No pix, plz.

Waarom taal de techniek beïnvloedt en niet andersom

Marc van Oostendorp

Dit artikel verscheen in Jan Stroop (red.) Waar gaat het Nederlands naar toe? Panorama van een taal. Amsterdam, Bert Bakker, 2003.

Telkens als een pubermeisje in de tram zit te turen naar de display van haar mobiele telefoon, wordt de taal gebruikt waarvoor ze waarschijnlijk bedoeld is – om eindeloos te kwetteren over niks. Eeuwenlang hebben de mensen zich laten inperken door het ongemak van de drukpers en de handgeschreven brief. Eeuwenlang hebben ze zich door die technologie verwrongen en onlogische ideeën over wat taal is laten opdringen; dat mensen taal gebruiken om te communiceren, bijvoorbeeld, of dat er een duidelijk verschil bestaat tussen het Nederlands en het Engels. Nieuwe technieken zoals het mobieltje en het internet heffen die beperkingen op, en maken het makkelijker en prettiger om taal te gebruiken op de manier waarop mensen dat tienduizenden jaren voor de uitvinding van de drukpers hebben gedaan.

Het is leuk om te speculeren over de invloed die nieuwe communicatiemiddelen hebben op ons taalgebruik, maar als je de loop van de ontwikkelingen in de afgelopen honderd jaar bestudeert, blijkt dat die invloed eerder andersom verloopt. Zelden of nooit hebben nieuwe technieken onze manier van praten blijvend en diepgaand beïnvloed. De taal heeft integendeel de techniek beïnvloed, doordat technologische middelen uiteindelijk alleen succesvol werden als ze kans boden om te laten zien hoe taalvaardig we zijn, hoeveel woorden we kennen, en hoe virtuoos we ons binnen het vast omlijnde kader van bijvoorbeeld de display van een gsm kunnen uitdrukken.

De telefonische revolutie

Dat wij onze mobiele telefoon op een andere manier gebruiken dan onze grootouders de bakelieten telefoon op de gang, is duidelijk, al is er verbazingwekkend weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de enorme revolutie die het telefoongesprek in de afgelopen honderd jaar heeft doorgemaakt.

Die revolutie begon in ieder geval al met het opnemen. Nog geen vijftig jaar geleden knoopte menig huisvrouw eerst haar schort af, voor ze de telefoon aannam, omdat ze de vreemde niet in werktenue onder ogen wilde komen. Die tijd is voorbij, maar waar mensen aan een telefoon in de huiskamer beginnen met hun naam te zeggen als ze opnemen, begint een gesprek over een mobiel telefoontje meestal met het uitwisselen van de plaats waar de bellers zich bevinden ("Ik fiets net door de Botenmakersstraat, waar zit jij?"). Wie de ander is, hebben de gesprekspartners meestal al op hun display kunnen aflezen.

Je hoort weleens dat door de komst van internet, sms en mobiele telefoon het taalgebruik indikt, dat mensen kortere woorden en zinnen gaan maken doordat ze dat gewend zijn geraakt bij het schrijven van sms'jes. Dat de taal informeler wordt, en slordiger. De bijbel is in Groot-Brittanië bijvoorbeeld al vertaald in 'sms-taal' omdat dit jongeren beter zou aanspreken. De tien geboden: "God: I'm No.1. No pix, plz. Uz my name nicely. Day7holy. Take care of mum'n'dad. Don't kill, scrU round, steal or lie. Keep yr hands (&eyes) off wot isnt yrs!" Een paar maanden later ontstond een schandaaltje toen een Schotse leerlinge een opstel over haar schoolvakantie begon in dezelfde stijl. De tieners van nu konden geen gewone brief meer schrijven!

Ook een goed sms-berichtje schrijven vraagt echter een zekere virtuositeit, en de 'gewone brief' is nooit gewoon geweest. Het is niet waar dat sms de taal indikt, maar het ouderwetse brievenschrijven dijde de taal noodzakelijkerwijs uit. Zodra die noodzaak wegviel, nam de taal haar gewone dikte aan.

