52 weetjes over Nederlandse dialecten

Marc van Oostendorp

(Deze stukjes verschenen eerder als de dialectendag op de Taalkalender 2001; zie ook de Dialectendag 2000)

Waarvan is Achterhoekse brokkebonensoep gemaakt?

Brokkebonen is een Achterhoekse benaming voor snijbonen. De soep waarin men die snijbonen verwerkt, is in de Achterhoek zo bekend geworden dat hij ook andere namen heeft: humkessoep en slevensoep.

Nederland is geen land dat bekendstaat om zijn grote kooktraditie. Er lijkt dan ook weinig reden te zijn voor grote nostalgie over het verloren gaan van plaatselijke keukens. Toch zijn er her en der nog wat gebieden waar mensen zich inzetten voor het behoud van traditionele gerechten. En zo kun je op verschillende plaatsen in de Achterhoek niet alleen nog steeds brokkebonensoep bestellen, maar ook kruudmoos (een stevige karnemelkse gortenpap met spek) en riefpannekoke (aardappelpannenkoeken).

Waar gaat men óp zijn overhemd naar buiten?

In de Gelderse Vallei en in minstens één gezin in Leiden zegt men 'op je overhemd naar buiten gaan' in plaats van 'in je overhemd naar buiten gaan'. Datzelfde voorzetsel op wordt trouwens ook gebruikt bij andere kledingstukken die de bovenkant van het lichaam bedekken: 'op je jurk', 'op je vest', 'op je schort', 'op je jas'. Maar 'op je broek naar buiten gaan' is ook in Veenendaal en omstreken onmogelijk.

Het opmerkelijke gebruik van op is in Leiden waarschijnlijk voor het eerst opgemerkt toen iemand de dialectoloog W. van Anrooij opmerkzaam maakte op het feit dat hij een 'nogal eigenaardige constructie gebruikte'. Van Anrooij was geboren en getogen in Zuid-Holland, maar zijn moeder kwam uit Veenendaal en bleek alle leden van het gezin 'besmet' te hebben met het vreemde voorzetsel.

Wie was in 1998 'inne nuuje Limburgse jong veur de Twiëde Kamer'?

Camiel Eurlings was 'inne nuuje Limburgse jong veur de Twiëde Kamer'. Bij de vorige verkiezingen voor de Nederlandse Tweede Kamer, in 1998, stond het CDA er niet best voor. De partij had veel stemmen verloren en het zag er niet naar uit dat ze deze snel terug zou winnen. Vooral in de zuidelijke provincies van Nederland ging het slecht. De kiezers hadden zich niet herkend in eerdere protestantse lijsttrekkers zoals Brinkman en Heerma, en zagen ook niet veel in de weliswaar katholieke maar toch ook wel erg Noord-Nederlandse Jaap de Hoop Scheffer.

Het jonge kandidaat-Kamerlid Eurlings uit Valkenburg (24 jaar oud ten tijde van de verkiezingen) voelde de tijdgeest goed aan en voerde zijn campagne in Limburg deels in de eigen streektaal. Met succes: met een groot aantal voorkeursstemmen haalde hij de Kamer.

Wanneer staat in het Westland 'de stiem op de ruiten'?

In het Westland staat 'de stiem op de ruiten' als er voldoende koeien in de stal staan. De lichaamswarmte van de beesten zorgt er dan voor dat de ruiten beslagen raken. Die wasem noemt men in het Westland stiem; het woord is verwant aan het Engelse steam en indirect aan het Nederlandse stoom.

Ook in de Westlandse keukens kan het waarschijnlijk behoorlijk stiemig worden. Een moderne oplossing voor dit probleem is de afzuigkap, maar in de tijd dat dit apparaat nog niet was uitgevonden zorgde men soms voor een apart afvoergat boven de kookplaats (los van het rookkanaal boven de schoorsteen): zo'n afvoer noemde men een stiemkanaal.

Wanneer houdt een West-Fries van Iefie en Aafie?

Een West-Fries houdt van Iefie en Aafie als hij niet van de meisjes af kan blijven en meer dan één vriendinnetje heeft. Iefie en Aafie zijn allebei West-Friese meisjesnamen, die vroeger in Noord-Holland tamelijk populair moeten zijn geweest; ze zijn verwant aan de Friese namen Iefke en Aafke.

Die verwantschap is geen toeval, net zomin als het toeval is dat de naam van het noordelijke deel van Noord-Holland West-Friesland is. Eeuwen geleden was dit inderdaad Fries gebied, en zowel in de streektaal als in de namen zie je hier soms nog sporen van. De laatste tijd wordt er in West-Friesland zelfs steeds meer nadruk op die verwantschap gelegd, hoewel dat voorzover bekend nog niet heeft geleid tot een toename van het aantal Iefies en Aafies.

Waardoor wordt het geregeld 'lös weer' in Nebraska?

Bij verschillende winkels in Groningen is een 'Groningse barometer' te koop, waarop een weersvoorspelling in het Gronings kan worden afgelezen: 'arge störm, swoar weer, veul wind of regen, lös weer, veraanderliek, goud weer, warm weer, dreug, hail dreug'.

De producent van de barometers, Hugo Schockman, wordt regelmatig benaderd met verzoeken van mensen die een barometer mee willen nemen naar hun Groningse familie in de Verenigde Staten of in Canada. Wat is er nu een beter souvenir van je geboortegrond dan een instrumentje dat je doorlopend in je moedertaal over het weer informeert? Toch raadt Schockman zijn klanten een dergelijk cadeautje af: ' 'Zo'n barometer doet het over het algemeen uitstekend op het vlakke land, maar bij al te grote hoogteverschillen is dat anders. En zo'n vliegreis is natuurlijk helemaal niet bevorderlijk'', zei hij tegen het Nieuwsblad van het Noorden.

