere en rustige toon inzicht in de belangrijkste principes en resultaten van de theorie. Het enige bezwaar dat men tegen de gekozen aanpak zou kunnen hebben is dat het (volgens de tekst op de achterflap) bedoeld is voor 'any linguist with a basic knowledge of derivational Generative Phonology'. Een dergelijke achtergrondkennis van derivationele theorieën (en van de algemene doelstellingen van de generatieve fonologie) lijken onontbeerlijk om dit boek goed te kunnen volgen; maar men kan zich afvragen hoe realistisch het is om studenten eerst op te leiden in een derivationele theorie, om ze vervolgens dit derivationele gedachtegoed weer te moeten laten afzweren voor de optimaliteitstheorie.

Dit is echter slechts een klein probleempje, dat waarschijnlijk met wat kleine handgrepen wel kan worden opgelost in een volgende druk. Voor het overige biedt Optimality Theory precies alles wat je van een dergelijk boek zou wensen. Het bestaat uit negen hoofdstukken. In het eerste ('Conflicts in grammar') wordt uitgelegd dat de optimaliteitstheorie de grammatica's van natuurlijke talen ziet als verzamelingen met elkaar conflicterende beperkingen op oppervlaktestructuren. Hoofdstuk 2 ('The typology of structural changes') beschrijft, aan de hand van de manier waarop verschillende talen omgaan met de ongewenste combinatie van een nasaal met een stemloze medeklinker, de manier waarop de optimaliteitstheorie kan worden ingezet als een theorie van taaltypologie. Hoofdstuk 3 ('Syllable structure and economy') en hoofdstuk 4 ('Metrical structure and parallelism') behandelen de bijdrage van de theorie aan ons inzicht in fonotaxis en klemtoontoekenning. Hoofdstuk 5 ('Correspondence in reduplication') en hoofdstuk 6 ('Output-output correspondence') gaan vooral in op de relatie tussen fonologie en morfologie binnen het kader van de optimaliteitstheorie. De hoofdstukken 7 ('Learning OT grammars'), 8 ('Extensions to syntax') en 9 ('Residual issues') beogen ten slotte het bereik van de theorie te vergroten.

Het is om een aantal redenen interessant om wat nader in te gaan op de zaken die Kager in zijn boek over het Nederlands meldt, in de eerste plaats omdat Kager een van de bekendste Nederlandse fonologen is die ook in eerder werk ons inzicht in de klankstructuur van het Nederlands aanzienlijk heeft verrijkt, maar ook omdatde verschijnselen die Kager in dit boek bespreekt interessant zijn, en omdat de kracht van de optimaliteitstheorie nog altijd vooral ligt in de vergelijking van talen en niet zozeer in de studie van enkele talen: er zijn in de afgelopen tien jaar maar zeer weinig diepgravende monografieën over de klankstructuur van één taal geschreven die cruciaal gebruik maken van de optimaliteitstheorie.

Overigens is het Nederlands in het boek van Kager – na het Engels – ook de meestgenoemde taal. Dat komt vooral doordat één verschijnsel in de loop van het boek een aantal malen terugkomt: de verstemlozing van syllabefinale obstruenten ('final devoicing', 'verscherping'). Aan de hand van dit verschijnsel illustreert Kager een aantal principes, uitbreidingen en problemen van de theorie.

Het uitgangspunt van Kagers optimaliteitstheoretische analyse zijn drie 'constraints': de welgevormdheidsconstraints *VoicedCoda en VOP, en een constraint op respect voor de onderliggende vorm Ident-IO(voice):

(1) a.*VoicedCoda (op. cit., p. 40) Coda obstruents are voiceless

b. Ident-IO(voice) (op. cit., p. 40) The value of the feature [voice] of an input segment must be preserved in its output correspondent

c.VOP *[+voice, -sonorant] No obstruent must be voiced.

Anders dan in een taal als het Engels (waarin we geen verscherping vinden) weegt in het Nederlands *VoicedCoda zwaarder dan Ident-IO(voice). We krijgen aldus de volgende analysetabel (vb. (60) op op. cit, p. 41) voor het woord bed:

(2) Input: /bEd/
*VoicedCoda
Ident-IO(voice)
VOP
 
+ a. [bEt]
 
*
*
 
b. [pEt]
 
**!
 
 
c. [bEd]
*!
 
**
 
d. [pEd]
*!
*
*

De vorm (2a) wordt hier verkozen omdat de slotmedeklinker stemloos is geworden zodat de vorm aan *VoicedCoda kan voldoen, maar zonder dat de beginmedeklinker /b/ van het woord ook 'nodeloos' stemloos wordt. Die beginmedeklinker is weliswaar gemarkeerd volgens VOP, maar VOP weegt in het Nederlands nu eenmaal minder zwaar dan respect voor de onderliggende specificatie. Kager gebruikt deze analyse terecht als voorbeeld van 'economy': aanpassingen aan de onderliggende vorm gebeuren alleen in zoverre hooggeordende constraints dit noodzakelijk maken.