De zo vaak geroemde handgeschreven brief is bij nadere beschouwing een onding. Stel, je verkeert ongelukkigerwijze op grote afstand van een persoon die je desalniettemin een aantal dingen wilt mededelen. De wereld is al wel dusdanig klein geworden dat mensen over veel grotere afstanden reizen dan ze in het stenen tijdperk konden, maar de communicatietechnologie is nog niet aan deze toestand aangepast. Je gaat zitten, schroeft de dop van de vulpen, en noteert de datum en de plaats waar je je bevindt. Vervolgens vloeien allerlei syntactische bouwwerken uit het gouden puntje, welke zich op hun beurt voegen in alinea's en betogen. Je moet overdreven expliciet en uitvoerig zijn, omdat je eventuele misverstanden niet kunt aflezen van het gezicht van je gesprekspartner. Bovendien kun je niet met je handen wijzen, of met je wenkbrauwen fronsen: al je verwijzingen en al je gevoelens moet je omslachtig onder woorden brengen. Gezellig babbelen is er al helemaal niet bij, vanwege de grote moeilijkheden bij het schrijven beperk je je tot de hoofdzaken. Aan het eind produceer je enkele standaardformuleringen ("met verschuldigde hoogachting", "met vriendelijke groeten") en je naam. De aldus geproduceerde brief vouw je ten slotte op, en voeg je in een envelop, waarop je een portret van het staatshoofd plakt.

Taal als zonnebrilhouder

Het klassieke telefoongesprek maakt sommige zaken al wat gemakkelijker dan zo'n brief, maar is nog steeds omslachtig. Je moet hoognodig iemand spreken en zoekt daartoe diens naam op in een dik boek; je vindt achter die naam een nummer dat je draait met een hardplastic schijf. De ander zegt als hij welopgevoed is eerst zijn naam, omdat je de kans loopt dat je het verkeerde nummer hebt gedraaid. Vervolgens kom je zo snel mogelijk terzake, want de telefoonteller tikt en je moet voor elke seconde die je spreekt, betalen. Alweer beperk je je tot de hoofdzaken. Wie over grote afstand belt, hoort de telefoon kraken en is genoodzaakt duidelijk te articuleren.

Hoe ver ligt dat af van de manier waarop mensen al tienduizenden jaren hun taal gebruiken! Je ziet iemand in je blikveld en je begint met die persoon te kletsen. Je gaat je niet uitgebreid voorstellen, want je kent elkaar al en je ziet elkaar. Je bereidt je ook niet voor op dat gesprek, noch doe je speciaal de moeite om 'zinnen' te maken, of zelfs om de hele tijd nuttige informatie uit te wisselen. Je mompelt maar wat in je hoofd opkomt.

Van communicatie is bij een dergelijk gesprek nauwelijks sprake. Wat is communiceren? Ik heb een bepaalde gedachte in mijn hoofd en door iets te zeggen en te doen, zorg ik ervoor dat iemand anders min of meer dezelfde gedachte in zijn of haar hoofd krijgt. Je hoeft maar een middagje in de tram, in het café, in de kantine, op een werkvloer of op straat te gaan staan en goed je oren open te zetten, om te kunnen constateren dat taal in het dagelijks leven bijna nooit gebruikt wordt om in deze zin te communiceren. Er worden maar heel zelden gedachten uitgewisseld, de meeste mededelingen zijn volkomen loos en er is niemand die dit erg vindt.

Omdat schrijven en ouderwets telefoneren veel inspannender manieren van taalgebruik zijn dan loos babbelen, en bovendien manieren die een veel hoger aanzien hebben, is in onze cultuur het misverstand ontstaan dat taal vooral en in de eerste plaats een middel voor communicatie is. Ze wordt daar weleens voor gebruikt, natuurlijk, maar dat gebeurt eigenlijk alleen in uitzonderingsgevallen zoals in een wetenschappelijke artikel of een zakelijke telefoongesprek. Het is zoals een neus weleens gebruikt wordt om een zonnebril op te plaatsen zonder dat een neus daarom een zonnebrilhouder is.