Rukt het 'Schoon Vlaams' op?

Volgens de emeritus hoogleraar Jan Goossens rukt het 'Schoon Vlaams' inderdaad op. In een artikel in het tijdschrift Ons Erfdeel constateerde hij dat er in Vlaanderen langzaam maar zeker een nieuwe omgangstaal ontstaat, die hij, in navolging van een gangbare Vlaamse uitdrukking, 'Schoon Vlaams' noemde. De taal is geen plaatselijk dialect, geen Standaardnederlands, maar een tussenvorm van die twee. De verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden is er bijvoorbeeld anders dan in de standaardtaal: 'die schoon tafel', 'die groten aap', 'mijn stijf hand'.

De verandering is al meer taalbeschouwers opgevallen en heeft ook al meer namen gekregen. De journalist Geert Van Istendael bijvoorbeeld spreekt in dit verband van verkavelings-Vlaams. Waarschijnlijk zijn er twee oorzaken aan te wijzen voor het oprukken van het 'Schoon Vlaams'. In de eerste plaats is Vlaanderen in politiek opzicht een steeds zelfstandiger eenheid geworden binnen België; de Vlamingen zijn daardoor zelfbewuster geworden, en dat drukken ze uit in hun taal. In de tweede plaats worden de gevolgen van de Europese eenwording ook in Vlaanderen steeds duidelijker. Als reactie daarop trekt men zich terug in een taal die aan de ene kant voldoende eigen is, maar aan de andere kant ook weer niet beperkt is tot de eigen buurt of stad.

Wat is er bijzonder aan het dialect van Oeteldonk?

Den Bosch heet met carnaval Oeteldonk; de lokale traditie wil dat deze plaatsnaam zoiets betekent als 'droge plaats voor de kikkers'. De meeste hedendaagse Oeteldonkse folklore stamt uit de negentiende eeuw en is bedacht door plaatselijke notabelen die het lokale volksfeest op een hoger plan wilden brengen; tegelijkertijd moest ze de eigenheid van het Bossche carnaval bevestigen.

Zo ontstond het idee dat Oeteldonk een parodie moest worden op de omliggende Meijerijse dorpen. Oeteldonk werd zelf een dorp, met een boerse burgemeester en veldwachter, een volk in boerenkielen, en een eigen taaltje waarin allerlei woorden waren opgenomen die in het Bossche stadsdialect niet (meer) voorkwamen, maar in de omliggende dorpen nog wel: een meisje werd bijvoorbeeld 'durske' genoemd, hoewel men in Den Bosch meestal 'mèske' zei.

Veel tradities zijn in die tijd vastgelegd. Nog steeds lopen met carnaval veel mensen in Den Bosch in boerenkielen, en de 'hoogwaardigheidsbekleders' van het carnaval hijsen zich in negentiende-eeuwse dracht. Ook toespraken en andere 'officiële' teksten worden nog steeds in het Oeteldonks geschreven — een imitatie van een negentiende-eeuws plattelandsdialect in een eenentwintigste-eeuwse stad.

Alle lolletjes in de luch. Uit welk dialect komt deze uitdrukking?

De TROS zendt op gezette tijden een spelletjesprogramma uit dat 'Watte?' heet. Enkele min of meer bekende Nederlanders uit verschillende streken van het land zeggen ieder op hun beurt een woord in hun eigen dialect, waarna de anderen moeten raden wat dit woord betekent.

Het gaat niet alle deelnemers even gemakkelijk af om dialect te spreken. Soms moeten ze hun toevlucht nemen tot een noodgreep. Een van de deelneemsters, afkomstig uit de Betuwe, zat bijvoorbeeld een keer grapjes te maken met de andere spelers. Toen ze weer ter zake wilde komen, begon ze: ' 'Alle gè...''. Je zag haar aarzelen: 'alle gekheid op een stokje', was dat niet erg Hollands? Razendsnel herstelde ze zich en zei ze: ' 'Alle lolletjes in de luch.''

Voorzover bekend is alle lolletjes in de luch geen bestaande uitdrukking in de Betuwse dialecten. Dat zou het wel kúnnen zijn: het is bijvoorbeeld heel gebruikelijk in deze dialecten om een t aan het eind van een woord als lucht weg te laten. Bovendien is het een beeldender en — met die allitererende l — ook welluidender uitdrukking dan alle gekheid op een stokje.

Worden de Engelse woorden bus en club in het Vlaams anders uitgesproken dan in het Zeeuws-Vlaams?

De Vlaamse dialectonderzoeker Johan Taeldeman deed uitgebreid onderzoek in Zeeuws-Vlaanderen en in de aangrenzende gebieden in Oost-Vlaanderen. Hij constateerde toen dat er taalkundig eigenlijk geen verschillen zijn tussen de dialecten in deze gebieden: ze moesten als één dialectgebied beschouwd worden.

Later kwam hij ten dele van deze bewering terug. Er was wel degelijk een verschil waaraan je precies kon horen of je in Nederland of in België was. Dat was de uitspraak van Engelse leenwoorden zoals bus en club. Waar men in de dialecten in het noorden deze woorden uitsprak met een u-klank (die het Engels benadert), hield men in (Oost-)Vlaanderen vast aan een 'Franse' uitspraak van deze woorden: [buus], [kluup]. De dialectgrens lag in deze gevallen precies langs de grens van Nederland en Vlaanderen.