Verderop komt Kager op een aantal manieren op het verschijnsel terug. In hoofdstuk 7 over taalverwerving gebruikt hij het om te illustreren hoe het volgens de heersende opvatting binnen de optimaliteitstheorie mogelijk is dat kinderen gelijktijdig de grammatica (in het onderhavige geval de juiste ordening van de drie betrokken constraints) en de onderliggende vormen (/bEd/ voor bed, /bEt/ voor bet) van hun taal leren. Op het eerste gezicht is dat lastig, omdat de vorm van de lexicale items bepaald wordt door de grammatica, die op zijn beurt weer bepaald wordt door de manier waarop inputs tot outputs worden getransformeerd.

Maar ook de mogelijkheden om de hierboven besproken analyse zelf toe te passen worden aangestipt. Zo bespreekt Kager op p. 399 de mogelijkheid dat de constraint *VoicedCoda in feite een conjunctie is van de constraint VOP (die stemhebbende obstruenten verbiedt) en een constraint NoCoda (die codaconsonanten verbiedt): allebei die constraints zijn waarschijnlijk onafhankelijk nodig in de universele inventaris van constraints. Impliciet wordt op p. 407 overigens nog een alternatief gegeven, namelijk dat neutralisatie van stem in codapostie begrepen moet worden als de interactie tussen de contextvrije constraint VOP en een constraint die expliciet maakt dat de onderliggende specificatie van medeklinkers in onset-postie moet worden geëerbiedigd.

De radicaalste aanpak bewaart Kager voor het laatst: in paragraaf 9.6 (p. 413 en verder) laat hij zien hoe verscherping kan worden geanalyseerd als een vorm van allomorfie. Als we aannemen dat er van het woord bed twee allomorfen zijn (/bEd/ en /bEt/), dan kan de distributie van deze allomorfen geregeld worden door de welgevormdheidsconstraint *VoicedCoda (of een decompositie hiervan) en een evenzeer onafhankelijk gemotiveerde constraint Inter-V-Voice, die zegt dat intervocalische obstruenten stemhebbend moeten zijn. Condities op de relatie tussen onderliggende structuur en oppervlaktestructuur spelen in deze analyse dan geen rol van betekenis meer.

Hoe inspirerend deze gedachte ook moge zijn, hij liet de recensent enigszins in verwarring achter. Kager wijst erop dat een dergelijke allomorfieanalyse het voordeel heeft dat hij het mogelijk maakt om uitzonderingen te begrijpen. Het probleem is echter dat er in het Nederlands geen uitzonderingen zijn op verscherping (anders dan in het Turks, waar een leenwoord als étude wordt uitgesproken als [etyd]). Zelfs leenwoorden worden stemloos gemaakt, en een kenmerkend aspect van het accent van Nederlandstaligen is de toepassing van verscherping in vreemde talen (het uitspreken van het Engelse woord bed als [bEt]). Het is niet duidelijk hoe Kager dit ziet: waarom zijn er in het Nederlands geen woorden die alleen een allomorf hebben met een stemhebbende obstruent in codapositie? Waarom krijgen alle woorden met zo'n obstruent onmiddellijk een allomorf met zo'n obstruent? En hoe zit het eigenlijk met de leerbaarheid van deze nieuwe opvatting?

Dat blijven helaas onbeantwoorde vragen. Aan de andere kant: het betreft hier een hoofdstuk 'Residual issues'. En een goede student krijgt van de auteur zo in ieder geval een wijze les mee: dat zelfs over de analyse van een betrekkelijk eenvoudig verschijnsel als verscherping in een betrekkelijk veel bestudeerde taal als het Nederlands het laatste woord nog niet gezegd is.

Bibliografie

Lombardi, Linda. 1995. "Laryngeal neutralization and syllable wellformedness," Natural Language and Linguistic Theory 13,: 39-74.

McCarthy, John, en Alan Prince. 1993. Prosodic Morphology I: Constraint Interaction and Satisfaction. Manuscript, University f Massachusetss, Amherst en Rutgers University.

McMahon, April. 2000. Change, Chance, and Optimality. Oxford, Oxford University Press.

Prince, Alan en Paul Smolensky. 1993. Optimality Theory. Constraint Interaction in Generative Grammar. Manuscript, Rutgers University, New Brunswick, en University of Colorado, Boulder.

Prince, Alan, en Paul Smolensky. 1997. Optimality: From Neural Networks to Universal Grammar. Science 275: 1604-1610.