Dialect op de Nederlandse universiteit

Marc van Oostendorp

Dit artikel verscheen in het dialectnummer van het tijdschrift Alledaagse Dingen (februari 2005)

Wie zei er dat het dialect uitgestorven was? Als je de weg weet, kan in Nederland aan de universiteit een cursus Gronings volgen, of een cursus Limburgs. Je kunt thuis via het internet in databases snuffelen, of contact zoeken met onderzoekers, bijvoorbeeld om hen verder te helpen met het onderzoek. Het dialect is volgens sommigen op sterven na dood -- maar het wetenschappelijk onderzoek ernaar bloeit.

Er zit voor sommigen een bittere nasmaak aan die belangstelling. Vroeger, toen het dialect nog volop gesproken werd, zagen sommige geleerden de volkstaal als te plat en te onbehouwen om wetenschappelijke studie te rechtvaardigen. Pas nu ze verdwijnt begint men de waarde ervan in te zien; en probeert men ijlings vast te leggen wat vroeger in veel ruimer mate voorhanden was. Bovendien is de situatie ook niet overal onverdeeld gunstig. Er is bijvoorbeeld op dit moment in heel Nederland geen enkele universitaire studierichting die een grote component dialectonderzoek aanbiedt. Her en der worden wel cursussen aangeboden, maar tot dialectwetenschapper kun je nergens meer worden opgeleid.

Als we het Fries en de Friese dialecten buiten beschouwing laten --- die worden bestudeerd en onderwezen aan de Fryske Akademy in Leeuwarden en de universiteiten van Amsterdam en Groningen ---, zijn er in Nederland twee grotere wetenschappelijke centra voor het dialectonderzoek (of 'dialectologie', zoals het vak in de wetenschap genoemd wordt): de Radboud Universiteit in Nijmegen en het Meertens Instituut in Amsterdam. Maar ook op de universiteiten van Leiden, Groningen en Tilburg wordt onderzoek gedaan naar de schat die de Nederlandse dialecten zijn. En eigenlijk vind je op elke universiteit waar taalwetenschappers werken, wel iemand die op de een of andere manier de dialecten aan het bestuderen is.

Radboud Universiteit

Nijmegen is al meer dan veertig jaar de stad van de dialectwoordenboeken. De emeritus hoogleraar A.A. Weijnen (geboren in 1910) is daarvoor verantwoordelijk geweest. Onder zijn leiding begon men in de vroege jaren zestig met het werk aan het Woordenboek van de Brabantse Dialecten en het Woordenboek van de Limburgse Dialecten. Deze woordenboeken zijn nu binnenkort voltooid, voor zover het mogelijk is ooit een woordenboek helemaal af te maken. In 2002 is het werk begonnen aan een nieuw ambitieus project: het Woordenboek van de Gelderse Dialecten. Bovendien wordt via het internet steeds meer van het ruwe materiaal dat als de basis van de woordenboeken gediend heeft ter beschikking heeft aan iedereen die daar belangstelling voor heeft. Het vereist wat oefening om precies te weten te komen hoe je moet zoeken, maar dan kun je ook heel veel vinden.

Nijmegen is ook de enige plaats met een (gewoon, voltijds) hoogleraar die de dialectologie tot zijn officiële takenpakket rekent: prof. dr. Roeland van Hout is inmiddels alweer de opvolger van de opvolger van Weijnen. Het onderwijs dat hij en andere dialectonderzoekers geven is ingebed in een studie Taalwetenschap.

Meertens Instituut

Het Amsterdamse Meertens Instituut is een onderzoeksinstelling: de medewerkers van het instituut geven bijna geen onderwijs, tenzij ze in deeltijd aan een universiteit verbonden zijn. Dit geldt voor de directeur van het instituut, prof. dr. Hans Bennis, die een dag in de week per week verbonden is aan de Universiteit van Amsterdam, en voor prof. dr. Frans Hinskens, die een dag in de week werkt op de Vrije Universiteit Amsterdam. Samen met hun collega's geven ze ook een cursus die aan de studenten van die twee universiteite wordt aangeboden.

Terwijl de Nijmeegse onderzoekers zich vooral bezighouden met de woordenschat, richten de onderzoekers van het Meertens Instituut zich vooral op de systematische verschillen in uitspraak en grammatica tussen Nederlandse dialecten. De komende jaren verschijnen hier de delen van de Morfologische Atlas (over woordbouw) en de Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten (over zinsbouw). Alle materiaal dat hiervoor verzameld wordt verschijnt bovendien dezer dagen op de website van het instituut.

Overigens werken de Radboud Universiteit en het Meertens Instituut ook samen, bijvoorbeeld in een project met de futuristische titel 'MultiMedia Dialect Database', waarin tientallen uren bandopnamen van gesprekken in allerlei dialecten op zo'n manier in de computer worden ingevoerd dat er gemakkelijk in kan worden gezocht. Al dat materiaal zal hopelijk ook ooit via internet beschikbaar komen voor iedereen die het horen wil.

Andere universiteitssteden

Een andere belangrijke stad voor het dialectonderzoek in Nederland is Groningen. De Rijksuniversiteit daar herbergt het Nedersaksisch instituut dat onderzoek doet naar de dialecten van Groningen, Drenthe, Overijssel, de Stellingwerven (in Fryslân) en de Achterhoek. De streektaalfunctionaris van de provincie Groningen, prof. dr. Siemon Reker, is aan dit instituut verbonden als bijzonder hoogleraar Groninger taal en cultuur, en geeft een populaire cursus 'Kennismaking met een dialect: het Gronings' (die overigens ook door zogenoemde contractstudenten van buiten de universiteit kan worden bezocht).

Voor universitair onderwijs over het Limburgs kan de geïnteresseerde verrassend genoeg in Leiden terecht: bij de vakgroep Vergelijkende Taalwetenschap doceert dr. Michiel de Vaan daar een cursus 'Limburgs: structuur en geschiedenis van het dialect' die ook openstaat voor contractstudenten. De Vaan doet ook onderzoek naar de Limburgse dialecten, maar hij is daar zeker niet alleen in: het is niet overdreven om te zeggen dat het Limburgs momenteel tot de best bestudeerde dialectgroepen van ons taalgebied behoort. Behalve in de genoemde plaatsen zijn ook aan de universiteiten van Amsterdam (dr. Paul Boersma), Utrecht (dr. Bert Peeters) en Tilburg (dr. Ben Hermans, dr. Sjaak Kroon, dr. Marc Swerts, prof. dr. Ton Vallen) bezig met precies dit dialect te bestuderen.

Het is moeilijk te verklaren waarom nu juist de Limburgse dialecten zo enorm in de belangstelling staan. Voor een deel is het misschien toeval: over een paar jaar staat er wellicht een nieuwe generatie onderzoekers op die interesse ontwikkelt voor het Zeeuws of het West-Fries. Want vanuit een wetenschappelijk oogpunt zijn álle Nederlandse dialecten interessant, en de moeite van het bestuderen waard.