Hoeveel geestelijk leed veroorzaakt 'pijn in de kuit' in de Peel?

Er zijn nogal wat dialecten waar pijn klinkt als [pen], puin als [pun] en pauk als [pahk]. Het Haags is het bekendste voorbeeld, maar ook bijvoorbeeld in de Peelstreek komt een dergelijke uitspraak voor.

In een van deze Peelgemeentes vestigt zich een nieuwe dorpsarts. Hij komt uit de Randstad (maar niet uit Den Haag) en neemt zich voor zich zo goed mogelijk aan te passen aan de plaatselijke gewoontes. Toch duurt het een tijdje voor de eerste patiënt zich aandient, een dame. Zij klaagt omdat ze zo'n pijn heeft in haar kuit. Of de dokter niet even wil kijken. Daar kijkt de arts toch wel even van op, maar hij vermant zich en besluit haar aan een onderzoek te onderwerpen. Woedend verlaat de vrouw even later de wachtkamer. Nooit zal deze verdorven stadse dokter nog patiënten krijgen.

Hoe spel je schaap in de meeste dialecten?

De officiële erkenning van allerlei streektalen — Limburgs, Nedersaksisch, Zeeuws — veroorzaakt in ieder geval een groeiende belangstelling voor standaardisering van die dialecten. Veel mensen hebben nu eenmaal het gevoel dat een échte taal op zijn minst een woordenboek, een grammatica en een spellingregeling moet hebben.

In Nederland ontaarden discussies over spelling meestal in luid gekrakeel. Ook mensen die in streektalen geïnteresseerd zijn, ontkomen daar niet aan. Een heet hangijzer is bijvoorbeeld de klank die halverwege de Nederlandse [aa] en de Nederlandse [oo] ligt. Veel dialecten in het Nederlandse taalgebied kennen die klank, en er zijn verschillende spellingen voor in omloop: schaop, schoap, schôôp en nog een paar. Een buitenstaander zou misschien zeggen dat het niet uitmaakt hoe je zo'n klank schrijft, als iedereen het maar op dezelfde manier doet. Voor de liefhebber ligt dit niet zo eenvoudig. De afgelopen jaren zijn verschillende pogingen om dialectwoordenboeken samen te stellen of te komen tot een spellingafspraak gestrand op emotioneel beleden onenigheid over dit soort kwesties.

Waarom is het Limburgs een taal en het Brabants een dialect?

Een aantal jaar geleden ondertekenden enkele Europese landen een handvest voor de erkenning van 'regionale minderheidstalen', niet-officiële talen die van oudsher in een bepaald gebied in Europa gesproken werden. Ook Nederland ondertekende het verdrag, in eerste instantie vooral met het oog op de erkenning van het Fries. België daarentegen tekende het verdrag niet, waarschijnlijk omdat de regering vond dat de taalsituatie in het drietalige land al ingewikkeld genoeg was.

Het duurde niet lang of men ontdekte dat de richtlijnen in het handvest ruim genoeg waren om er ook andere streektalen onder te laten vallen. In Duitsland werd bijvoorbeeld het Nederduits voorgedragen, een groep dialecten die sterk lijkt op de Nedersaksische dialecten van de Achterhoek en van de provincies Groningen, Drenthe en Overijssel. Toen kon ook het Nedersaksisch niet achterblijven. In Nederlands Limburg ontstond vervolgens een lobby om te komen tot erkenning van de 'eigen' taal. Ook het Limburgs werd vervolgens door de Nederlandse regering erkend. Het Zeeuws volgt misschien dit jaar.

Noch in de Nederlandse provincie Noord-Brabant noch in de Vlaamse provincie Brabant is er een dergelijke beweging ontstaan. Kennelijk heeft men daar minder behoefte aan dit soort erkenning. Dat is dan waarschijnlijk ook de enige reden waarom het Brabants niet erkend is. De Europese richtlijnen zijn waarschijnlijk ruim genoeg om ook erkenning van het Brabants mogelijk te maken.

Waarmee zijn jonge mensen bezig die in Sint-Kwintens-Lennik mê struu in den bek lopen?

 

Hoe ontstaat een uitdrukking? Iemand bedenkt een aardige vergelijking en andere mensen nemen hem over. Hoe treffender de vergelijking, des te meer mensen kennen hem, zou je hopen. Want soms vind je ineens ergens een uitdrukking die het waard zou zijn veel algemener gebruikt te worden.

Sint-Kwintens-Lennik is een dorp in Vlaams-Brabant. Van jonge mensen met trouwplannen wordt er gezegd dat ze mê struu in den bek lopen 'met stro in de bek lopen'. Die uitdrukking komt van de vogeltjes — als die met stro in de bek rondvliegen, zijn ze immers bezig een nestje te bouwen. Zo'n vergelijking is een klein sieraad en je vraagt je af hoe lang het moet duren tot zo'n uitdrukking Standaardnederlands wordt.

Wanneer kreeg men in de gemeenteraad van Hoogeveen boekpien?

Toen de gemeenteraad van Hoogeveen een tijdje geleden voor één keer in het Drents vergaderde, veroorzaakte dat volgens een journalist van de Drentse Courant eerst wat ' 'besmuikt gegrinnik'', maar na een een tijdje raakte men eraan gewend. Alleen moest er af en toe nog wel een Drents woord worden toegelicht, bijvoorbeeld ten behoeve van burgemeester Urlings, een Brabander. Toen het raadslid Benjamins zei dat hij 'boekpien' kreeg van een voorstel van burgemeester en wethouders, moest hij nog even nader verklaren dat hij hier doelde op buikpijn.