Story en Privé

Het schrift is de techniek met de meeste invloed op taal die de mens ooit heeft bedacht. Het kan alleen maar ontstaan zijn toen iemand het idee kreeg dat je taal los kon zien van gezichtsuitdrukkingen, stembuigingen en andere vormen van gevoelsuiting. Op zijn beurt heeft het schrift dat idee weer versterkt. Godsdiensten zoals het jodendom waarin het schrift een belangrijke rol speelt, hebben het beeld taboe verklaard ('Gij zult geen beeltenis maken', of, in sms-taal: 'No pix, plz'). De uitvinding van het schrift betekende ook dat je taal helemaal los van de context kon gaan bestuderen, als een abstract, bijna wiskundig object. Dat was een winst voor de wetenschap, maar een ongemak voor veel mensen. Over een neergeschreven zin kun je urenlang puzzelen om te zien of hij wel helemaal 'correct Nederlands' is, en 'logisch opgebouwd'.

Een ander misverstand is over ons gekomen door massamedia zoals de drukpers, de radio, de film en de televisie. Er wordt op de radio en de televisie misschien naar hartelust gepraat en gebabbeld, en zelfs de drukpers heeft een toepassing gevonden in Story en Privé. Maar al die massamedia hebben één nadeel: je zit erbij en kan niks terugzeggen; je kunt niet eens applaudiseren als iemand iets heel waars zegt, of afkeurend brommen als je iets vreselijk onzinnigs leest.

De massamedia hebben ons bovendien opgezadeld met het idee dat er een standaardtaal is, waarnaar we allemaal moeten streven. De producenten van massamedia hebben er natuurlijk belang bij dat wat zij maken door zoveel mogelijk mensen gekocht en genoten wordt. Het bestaan van een 'standaardtaal' is dan ook onlosmakelijk verbonden met het bestaan van massamedia, en de voorstanders van zo'n standaardtaal zijn dan ook altijd de machthebbers geweest: de overheidsdienaren, die de wet zo efficiënt mogelijk onder de bevolking wilden verbreiden, en de bedrijven die hun markten wilden vergroten. Zo ontstond de gedachte dat je 'goed' en 'fout' taalgebruik hebt ('fout' is de taal die je niet gedrukt wil zien omdat een deel van het publiek het niet zou begrijpen), en dat talen van elkaar te onderscheiden eenheden zijn (die corresponderen met het afzetgebied van verschillende producenten), dat er bijvoorbeeld een verschil bestaat tussen het Nederlands en het Engels, en dat dit verschil ook niet kan en mag worden opgeheven.

Westerse cultuur

Zodra je standaardtalen hebt, heb je ook 'taalgrenzen'; die grenzen zijn hetzelfde als de grenzen van het afzetgebied van producenten van massamedia. Taalgrenzen zijn volkomen willekeurig: dat we zeggen dat Nederland en Vlaanderen 'dezelfde' taal spreken en Nederland en Noordwest-Duitsland niet, is alleen ingegeven door politieke en historische overwegingen. Degenen die willen vasthouden aan een 'taalunie' tussen Nederland en Vlaanderen, hebben altijd belang bij zo'n unie – bijvoorbeeld omdat hun baan ervan afhangt, of omdat ze het politiek belangrijk vinden dat Nederland en Vlaanderen als een eenheid worden geteld.

Volgens het idee dat er standaardtalen bestaan, zijn talen ook van elkaar af te bakenen: je kunt van een bepaald woord of een bepaalde zinsconstructie zeggen dat het al dan niet tot 'het Nederlands' behoort. Dat we namen gebruiken voor talen, dus spreken over 'het Nederlands', 'het Engels' en het 'het Fries', is daar ook een logisch voortvloeisel van. Talen zijn in deze gedachtewereld ook telbaar: je kunt zeggen 'ik spreek drie talen'. Of je kunt zeggen: 'ik spreek die en die taal maar half'.

Het idee dat talen manipuleerbare en van elkaar te onderscheiden eenheden zijn, zit diep geworteld in de westerse cultuur. Auteurs in de klassieke oudheid zoals Aristoteles hebben aan die gedachte bijgedragen. Ook in bijvoorbeeld de Chinese en de Arabische cultuur lijkt de gedachte van taal als een telbaar en afbakenbaar fenomeen heel vertrouwd. Toch wordt die gedachte niet in alle culturen onderschreven: in de binnenlanden van Indonesië waren lange tijd groepen mensen die helemaal niet konden zeggen welke taal ze spraken, en die de eigen taal ook helemaal niet duidelijk afbakenden van die van andere groepen. Vaak spraken die mensen ook in westerse oren 'van alles door elkaar', ze trokken de grenzen tussen talen minder duidelijk. Mogelijk hebben mensen over de hele wereld voor de komst van het schrift op deze manier talen 'door elkaar' gebruikt, en de grenzen tussen hun talen minder duidelijk gelegd.

