Erken het Zeeuws

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in op 21 januari 2001 in NRC Handelsblad)

Nederland krijgt er steeds meer talen bij. Het Fries, het Nedersaksisch en het Limburgs werden in de jaren negentig door de Nederlandse regering erkend volgens het Europees Handvest voor Regionale Talen en Talen van Minderheden. Vorig jaar diende de provincie Zeeland een aanvraag in voor erkenning voor het Zeeuws. Staatssecretaris Gijs de Vries van Binnenlandse Zaken neemt binnenkort een beslissing over deze aanvraag. Hij heeft hierover advies gevraagd aan de Nederlandse Taalunie. Dit advies was negatief, maar volgens mij kan de staatssecretaris weinig doen dan de gevraagde erkenning toch geven.

In de eerdere gevallen van het Nedersaksisch en het Limburgs heeft de regering de aanvraag inhoudelijk steeds marginaal getoetst. Dat is ook terecht. Over de vraag of een bepaalde variant een dialect is of een zelfstandige taal kun je wetenschappelijk weinig zeggen; dat is vooral een politiek vraagstuk. De definitie van het Europees Handvest komt erop neer dat een regionale taal 'voldoende' moet verschillen van de officiële taal van het land. De taalkundige kan eventueel zeggen hoeveel twee taalsystemen van elkaar verschillen, en bijvoorbeeld dat de situatie van het Zeeuws sterk lijkt op die van het al erkende Nedersaksisch, maar nooit of dit verschil 'voldoende' is. Daarover moet de democratie beslissen. Een taal is een taal als de sprekers van die taal dat willen – en ze voldoende anderen van hun standpunt kunnen overtuigen.

Het Fries heeft bij de eerdere besluitvorming een hogere mate van erkenning gekregen ('volgens deel III' van het Handvest) dan de andere twee ('volgens deel II'). Waar de erkenning van het Nedersaksisch en het Limburgs vooral een symbolische functie heeft, houdt de erkenning van het Fries een pakket aan maatregelen in over onder meer de omroep en het onderwijs. De erkenningsaanvraag van het Zeeuws gaat ook over het bescheidener deel II.

Anders dan in eerdere gevallen heeft de Nederlandse regering nu om advies gevraagd aan de Nederlandse Taalunie, de overheidsinstelling die het gezamelijke Vlaams-Nederlandse beleid op het gebied van taal en letteren dient uit te voeren. Dit advies is negatief. De reden daarvoor is niet dat men op de een of andere manier tot de conclusie is gekomen dat het beleid in het Nedersaksische en het Limburgse negatief is uitgepakt. Voor zover bekend is het tegendeel eerder het geval: de betrokken provincies hebben de erkenning aangegrepen om zich actief in te zetten voor de streektaal. Het argument van de Taalunie is dan ook eerder quasi-taalkundig: ze is 'niet overtuigd' dat het Zeeuws de status van taal verdient.

Dit argument verdoezelt dat de discussie eigenlijk gaat tussen twee soorten beleid voor bescherming van de traditionele streektalen: een centralistisch beleid waarin alles wordt geregeld vanuit de kantoren van de Taalunie in Den Haag, of een beleid waarin een en ander wordt gedelegeerd aan de provincies en andere lokale autoriteiten. Het Taaluniebeleid is op dit moment, hoewel het al jaren wordt aangekondigd, nog geheel niet van de grond gekomen. Je kunt je bovendien afvragen of een bureaucratisch apparaat als de Taalunie wel de eerst aangewezen instantie is om dit soort beleid naar zich toe te trekken. Er lijkt me alle reden om de provincie Zeeland een kans te geven.