De journalist van de Drentse Courant viel het verder op ' 'dat mensen die van hun stuk worden gebracht snel weer van Drents op Nederlands overschakelen''. Dat is waar — in de raadszaal. Drents spreken in zo'n plechtige en officiële omgeving is dus zelfs voor moedertaalsprekers ongebruikelijk. In die omstandigheden is men nu eenmaal gewend zijn geachte collega's aan te spreken in de standaardtaal.

' 'Wangt ouwe Frangs, die gaf sen Gangs.'' Welk dialect schreef Bredero?

Het gedicht 'Boeren Geselschap', waaruit de regel ' 'Wangt ouwe Frangs, die gaf sen Gangs'' ( 'want oude Frans, die gaf zijn gans') komt, speelt zich af in Vinkeveen, een dorpje in de buurt van Weesp. We mogen aannemen dat Bredero zijn best heeft gedaan om het plaatselijke dialect zo goed mogelijk te imiteren. Voorzover we weten had deze zeventiende-eeuwse dichter een zeer goed oor voor taalverschillen.

Het opvallendst aan deze regel is dat de n na een a steeds veranderd is in een ng: wangt, Frangs, gangs. Ook Bredero's zeventiende-eeuwse collega-schrijvers lieten hun personages [hangd] zeggen in plaats van [hand] als ze hen als Noord- of Zuid-Hollandse boeren wilden typeren. Het moet dus een wijdverbreid verschijnsel zijn geweest.

In het proefschrift van de bekende dialectwetenschapper Jo Daan uit 1950 wordt beschreven hoe indertijd heel oude inwoners van Wieringen nog [wangt] zeiden. Tegenwoordig hoor je die veranderde klank nergens meer in Holland, al hebben dialectologen haar in de afgelopen tien jaar nog wel in een paar andere plaatsen opgetekend, zoals in Bunschoten-Spakenburg. Een spreekwijze die ooit heel wijdverbreid moet zijn geweest, is bijna definitief verdwenen.

Wat hebben de Groningse woorden tjaalmen, tjoegel, tjingeln en tjoop met elkaar gemeen?

De Groningse woorden tjaalmen, tjoegel, tjingeln en tjoop hebben natuurlijk in ieder geval met elkaar gemeen dat ze beginnen met tj-, maar verder hebben ze ook allemaal een nogal negatieve betekenis. Tjaalmen betekent 'janken', tjoegel 'slechte thee of koffie, bocht', tjingeln 'jengelen' en tjoop 'miezerig ventje'.

Volgens de Groningse taalkundige Siemon Reker is het geen toeval dat deze woorden zowel in vorm als in betekenis met elkaar overeenkomen. Hij denkt dat tj- in het Gronings een voorvoegsel is dat een negatieve betekenis aan een woord geeft. Het omgekeerde gebeurt bij het achtervoegsel -d, dat in de Nederlandse woorden tobberd en plagerd de betekenis van tobber en plager net iets vriendelijker maakt.

Volgens Reker zijn er met het typisch Groningse voorvoegsel tj- ook nieuwe woorden gevormd. Tjoop zou daar een voorbeeld van kunnen zijn. Reker veronderstelt dat het ooit gevormd is op basis van de voornaam Joop. Er moet ooit een Groninger zijn geweest die een akelig karakter had en bovendien klein van stuk was. Zijn soortgenoten werden voortaan 'tjoop' genoemd.

U krijgt een briefje: ' 'Geef me alsjeblieft niet nóg een boekenbon. Die heb ik al tien.'' Waar komt uw correspondent vandaan?

Waarschijnlijk uit Brabant. De taalkundige Luuk Lagerwerf schreef enkele jaren geleden in het tijdschrift Onze Taal dat hij een briefje kreeg waarin zijn correspondent schreef: ' 'Mag ik ook met een boekenbon betalen? Die heb ik nogal wat.'' Ineens viel hem het Brabantse van die constructie op.

In andere varianten van het Nederlands zeg je in zo'n geval 'Daar heb ik er nogal wat van', met de woorden daar en er. Een constructie met die is in andere gevallen wel mogelijk ( 'Waarom zoek je naar de boekenbonnen? Die heb ík allemaal.') Doorgaans kan zo'n constructie alleen worden gebruikt als het gaat om álle voorwerpen waarover gesproken wordt. In het Brabants kan het echter ook gebruikt worden als het gaat om slechts enkele (nogal wat, tien) van de hele verzameling.

Ook het Brabants heeft trouwens zijn beperkingen als het om deze constructie gaat. Volgens Lagerwerf werkt zij alleen met het werkwoord hebben en niet met andere werkwoorden: 'Waar zijn de boekenbonnen gebleven? Die vind ik maar drie' is ook in het Brabants absoluut onmogelijk.

Wanneer gaat een Maastrichtenaar naar ''t lendsje vaan Kuk'?

Een Maastrichtenaar gaat naar naar ''t lendsje vaan Kuk' als hij sterft, want dat is de begraafplaats. Soortgelijke uitdrukkingen vinden we over de hele wereld, met telkens een andere naam voor een andere begraafplaats.

In het algemeen verwijzen dialectuitdrukkingen natuurlijk vaak naar vertrouwde plaatsen. In Maastricht verwijzen uitdrukkingen vaak naar de Maas: een kapotte waterleiding heet dan ''n groete Maos', en een druppel op de gloeiende plaat ''nen dröppel water in de Maos'. Ook de stad zelf speelt een rol: wie 'meint tot gans Mestreech vaan häöm is', is wel erg overtuigd van zichzelf.

