Het Nederlands in Europa: hobby of cultureel goed?

Marc van Oostendorp

Dit artikel verscheen in 1997 in Onze Taal.

Op 1 januari 1997 werd Nederland voozitter van de Europese Unie. Toen minister Van Mierlo de Nederlandse plannen voor het voorzitterschap presenteerde, verklaarde hij een nuchtere aanpak na te streven. "We laten onze agenda niet bepalen door onze hobby's," zei hij tegen de internationale pers. Hij zei er niet bij of de positie van het Nederlands binnen de Unie als een hobby moet worden beschouwd.

In ieder geval wordt in de Nederlandse plannen nauwelijks aandacht besteed aan het lot van de kleine en middelgrote talen. Toch staat er dit jaar het een en ander op het spel. Wanneer als afsluiting van het Nederlands voorzitterschap in juni een grote intergouvernementele conferentie in Amsterdam plaatsvindt, zal er ook opnieuw gesproken worden over de status van de kleine en middelgrote talen in Europa.

Elf landen staan op dit moment op de kandidatenlijst om toe te treden tot de Unie. Voorbeelden zijn Polen, Hongarije, Cyprus en Roemenië. Als alle aanvragen gehonoreerd worden, komen er tien talen in de Unie bij. De Europese Unie heeft op dit moment overigens in totaal elf officiële talen en besteedt jaarlijks ongeveer twee miljard gulden aan vertalingen. De roep om een beperking van het aantal officiële talen neemt dan ook alleen maar toe.

Op 14 januari van dit jaar, twee weken nadat Nederland het voorzitterschap op zich nam, besloot de regering van Vlaanderen dat Vlaamse ambtenaren tijdens alle bijeenkomsten van de Unie alleen nog Nederlands zouden spreken. Hoewel deze mogelijkheid sinds jaar en dag bestaat, maken de meeste landen er nauwelijks gebruik van. In de praktijk worden alleen het Frans en het Engels gebruikt, en in een enkel geval het Duits. De Vlaamse eerste minister Van den Brande drong er op aan dat de Nederlandse regering een soortgelijke richtlijn zou uitvaardigen en al tijdens het voorzitterschap het goede voorbeeld zou geven. De Nederlandse premier Kok zei in een reactie dat de Nederlandse regering grote waarde hecht aan het Nederlands, zonder duidelijk te maken op welke manier zij deze waarde zou verdedigen. Een concrete toezegging deed hij niet. Voor zover valt na te gaan heeft Nederland zich in de praktijk ook weinig aan de Vlaamse richtlijn gelegen laten liggen.

Een duidelijker standpunt heeft de Nederlandse regering ingenomen over het Witboek over Onderwijs en Opleiding van de Commissie van de Europese Unie. De voorstellen van deze commissie op het gebied van het taalonderwijs zijn tamelijk radicaal. Elke Europeaan moet drie talen uit de Unie spreken. Dat wil zeggen dat hij of zij er in de regel twee bij moet leren. Het Witboek moedigt onderwijsinstellingen aan om een van die twee talen al vanaf de basisschool aan te bieden. Het wordt zelfs wenselijk genoemd om al tijdens het voorschools onderwijs (met andere woorden: op de kleuterschool) te beginnen met die ene vreemde taal. Op de middelbare school zouden de vreemde talen in het ideale geval ook gebruikt worden in het onderwijs in vakken als biologie en aardrijkskunde. Scholen die zulke lessen aanbieden, en die bovendien leraren uit andere landen van de Unie in dienst nemen, zouden een 'kwaliteitsmerk Europese School' kunnen verdienen.

De lidstaten zijn het er nog niet over eens welke twee talen er onderwezen zouden moeten worden. Volgens sommige grote landen dient er een keuze gemaakt te worden uit de drie grote talen Frans, Duits en Engels. De Nederlandse minister van Onderwijs Ritzen heeft daarentegen voorgesteld om een buurlandenpolitiek uit te werken: op elke school in elk land zouden twee talen van buurlanden onderwezen moeten worden. Voor de Nederlandse scholen is er uiteraard geen verschil tussen de twee beleidslijnen. De te kiezen talen zouden hier precies dezelfde zijn. Ritzens voorstel maakt het wel makkelijker en aantrekkelijker voor scholen in West-Duitsland en Noord-Frankrijk om Nederlandse les te geven. Het is echter twijfelachtig of het voorstel een kans heeft, gezien de houding van de grote landen. Ook is het niet duidelijk of de zaak voor de Nederlandse regering belangrijk genoeg is om er een heet hangijzer van te maken.

In de zomer van 1995 organiseerde de Taalunie een conferentie over de veeltaligheid in Europa. Het verslag van die bijeenkomst verscheen onlangs onder de titel Grenzen aan veeltaligheid? bij Uitgeverij Sdu. Dat dit boek verscheen tijdens het Nederlands voorzitterschap is waarschijnlijk geen toeval. Onder andere is de toespraak na te lezen die de Nederlandse staatsecretaris van Buienlandse Zaken Patijn hield. De laatste zin die hij tijdens die conferentie uitsprak, was idealistisch: 'De taalkundige verscheidenheid van Europa is zijn grootste culturele goed en zo moet het blijven.' Hopelijk heeft de regering ook voor die gedachte een plaats in haar agenda.

Grenzen aan veeltaligheid? Taalgebruik en bestuurlijke doeltreffendheid in de instellingen van de Europese Unie. Verslag van de Algemene Conferentie van de Nederlandse Taal en Letteren 1995. Sdu Uitgevers, Den Haag 1997.