Dialecten als het product van spanning

Taalkundig onderzoek op het Meertens Instituut

Marc van Oostendorp

Artikel voor Onze Taal (december 2010).

Een taalkundige van het Meertens Instituut pik je er zo uit. Het is de enige van het gezelschap die opgetogen reageert als je tegen hem of haar zegt: “Ik denk dat hij voor drie uur de wagen gemaakt hebben moet.” Die zin eindigt op drie werkwoorden: gemaakt, hebben en moet. Logischerwijs kun je die drie werkwoorden op zes verschillende manieren achter elkaar zetten:

        1. moet hebben gemaakt

        2. moet gemaakt hebben

        3. gemaakt hebben moet

        4. gemaakt moet hebben

        5. hebben moet gemaakt

        6. hebben gemaakt moet

Veel van die volgordes worden wel ergens in een variëteit van het Nederlands gebruikt. De gebruikelijkste vorm in de standaardtaal is misschien nummer 4, maar volgorde 1 komt ook veel voor, bijvoorbeeld in het midden van Nederland en in Limburg. Volgorde 2 vinden we vooral in Vlaanderen, en volgorde 1 in het noorden van Nederland. Alleen volgorde 5 en 6 ontbreken (bijna) geheel.

De afgelopen vijftien jaar hebben Nederlandse onderzoekers veel onderzoek gedaan naar dit soort subtiele verschillen in zinsbouw. Eigenlijk werd zo’n vijftig jaar geleden al beweerd dat  Nederlandse dialecten op dit vlak niet meer zouden verschillen; er was natuurlijk uitspraakvariatie en ook gebruikte men misschien in het ene dorp wel net een wat ander woord om een vogeltje te beschrijven dan in het andere, maar de grammatica was toch eigenlijk wel overal een beetje anders. De onderzoekers die eind jaren negentig begonnen met hun werk aan de Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten, overigens in samenwerking met onder andere de universiteiten van Gent en Leiden, ontdekten dat het anders lag. Er vallen wel degelijk duidelijke kaartjes te tekenen van dit soort verschillen op basis van gegevens van rond de eeuwwisseling.

Waarom zou je je met zoiets bezighouden? Onderzoekers van het Meertens Instituut worden niet alleen maar gegrepen door de mooie kleuren op zo’n plaatje, of door de gedachte dat er zoveel meer mogelijk is. Ze menen dat al die variatie is een sleutel is tot meer begrip – meer begrip van het Nederlands, en uiteindelijk ook van het verschijnsel menselijke taal.

Het is een van de kenmerkende eigenschappen van taal dat ze almaar verandert. Er is geen enkele levende taal bekend die over een zeer lange tijd stabiel is gebleven. Er gebeurt altijd wat: dan weer wordt de ene klank vervangen door de andere, en dan weer begint iemand de woorden in een net wat andere volgorde te plaatsen. Ook kent iedere taal variatie: niemand praat precies hetzelfde als een ander. Ieder van de zeven miljard bewoners van deze aarde is minstens even herkenbaar aan zijn taalgebruik als aan zijn vingerafdruk. Soms verspreidt een nieuwe variëteit zich, en als dat in een bepaald dorp of een bepaalde streek gebeurt, ontstaat zo langzaam maar zeker een dialect. Tegelijkertijd zijn er grenzen aan die variatiemogelijkheden. Wat er ook gebeurt, de volgordes in 5 en 6 worden niet gecreëerd. Op de een of andere manier wordt het te ingewikkeld als hebben voorop komt te staan.

Er is dus variatie in gebondenheid: er kan van alles, maar niet alles kan in taal. Dat komt waarschijnlijk doordat menselijke taal een samenspel is van het individuele en het sociale, van de menselijke natuur en de menselijke cultuur. Sociale groepen en culturen zijn doorlopend in verandering. Waarom dat precies zo is, weet niemand, maar de regels van het sociale spel en daarmee ook van de taal veranderen in iedere samenleving voortdurend. Misschien komt het doordat er doorlopend nieuwe individuen op het toneel verschijnen – de jongeren die zich op de een of andere manier willen laten gelden en zich ook in hun taalgebruik onderscheiden van eerdere generaties; misschien komt het doordat het leren van taal zo’n ingewikkelde opgave is dat er af en toe iets ‘mis’ gaat, zodat een nieuwe generatie anders praat dan de vorige. Hoe het ook zij, het feit dat taal zo veranderlijk is en zoveel variatie vertoont komt voort uit de veranderlijke manier waarop mensen de hele tijd op elkaar reageren.

De grenzen aan de variatie moeten anderzijds voortkomen uit de grenzen van het individu. Het menselijk brein kan bijvoorbeeld niet alles even gemakkelijk accepteren. Sommige veranderingen zijn kansloos.

Al het onderzoek op het Meertens Instituut gaat op de een of andere manier over dit spanningsveld tussen veranderlijkheid en stabiliteit, tussen individu en samenleving. Zo voeren Frans Hinskens en  Wilbert Heeringa een project over de manier waarop zogenoemde ‘regiolecten’ lijken te ontstaan in Nederland – taalvormen die niet zoals vroeger vooral beperkt waren tot een dorp of stad maar een grotere regio bestrijken. Zo onderzoeken Ben Hermans en Gertjan Postma de manier waarop het Nederlands zich in het verleden ontwikkeld heeft. Zo onderzoeken Sjef Barbiers en Meertens-directeur Hans Bennis de grenzen van variatie in zinsbouw waarvan het woordvolgordeprobleem hierboven een voorbeeld is, terwijl Marc van Oostendorp iets soortgelijks doet voor de klankstructuur van de Nederlandse dialecten. Leonie Cornips richt zich in haar onderzoek de laatste jaren vooral ook op nieuwere vormen van het Nederlands, zoals die bijvoorbeeld onder jongeren ontstaan, en de invloed die talen van migranten hebben op onze taal.

Van oudsher wordt hiernaast ook meer praktisch werk gericht. De afgelopen jaren zijn bijvoorbeeld verschillende wetenschappelijke atlassen verschenen onder auspiciën van het instituut – de bovenstaande kaart is daar een voorbeeld van. In 2011 verschijnt een publieksatlas waarin de belangrijkste resultaten nog eens voor een breder publiek toegankelijk worden gemaakt, onder hoofdredactie van Meertens-medewerkster Nicoline van der Sijs. Ook is begin dit jaar een begin gemaakt met het zogenoemde ‘Taalportaal’-project, waarin wordt gewerkt aan een grootschalige beschrijving van alle aspecten van de grammatica van het (standaard-)Nederlands. Dit wordt als alles goed gaat de grootste en uitgebreidste grammatica die er van enige taal ter wereld bestaat.

En zo bestaat er ook in het werk van de onderzoeker op het Meertens Instituut altijd enige spanning, namelijk tussen de grootse vragen die hem bezighouden en de alledaagse details die hij gebruikt om inzicht te krijgen in die grote vragen. Zulke spanning leidt hopelijk uiteindelijk tot inzichten in hoe de taal werkt. De Nederlandse taal bloeit en wordt daarom in miljoenen vormen gesproken. De onderzoeker van het Meertens Instituut kun je makkelijk herkennen: het is degene die zich in ieder van die vormen verheugt.