De liefhebbers van het Maastrichts zorgen goed voor hun taal. Behalve een indrukwekkende rij naslagwerken over grammatica en spelling en een grote 'diksjenaer' (woordenboek) verscheen er in 1996 een boek met Maastrichtse spreekwoorden en gezegdes: Good en geisteg gezag ( 'goed en geestig gezegd'). Niet alle uitdrukkingen die erin staan, zijn (nog) elke dag te horen in Maastricht. Soms kun je dat betreuren, bijvoorbeeld als het gaat om ''t Is kèrmes in Hare' ( 'het is kermis in Borgharen'), een uitdrukking die om geheimzinnige redenen werd gebruikt als iemand zijn baard liet groeien.

Waarheen gaat een Noord-Hollander die omginds gaat?

Een Noord-Hollander die omginds gaat, gaat heel ver weg. In het Nederlands zijn er een aantal woorden die bestaan uit om plus een bijwoord en die een tamelijk vage richting aanduiden: omhoog, omlaag en omver. De dialectoloog Weijnen vond in Hollandse dialecten nog een aantal broertjes van deze woorden. Behalve omguns ( 'omginds, heel ver weg') waren dat omwijd ( 'uiteen, van elkaar') en omheind en omver ( 'heinde en ver').

Volgens Weijnen betekent om in al deze woorden 'in de richting van iets maar niet volkomen in een rechte lijn, niet steeds exact op het ene punt afgaand'. Oorspronkelijk was 'om zes uur' volgens hem ook een tamelijk vage tijdsaanduiding; ze werd al gebruikt in de tijd dat er nog helemaal geen precieze uurwerken bestonden.

Voor wie rijmt geel op leeuw?

Voor steeds meer mensen rijmt geel op leeuw, doordat de l aan het eind van de lettergreep wordt uitgesproken met een w-achtige klank. Het is een uitspraakvariant die zo'n jaar of twintig geleden was voorbehouden aan een relatief kleine groep mensen in Holland, maar die gaandeweg door steeds meer mensen is opgepikt.

De Amsterdamse dialectoloog Piet van Reenen heeft onlangs in een artikel laten zien dat er zo langzamerhand maar weinig mensen in Nederland zijn die niet af en toe een l als een [w] uitspreken, ook al beseffen ze dat zelf misschien niet altijd. Het hangt er wel een beetje van af over welk woord het precies gaat. Namen als Paul en Els spreekt vrijwel iedereen uit als [Pauw] en [Ews]. In ieder geval in Nederland, want Vlamingen lijken vooralsnog minder voor deze uitspraak te voelen.

Veel dialecten hebben al eerder een dergelijke verandering meegemaakt: toen veranderde old in oud en kold in koud. Alleen sommige Oost-Nederlandse dialecten deden toen niet mee; die houden nu (net als het Engels en het Duits) nog steeds vast aan de l.

'Ennet Wôôrd was baa Chot.' Waarom bestaat er geen bijbelvertaling in het plat-Amsterdams?

De bijbel wordt in steeds meer streektalen vertaald. Er lopen bijvoorbeeld zowel in Groningen als in Twente langdurige projecten om de gehele bijbel rechtstreeks uit het Hebreeuws en het Grieks in de streektaal te vertalen. Ook in andere gebieden vertaalt men steeds meer bijbelboeken in de eigen taal. Die vertalingen worden dan bijvoorbeeld tijdens kerkdiensten gelezen.

We zullen echter nog wel even moeten wachten totdat de bijbel in een van de grotestadsdialecten, zoals het Amsterdams, vertaald wordt. De reden hiervoor is dat die dialecten van oudsher beschouwd worden als 'plat', dat wil zeggen behorend bij een sociale onderklasse die zich onbeschaafd en ruw uitdrukt. Een vertaling van de bijbel in het plat-Amsterdams — 'Ennet Wôôrd was baa Chot' met de tongval van Danny de Munck — zou waarschijnlijk nog steeds door veel mensen als godslasterlijk worden ervaren.

Waar wonen in de regio Antwerpen de sinjoren en waar de pagadders?

De hoofdpersoon van het toneelstuk De Spaanse Brabander van Bredero is geen Spanjaard, maar een Antwerpenaar. Antwerpen lag in de tijd waarin het toneelstuk speelt in Brabant en was Spaans gebied.

Anderhalve eeuw zijn de Spanjaarden in Antwerpen geweest en ze hebben er natuurlijk het een en ander achtergelaten — ook in de taal. Zo is de eretitel die Antwerpenaren zichzelf geven 'sinjoor'. Dat woord schijnt als spotnaam te zijn gebruikt voor de Antwerpenaren die zich probeerden te kleden en te gedragen als de Spaanse overheersers — de señores.

Pagadder is een scheldnaam voor mensen die niet echt in Antwerpen wonen, maar in een randgemeente. Ook dat woord komt uit het Spaans: een pagador was de betaalmeester in het leger. Omdat voor die functie altijd de kleinste soldaat werd aangewezen, werd pagadder in het Antwerps de naam voor een klein mannetje of een kind. Vandaar kon het kennelijk een scheldwoord worden voor al die arme lieden die niet volwassen genoeg waren om zich te mogen vestigen in de echte grote stad.

Waarom spreekt een inwoner van Roermond een toontje lager als hij iets vraagt?