Dat vage, niet afgebakende, begrip van taal is, hoe ver het ook afstaat van het traditionele westerse denken over dit onderwerp, uiteindelijk de meest natuurlijke. Mensen zullen ernaar terug keren zodra dat mogelijk is. De technologie die zo'n terugkeer mogelijk maakt, zal daarom op den duur succesvol zijn.

Het begint er mee, dat mensen steeds minder passief hoeven te luisteren, en steeds meer terug kunnen zeggen als de media interactiever worden. Het internet is het duidelijkste voorbeeld van een medium waar mensen niet alleen meer passief de geboden taal tot zich nemen, maar ook op allerlei manieren – op discussiepagina's, in nieuwsgroepen en babbelboxen – iets terug kunnen zeggen. Maar ook de radio en de televisie zijn de afgelopen jaren steeds interactiever geworden: de stem van de 'gewone luisteraar' en de 'gewone kijker' wordt nu veel meer gehoord dan pakweg vijftien jaar geleden.

Ingewikkeld taalsysteem

Oude communicatiemiddelen wierpen veel te veel barrières op voor normaal taalgebruik. Mensen maakten er het beste van; en de overwinning op alle moeilijkheden heeft soms tot prachtige resultaten geleid: literatuur, films en hoorspelen. Maar de technische ontwikkeling in de afgelopen honderdvijftig jaar - van telegraaf naar sms, van bakelieten toestel naar Nokia - kan het best gezien worden als een opheffen van alle rare belemmeringen. De belemmeringen die overbleven, worden gebruikt om te laten zien wat je allemaal kan met taal.

Dat sms-taal zo ingedikt is, kan bijvoorbeeld op deze manier begrepen worden. Een half woord volstaat, net als in een normaal gesprek. Als er meer nodig is, kan een knipoog nog wel eens helpen. In sms-taal schrijf je die als ';-)'. Dat is een beetje behelpen, maar we hoeven alleen maar te wachten tot mobiele telefoontjes – in weerwil van het tweede gebod – standaard zijn uitgerust met een fototoestel, en dat probleem is ook opgelost. Het menselijk taalgebruik heeft zich in de loop van tienduizenden jaren ontwikkeld; zelfs de oudste communicatiemiddelen als het schrift zijn slechts enkele duizenden jaren oud. Als je de toekomst moet voorspellen, lijkt het 't veiligst om ervan uit te gaan dat gewoontes die in tienduizenden jaren ontwikkeld zijn, sterker zullen zijn dan de ontwikkelingen van de afgelopen drieduizend jaar.

Het is daarom zinnig om te achterhalen wat de functie is van taal. Waarom heeft de mens als enig levend wezen op aarde zo'n ingewikkeld taalsysteem ontwikkeld waarmee hij over wiskunde, de buitenechtelijke escapades van de buurman, de geschiedenis van de graanhandel én over Goede Tijden Slechte Tijden kan praten? Er bestaan over de functie van taal ruwweg drie opvattingen. De eerste zegt dat de taal in de eerste plaats een communicatiemiddel is. De tweede stelt dat de taal vooral een instrument is voor het denken: je hebt taal nodig om gedachten te kunnen hebben, of in ieder geval om het soort redelijk precies geformuleerde gedachten te hebben dat de mensheid zo enorm veel vooruit heeft geholpen. De derde opvatting, die ik tot nu toe heb verdedigd, is dat de belangrijkste functie er een is van zinloos gebabbel.