In zeker 95% van alle talen gaat de toon iets omhoog aan het eind van een vraagzin. Ook in het Standaardnederlands kun je een willekeurige zin — 'Je bent nog wakker' — als een vraag laten klinken door aan het eind de toonhoogte iets te laten stijgen. Er zijn wel verklaringen bedacht waarom dit zo is. Het zou bijvoorbeeld een algemeen psychologisch mechanisme kunnen zijn dat hoge tonen geassocieerd worden met kleine, weerloze wezens — met kinderen bijvoorbeeld. Door nu aan het eind van een vraag je toon omhoog te laten gaan, maak je jezelf als het ware kleiner, waarmee je je gesprekspartner verleidt om je tegemoet te komen en antwoord te geven.

Het Roermonds lijkt een uitzondering op die algemene regel. In dat dialect gaat de toon juist omlaag aan het eind van een vraag. Dat heeft misschien iets te maken met het feit dat het omhooggaan van de toon in dat dialect al gebruikt wordt om iets anders uit te drukken: het verschil tussen enkelvoud en meervoud bijvoorbeeld. Zowel het woord voor 'been' als dat voor 'benen' is in het Roermonds bein. Het verschil zit hem in de aanwezigheid of afwezigheid van een hoge toon aan het eind van het woord. Dat verschil kon dus niet meer gebruikt worden om uit te drukken dat er een vraag gesteld werd. Men moest toen zijn toevlucht nemen tot een toondaling, en dat maakt het Roermonds tot een nogal opmerkelijk soort taal.

In welke taal schrijft Herman Finkers?

De ouders van de Twentse cabaretier Herman Finkers waren van mening dat hun kinderen 'Algemeen Beschaafd Nederlands' moesten leren als ze vooruit wilden komen in de maatschappij. Dus probeerden ze die taal tegen hun kinderen te spreken. En ze lijken daarin succesvol te zijn geweest: zoon Herman werd een van de populairste en taalgevoeligste cabaretiers van Nederland, al heeft hij een onmiskenbaar Almelose tongval.

De laatste jaren probeert Finkers echter terug te keren tot de taal die zijn ouders altijd tegen elkaar zijn blijven spreken en die hij als kind ook op straat hoorde. Als hij in Twente optreedt, speelt hij een vertaling van zijn programma in het Twents. Twee jaar geleden bracht hij bovendien een tweetalig boekje uit met liedteksten (Zijn minst beroerde liedjes, 1999). Bij dat boekje voegde hij twee cd's waarop hij de liedjes één keer in het Nederlands en één keer in het Twents zingt. Bovendien gaf hij een toelichting op de manier waarop hij te werk ging. Bij elke Nederlandse uitdrukking probeerde hij zich voor te stellen hoe zijn moeder het gezegd zou hebben. Zo probeert hij terug te keren tot de moedertaal die hij nooit van zijn moeder geleerd heeft.

Wat is een spaigelplaotje in het Gronings?

Ook de dialecten hebben hun eigen puristen die voor elk nieuw begrip dat zich voordoet een eigen woord problemen te bedenken. Dan staat er bijvoorbeeld ineens een groepje mensen op dat zich het Grunneger Genootschop noemt en voorstelt om een computer voortaan een alleswaiter ( 'allesweter') te noemen.

Succes hebben dergelijke pogingen voor het dialect meestal net zomin als voor het Nederlands. Slechts een enkeling lukt het om een nieuw woord te bedenken dat ook bij andere taalgebruikers ingang vindt. In het Gronings is dat bijvoorbeeld Henk Scholte gelukt, de zanger van de redelijk populaire band Törf. Hij bedacht een Gronings woord voor een cd: spaigelploatje ( 'spiegelplaatje'). In het Groninger Dagblad wist Scholte overigens nog wel een paar andere populaire Groningse purismen te noemen: ' 'Jongeren noemen een mountain bike al een bultenbroesder en [...] in Stadskanaal spraken we vroeger van een dopp'nropper als we het over een flessenopener hadden.''

Waarom zegt men in de Betuwe, in Brabant én in Vollenhove 'hij lopt' in plaats van 'hij loopt'?

Een Nederlandse lettergreep mag niet te lang worden. Na een klinker kunnen meestal hooguit twee medeklinkers staan: drank, lamp, kerk. Als er meer medeklinkers zijn, klinken de laatste meestal als een s of een t: herfst.

Na een lange klinker kan er meestal zelfs maar één medeklinker staan: laamp of keerk zijn geen Nederlandse woorden. Uitzonderingen zijn weer groepen medeklinkers waarvan de laatste klinken als een s of een t: paars, maagd.

De klanken [t] en [s] vormen dus uitzonderingen op een algemene regel. Omdat het ongewenst is uitzonderingen te hebben, passen dialectsprekers allerlei strategieën toe om terug te keren tot de regelmaat. Sommigen laten bijvoorbeeld de t verdwijnen en zeggen 'hij loop' in plaats van 'hij loopt'. Anderen verkorten de klinker en zeggen ongeveer 'hij lopt'. In beide gevallen wordt de vorm een stuk regelmatiger.

Waar kun je 'den êlen zondag versmossen'?

In ieder geval niet in Zeeland, volgens de Zeeuwse dichter Lou Vleugelhof. Versmossen is een Zeeuws woord voor 'vermorsen' of 'verkwisten', maar dat zijn activiteiten die volgens Vleugelhof in Zeeland te weinig worden uitgevoerd. In het Zeeuwse tijdschrift Noe publiceerde Vleugelhof onlangs het gedicht 'Lômerig', dat begint met de beschrijving van een rustiek Zeeuws landschap ( ' 'op den 'oek staè een lindeboôm om onder te slaèpen''). Aan het eind van het gedicht wordt de idylle wreed verstoord: ' ''t is aoltied werken/'eblaèze, zelfs op een lômerige zondag/zit god achter je reet mie een zunig gezicht''.

Vleugelhof is een goed voorbeeld van een nieuw soort dichter dat de laatste jaren ineens van zich doet spreken: hij schrijft in het dialect, maar niet om alleen maar de rust en schoonheid van het traditionele boerenleven te bezingen. Er wordt ook wel degelijk ironisch commentaar geleverd: als versmossen dan zo'n goed Zeeuws woord is, waarom doen de Zeeuwen er dan niet wat meer aan?

Een West-Vlaming vertelt dat 'Valère nooit van niemand nie ketent en was'. Was Valère nu wel of niet 'ketent' ( 'content, tevreden')?

Taal is geen logica; in ieder geval geen eenvoudige logica. Wie in een logische formule tweemaal een ontkenning plaatst, zegt uiteindelijk iets positiefs: 'één plus één is niet niet twee' is een absolute logische waarheid. Maar in veel varianten van het Nederlands gaat die waarheid niet op.

In West-Vlaanderen kan men bijvoorbeeld best zeggen dat 'Valère nooit van niemand nie ketent en was' (letterlijk: 'Valère nooit over niemand niet tevreden niet was'). In die zin staan vier negatieve woorden (nooit, niemand, nie, en), maar gezamenlijk geven ze nog steeds een negatieve uitkomst: de zin betekent dat Valère nooit tevreden was met wie dan ook.

De regel voor het West-Vlaams lijkt te zijn: als de zin iets negatiefs uitdrukt, moeten er zo veel mogelijk negatieve woorden in staan. Maar zo eenvoudig is het ook weer niet. De interpretatie van alle negatieve woorden gezamenlijk is afhankelijk van de precieze volgorde van de woorden in de zin. Als een West-Vlaming de zin in een iets andere volgorde zet en zegt dat 'Valère nooit nie van niemand ketent en was', zegt hij ineens het omgekeerde: dat er altijd wél iemand was met wie Valère tevreden was. Deze logica is zo subtiel dat ze taalkundigen nog steeds bezighoudt.

Waarom mocht Henk Taekema twee jaar geleden niet skûtsjesilen?

Henk Taekema is een beroepsschipper. Hij is getrouwd met een Friezin en heeft een Friestalige moeder. Toch mocht hij vorig jaar niet meedoen aan de jaarlijkse Friese skûtsjesilwedstrijden. Taekema was namelijk geboren in Zwolle, en sprak bovendien geen Fries.

Naar eigen zeggen was Taekema wel degelijk bereid om 'heger' en 'leger' te zeggen in plaats van 'hoger' en 'lager', maar volgens de organisatoren was dit niet genoeg. Een schipper hoort Fries te spreken tijdens een skûtsjesiltocht.

Als het gaat om emancipatie van de streektaal ligt Friesland voorop in het Nederlandse taalgebied. De Friezen hebben een veel langere traditie van zorg voor de eigen taal en letteren dan bijvoorbeeld de Twenten of de Limburgers. Het Fries heeft als tweede officiële taal van het land dan ook een bijzondere status in Nederland.

De wedijver tussen het Nederlands en het Fries wordt niet gekenmerkt door een grote onverdraagzaamheid. Het Fries kan op veel plaatsen gebruikt worden, maar omgekeerd wordt van een Nederlandstalige in Friesland niet te pas en te onpas verwacht dat hij Fries spreekt. Maar tradities moeten er zijn — bijvoorbeeld bij het skûtsjesilen.

Waar spreekt men komkommertaal?

In het Westland, volgens de Haagse cabaretier Sjaak Bral. Aan het eind van de jaren negentig begon Bral een Haags dictee te organiseren, dat al snel uitmondde in een terugkerende folklore. Het hoogtepunt is de bekendmaking van het absurd hoge gemiddelde aantal fouten dat de deelnemers hebben gemaakt. De enige manier om het aantal fouten te beperken is het Groen-geile boekie te bestuderen, de spellinggids van het Haags — die door (onder anderen) Bral zelf werd samengesteld.

In het aan Den Haag grenzende Westland wilde men vorig jaar ook een dergelijk dictee houden in het eigen dialect. Voor Bral was dit een reden om flink uit te pakken en het verschil tussen een grote stad en een tuinbouwgebied (waar onder meer komkommers worden gekweekt) te benadrukken: ' 'Het Westland is toch een beetje een achtergebleven gebied en dat klinkt in die taal door. Neem nu het Haags, dat is pas echt. Met een eigen woordenlijst.''

De Westlandse kranten vroegen een reactie aan de Groningse dialectkenner Cor Hoppenbrouwers, die Brals beweringen — natuurlijk — ontkrachtte: ' 'Een dialect bestaat niet bij de gratie van een woordenboek. Als er een woordenboek bestaat, betekent dat alleen dat er iemand zo gek is geweest zich de moeite van het samenstellen te getroosten.''

In 1829 kreeg een kandidaat-onderwijzer in Zutphen de aanbeveling mee ' 'dat hij [...] het echte fransche dialect heeft''. Wat werd daarmee bedoeld?

De onderwijzer die volgens de aanbeveling van de plaatselijke schoolcommissie in Zutphen als voordeel had ' 'dat hij zeer zuiver Fransch schrijft en het echte fransche dialect heeft'', kwam naar alle waarschijnlijkheid gewoon uit Zutphen. De commissie bedoelde met die opmerking over het dialect dat de desbetreffende onderwijzer een zeer goede uitspraak van het Frans had.