Neuzelfunctie

Op het eerste gezicht zijn de eerste twee opvattingen in het voordeel vanuit het gezichtspunt van de evolutietheorie. De wereld is een grote struggle for life, en daarin ontwikkelen diersoorten alleen bepaalde vaardigheden als die hen ook een zekere winst oplevert in de strijd om het voortbestaan. Als bepaalde dieren met elkaar kunnen communiceren, geeft hen dat een grotere kans om te overleven, want ze kunnen elkaar dan waarschuwen als er een verscheurend roofdier aankomt, of ze kunnen hun kinderen uitleggen hoe je een sliert pasta moet maken en deze al dente moet koken. Of: als een dier precies gearticuleerde gedachten kan produceren, is hij ook in staat om ingewikkelde plannen te maken voor de toekomst, en zo uit te knobbelen hoe je van een stapel stenen en een aantal takkenbossen een oven kunt maken om vleespotjes in te stoven. Maar wat is de evolutionaire functie van betekenisloos geneuzel?

Toch zijn er de laatste jaren biologen geweest die juist hebben beargumenteerd dat die neuzelfunctie een duidelijke biologische basis heeft. Met de evolutionaire verklaring voor die andere functies zijn er volgens hen problemen. Voor allebei de opvattingen is het heel vervelend dat talen de hele tijd veranderen, en dat elk mens weer net iets anders praat dan elk ander mens. Als talen dienen om te denken of om je gedachten over te dragen, zou je juist denken dat ze relatief stabiel zouden zijn, want communicatie en logisch denken zijn niet gebaat bij variatie, die alleen maar verwarring in de hand werkt.

Als je aanneemt dat taal vooral dient om gedachten te ordenen, kun je eigenlijk niet begrijpen waarom je taal ook kunt uitspreken. De belangrijkste voorstander van deze gedachte, de beroemde Amerikaanse taalgeleerde Noam Chomsky, ziet dat praten dan ook als een beetje een ongelukkige onvolkomenheid van de mens.

De opvatting dat taal een communicatiemiddel is, blijkt bij nadere beschouwing ook niet houdbaar. Als het er vooral om ging dat informatie van het ene hoofd in het andere kwam, dan zouden de mensen die goed konden luisteren en weinig zouden zeggen in het voordeel zijn. Gaandeweg zou de menselijke soort zich dan waarschijnlijk zo hebben ontwikkeld dat slechts af en toe iemand iets zo kort mogelijk zou zeggen, en dat alle omstanders die woorden zo aandachtig mogelijk zouden opslorpen. Zo zit de mensheid niet in elkaar: mensen zijn helemaal niet zulke goede luisteraars, maar over het algemeen in huiselijke omstandigheden des te gretiger sprekers. In een gemiddeld gesprek vinden de deelnemers het alleen maar goed dat iemand anders af en toe aan het woord is omdat ze daarna dan zelf weer verder kunnen praten.

Taal als pauwenstaart

Taal dient dus niet voor communicatie of logisch nadenken. Sommige geleerden zeggen dat het gebruik van taal onder mensen ongeveer dezelfde functie heeft als het vlooien bij apen: het bevestigt de onderlinge relaties in een groep. Omdat 'natuurlijke' groepen mensen in de steentijd redelijk groot waren, en uit wel honderdvijftig individuen bestonden die je onmogelijk allemaal kon gaan vlooien, zijn de mensen in plaats daarvan gaan roddelen. Heel veel gepraat in alle culturen ter wereld is inderdaad geroddel. Wie er ook over welk onderwerp praat, al snel gaat het over wie nu weer wat met wie doet. Mensen zijn sociale dieren en hebben alleen een kans om kinderen te krijgen als ze de ingewikkelde regels van het menselijk sociaal verkeer onder de knie hebben. Je gebruikt je taal vooral om te laten zien dat je dat spel inderdaad beheerst.

Een andere, maar verwante, theorie zegt dat het menselijk taalvermogen op dezelfde manier verklaard moet worden als de staart van een pauw. De pauwenstaart heeft op het eerste gezicht meer na- dan voordelen in de harde strijd om het bestaan: het kost een heleboel energie om die staart er een beetje mooi uit te laten zien, en je kunt met al die pauwenogen niet speciaal veel voedsel aantrekken. Ook om roofdieren af te weren is de pauwenstaart niet speciaal geschikt, omdat hij daar te opzichtig voor is. Maar juist omdat hij zo vreselijk onhandig is, kun je aan een pauwenstaart ook goed zien hoe gezond de drager ervan is. Kennelijk heeft het beest zulke goede genen dat hij in staat is zichzelf te verzorgen, en ook nog zo'n zinloze staart. Een vrouwtje dat door dit soort mannetjes wordt aangetrokken, heeft een grotere kans op een nageslacht dat ook van die sterke genen heeft, en dat dus waarschijnlijker zal overleven. Maar dat nageslacht zal vaak de seksuele voorkeur van de moeder erven, of de staart van de vader. Zo ontstaan in de loop van de tijd steeds barokker staarten en tegelijkertijd een steeds grotere liefde voor die staarten bij het andere geslacht.

Lekkeraar

Het menselijk taalvermogen heeft veel weg van zo'n pauwenstaart. Het is bijvoorbeeld overdreven ingewikkeld. Een willekeurige gedachte kan op oneindig veel manieren worden uitgedrukt ("De fiets staat op straat", "Op straat staat de fiets", "Het rijwidl bevindt zich op de verharde weg", "The bicicyle is on the street", enz.) en dat dient geen enkel direct doel – behalve om te laten zien hoe taalvaardig je bent, hoe groot je hersens dus kennelijk zijn dat ze allerlei overbodige ballast kunnen onthouden, hoe sterk je genen dus zijn en hoeveel voordelen dit biedt voor het nageslacht van jou en je partner. Het verschil met pauwen is dat bij mensen de taalvaardigheid bij beide seksen tot in het absurde is verfijnd.

Ook de grammaticaregels van een willekeurige taal zijn vaak onwaarschijnlijk ingewikkeld. Een voorbeeld uit het Nederlands is het achtervoegsel -er. Dat kun je gebruiken om een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord te maken: kort wordt korter. Als het bijvoeglijk naamwoord op een -r eindigt, verandert het achtervoegsel in -der: ver wordt niet verrer, maar verder. Hetzelfde achtervoegsel -er kun je ook gebruiken om een handelende persoon aan te duiden: iemand die praat is een prater. Ook hier verandert het achtervoegsel in -der na een werkwoord dat eindigt op -r: als ik huur ben ik een huurder. Maar eindigt het werkwoord zelf al op -er, dan wordt het achtervoegsel ineens in -aar: iemand die piekert is geen piekerer, geen piekerder, maar een piekeraar. Deze laatste uitzondering op een uitzondering geldt echter alleen voor werkwoorden. De vergrotende trap van lekker is niet lekkeraar, maar lekkerder.

Dat mos niet maggen

Als mensen alleen maar zouden willen communiceren of helder denken, zouden ze nooit op zo'n rommelig systeem komen als nodig is voor het achtervoegsel -er. Dat achtervoegsel is daardoor als een pauwenveer: het laat zien hoeveel bizarre kronkels onze hersenen wel kunnen bevatten. Mensen zijn liever aan het woord dan dat ze luisteren omdat ze liever hun eigen staart willen laten zien dan dat ze die van anderen bewonderen – al doen ze dat natuurlijk ook wel. Iemand die in het Nederlandse taalgebied geboren en getogen is, en die onverhoeds dingen zegt als 'het eten is lekkeraar dan gisteren' of 'ik ben niet zo'n piekerder', verkleint daarmee waarschijnlijk zijn kansen op een romantisch afspraakje.

Dit alles betekent natuurlijk niet dat de taal niet ook gebruikt wordt om te denken, of om mee te communiceren. Integendeel, om te laten zien wat een aantrekkelijke geest je hebt, moet je wel iets interessants te vertellen hebben, en dat ook kunnen overdragen. Alleen moet je dat niet op zo efficiënt mogelijk formuleren, zoals je zou verwachten als taal vooral een communicatie- of een denkinstrument was, maar juist op een zo mooi mogelijke manier.

Daarom ook veranderen talen, in allerlei richtingen. Bijvoorbeeld moet er ooit iemand begonnen zijn met het achtervoegsel -der te gebruiken in plaats van -er, en verder te zeggen in plaats van verrer, en andere mensen moeten hem zijn gaan napraten. Misschien genoot degene die ermee begon al zoveel aanzien, en stond hij al zo goed bekend om zijn taalvaardigheid, dat hij zich dit 'foutje' kon permitteren, ongeveer op de manier waarop de Nederlandse adel het zich vroeger permitteerde om dat mos niet maggen te zeggen. Juist door de taal net iets anders te gebruiken dan anderen, kun je laten zien hoe goed je hem beheerst. Omdat het zo'n aanzienlijk iemand was die het zei, zijn andere mensen het toen gaan nazeggen.

De sms-taal die jongeren onder elkaar gebruiken, is zo bezien alleen maar een voortzetting van een tienduizenden jaren oude traditie. Jongens en meisjes sturen elkaar sms-jes in een nieuwe creatieve taal, die bovendien aan allerlei (weliswaar deels door de techniek opgelegde) beperkingen moet voldoen – een berichtje mag hooguit honderdzestig lettertekens tellen, en je moet precies weten welke woorden en afkortingen je wel of niet mag gebruiken, en je moet het allemaal ook nog eens met taal doen omdat je vooralsnog geen plaatjes gebruiken kan ('No pix, plz.').

De traditionele media waren voor een deel gebaseerd op dezelfde mechanisme. Het schrijven van een sonnet was voor PC Hooft wat het schrijven van een sms-bericht is voor het pubermeisje in de tram. En een paar korte gesprekjes kunnen, mits gevoerd voor het oog van de televisiecamera, van een onooglijk kereltje het middelpunt van de aandacht maken in de buurtwinkel. Net als het sonnet zal ook de sms ooit wel weer verdwijnen, als een nieuwe generatie voelt dat het geen indruk meer kan maken door zijn virtuositeit te tonen, of als de voortschrijdende techniek die virtuositeit overbodig maakt.

Het belangrijkste verschil is dat de nieuwe technieken sneller en toegankelijker zijn. In onze maatschappij kan iedereen op elk moment aan ieder ander een sms-je sturen. Je hoeft er niet zo lang over te doen als over het schrijven van een sonnet en je hebt er niet zoveel middelen voor nodig als om een televisieuitzending te bekostigen. Het taalgebruik is daardoor terug bij af, veel dichter bij de oertoestand: je praat rechtstreeks en intiem met iemand, en kunt met je taal laten zien wie je bent.

Kunstmatige eenheid

Wat betekent dit alles nu voor het Nederlands als cultuurtaal? Misschien betekent het dat ze nog een keer verdwijnt, samen met het Wilhelmus en de Nederlandse vlag. Voor de communicatie op grote schaal kunnen we het Engels gebruiken, en voor communicatie op het kleinere, persoonlijke schaal (van de 'natuurlijke' groep van honderdvijftig mensen) ieder onze eigen groepstaal. Als je met de overheid wil praten, kan dat ook wel in het Engels; als je wilt sms'en, hoef je geen enkele vastomlijnde standaardtaal te gebruiken.

Het Nederlands blijft bestaan zolang de sprekers dat willen. Dat er nu een cultuurtaal is die Nederland en Vlaanderen delen, is waarschijnlijk op den duur niet langer houdbaar: veel Vlamingen laten zich steeds minder gelegen liggen aan de Nederlandse taalontwikkelingen, terwijl omgekeerd Nederlanders zich nooit erg veel hebben aangetrokken van de Vlaamse taal. Twintig jaar geleden hadden allebei de landen maar een paar televisiezenders, en dus schakelden Vlamingen af en toe over naar 'de Hollander' als hun eigen tv niks bood, en Nederlanders omgekeerd naar 'de Belg'. Omdat in allebei de landen inmiddels commerciële televisie is toegestaan, en omdat het door de voortschrijdende techniek steeds goedkoper wordt zo'n zender te onderhouden, kijken de meeste mensen naar hetgeen ze het liefst zien: hun eigen zender in hun eigen taal. Zo wordt het ook steeds goedkoper om boeken te drukken of cd's te branden voor een kleinere markt, zodat de kunstmatige eenheid van een groter gebied technisch niet langer nodig is. In veel Vlaamse babbelboxen worden Nederlanders automatisch geweerd, en het omgekeerde is ook het geval.

De taal van alledag in de twee gebieden groeit dus steeds meer uit elkaar, en het is dan weinig zinnig om nog krampachtig vast te houden aan een eenheidstaal. Op een dag wordt er een Vlaamse minister wakker en ontdekt dat het allemaal veel efficiënter zonder een geldverslindend instituut als de Nederlandse Taalunie kan. Zij belt dan snel haar Nederlandse collega op, om de zaak te beklinken. De twee taalgebieden gaan vriendschappelijk uit elkaar, en wie kennissen aan de andere kant van de grens heeft, zal deze toch nog wel blijven verstaan.

Omgekeerd hebben de laatste jaren enkele Nederlands provinciale besturen zich ingezet voor de erkenning van hun streektalen. Op dit moment heeft de Nederlandse overheid het Limburgs en het Nedersaksisch erkend en is een aanvraag voor het Zeeuws nog in behandeling. Hoewel het hier gaat om een puur symbolische erkenning, is dit een interessante ontwikkeling: cursussen over de dialecten van het Zeeuws kunnen nergens beter worden gemaakt dan in Zeeland. De nieuwe techniek, het internet bijvoorbeeld, maakt het mogelijk zulke cursussen voor weinig geld te maken, en de makers ervan om contacten te onderhouden met collega's in andere regio's. Een paar jaar geleden waren tegenstanders nog bang dat erkenning van bepaalde minderheidstalen ertoe zou leiden dat andere buiten de boot zouden vallen: als je het Limburgs zou erkennen, zou dat de positie van de sprekers van het Heerlens (als 'slecht Limburgs') kunnen schaden. Het omgekeerde blijkt in de praktijk gebeurd te zijn: de lokale bestuurders behandelen alle variatie met tact en zorg, en de enigen die klagen zijn degenen die een 'officieel Limburgs' willen.

Het meisje dat met haar mobieltje in de tram zit, zal het allemaal een zorg zijn. Zij heeft een sms-berichtje gekregen van haar vriendje – een combinatie van letters en pix die behalve het meisje niemand wat zegt, maar ook niemand wat aangaat.

Literatuur

De beginperiode van de telefonische revolutie wordt beschreven in Otto de Wit, Telefonie in Nederland 1877-1940 (Amsterdam, 1998); de artikelen in de door Ludo Beheydt redigeerde bundel Taal en omroep (Den Haag, 1991) geven een beeld van de relatie tussen massamedia en taal. Het artikel 'Het huiskamerexperiment. De relatie tussen taal en schrift is het onderwerp van Florian Coulmas, Writing systems. An introduction to their linguistic analysis (Cambridge, 2003) en Jeanne Kurvers, Met ongeletterde ogen. Kennis van taal en schrift van analfabeten (Amsterdam, 2002). Taal en techniek in de twintigste eeuw' van Marc van Oostendorp (in Peter Burger en Jaap de Jong, Taalboek van de eeuw, Den Haag, 1999) geeft een algemener en populair-wetenschappelijk overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen.

De sms-tekst van de tien geboden komt uit Simon Jenkins, r.father n hvn: up 2 d8 txtx frm d bible (Westminster, 2002); de gedachte dat de neus bedoeld is om een bril vast te houden, komt uit Candide van Voltaire (Ferney, 1759).

Zie over de bijdrage van Aristoteles aan onze visie op taal, bijvoorbeeld, het artikel 'Aristoteles (384-321 v. Chr.)' van Andreas Gräser, in: Tilman Borsche, red., Klassiker der Sprachphilosophie (München, 1995), en voor de ideeën van Noam Chomsky: On nature and language (Cambridge, 2002). Voor de talen zonder naam, zie bijvoorbeeld David Gil, 'A language without a name', op http://monolith.eva.mpg.de/~gil/riau/without-name.html).

Over de gedachte dat taal biologisch verwant is met vlooien schreef de Britse bioloog Robin Dunbar een bekend boek: Grooming, gossip, and the evolution of language (Londen, 1996); de gedachte dat het taalvermogen net als de pauwenstaart mogelijk ontstaan is door sexuele evolutie is gepopulariseerd in het boek The mating mind. How sexual choice shaped human nature (New York, 2000).

De complicaties van het achtervoegsel -er wordt onder andere beschreven in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (Groningen/Deurne, 1997; ook digitaal raadpleegbaar op http://www.kun.nl/e-ans/). Over de taal van de adel, zie Agnies Pauw van Wieldrecht, Het dialect van de adel (Nijmegen, 1995).