Het woord dialect betekent tegenwoordig meestal 'taaleigen van een geografisch bepaalde (kleinere) gemeenschap', maar de dialectologe Jo Daan ontdekte ooit dit documentje, waaruit blijkt dat het in het verleden onder meer dus ook 'uitspraak' betekent heeft.

Overigens liggen voor veel mensen de begrippen dialect en uitspraakeigenaardigheid nog steeds vrij dicht bij elkaar. Het woord tongval wordt bijvoorbeeld in allebei die betekenissen gebruikt. Bovendien worden de traditionele dialecten, die vroeger ook van elkaar konden verschillen in onder andere woordenschat en zinsbouw, steeds meer vooral gekarakteriseerd in uitspraak.

Wat leert een Zeeuws kind van klaotunonteevnuut?

In ieder geval kan een kind hiervan leren dat het helpt om hardop te lezen als je een tekst in dialect onder ogen krijgt: klaotunonteevnuut betekent zoveel als 'ik laat de hond even uit'.

Vanaf deze zomer krijgen kinderen op veel Zeeuwse basisscholen les over het Zeeuws. De Stichting School en Dialect heeft de afgelopen jaren een cursuspakket samengesteld dat bestaat uit een werkboek, een cd-rom en een cd met liedjes van groepen en artiesten die in het Zeeuws zingen.

De cursus heeft onder andere tot doel de kinderen vertrouwd te maken met de grote variatie tussen de verschillende Zeeuwse dialecten. Het afwijkendste dialect dat er is, is volgens de samenstellers het Westkapels. Aan dat dialect is dan ook een eigen hoofdstukje gewijd, met een verhaal over een bubbe (oude man) die op de katterik (dijkje op de zeedijk) uitkijkt over de zêê.

Wat is het verschil tussen wôien, stûkeren, kûtten en watselen?

De woorden wôien, stûkeren, kûtten en watselen betekenen allemaal 'lopen' in het dialect van het land van Maas en Waal. De jurist Herman van Run komt uit die streek en merkte eens op dat in zijn dialect de manier waaróp iemand loopt met veel meer nuances kan worden uitgedrukt dan in de standaardtaal. Hij legde het verschil als volgt uit: ' 'Wôien deed wijlen Joop den Uyl als hij op een partijraadsvergadering naar de katheder ging; stûkeren doet iemand uit Overveen die u niet kent; kûtten doet Brigitte Kaandorp van de ene kant van het toneel naar de andere kant; en watselen doet mijn jongste kleinkind.'' Hoewel de details door deze beschrijving niet iedereen duidelijk zullen worden – daarvoor zullen we op zijn minst naar Overveen moeten afreizen – is de boodschap duidelijk. Een dialectspreker kan meer nuances uitdrukken in zijn moedertaal dan in het Standaardnederlands. Wie niet uit het land van Maas en Waal komt, kan eigenlijk niet in één woord uitdrukken hoe Brigitte Kaandorp loopt.

In 1982 meldde een Haagse krant: ' 'Beatrix onthult bronzen 'joei' in Scheveningen''. Waarom werden de echte Scheveningers toen boos?

In 1982 onthulde koningin Beatrix in Scheveningen een beeldje van een Scheveningse vissersvrouw. De dienstdoende journaliste had een woord opgepikt waarvan ze meende dat het een neutrale, 'echt Scheveningse' aanduiding was voor zo'n vrouw: joei. In werkelijkheid is joei echter een Haags scheldwoord voor Scheveningers. In het oude Scheveningen begonnen de vissers hun zinnen vaak met jooi. Dat werd door Hagenaars opgepikt en tot een scheldwoord omgevormd. De journaliste had dat kennelijk niet goed begrepen en in haar hang naar 'couleur locale' de autochtone inwoners gekrenkt.

Scheldwoorden voor bewoners van naburige gemeenten zijn overigens geliefde dialectwoorden. Dialecten gebruiken mensen onder meer om hun eigenheid uit te drukken, en daarvoor is geen beter middel dan je afzetten tegen je naaste buren.

Wat denkt een Groninger die leest: 'Ajax zonder Cruijff is als wijn zonder druif'?

Bij een van de afscheidsmanifestaties voor Johan Cruijff schreef een Amsterdammer ooit op een spandoek: ' 'Ajax zonder Cruijff is als wijn zonder druif''. De meeste Nederlandstaligen zullen uit die vergelijking onmiddellijk begrijpen wat de spandoekschrijver daarmee bedoelde: Ajax kan zonder de legendarische voetballer niet bestaan.

Ook Groningers zullen er weinig moeite mee hebben de kreet te begrijpen, ware het niet dat ze door hun eigen dialect wellicht op het verkeerde been worden gezet. In het Gronings betekent druif ook 'sukkel' — in het Standaardnederlands kan men overigens ook spreken van een 'rare druif'. Zonder sukkels en rare druiven kunnen wijn én voetbalclubs het heel goed stellen.

Wat betekent het Vlielandse woord ies?

In de negentiende eeuw was ies het Vlielandse woord voor 'huis', maar de huidige dialectspreker op Vlieland zal het eerder begrijpen als 'ijs'.

Net als alle talen, veranderen dialecten voortdurend. Tegenwoordig gaan die veranderingen vaak in de richting van de standaardtaal: het dialect 'vervlakt'. Toch zijn er gevallen waarin het dialect soms verandert in een richting die weinig met de standaardtaal te maken heeft.

De klank die in het Standaardnederlands klinkt als [ui], sprak men in de negentiende eeuw op Vlieland uit als [ie]; de h werd bovendien niet uitgesproken. Zo kon huis dus klinken als [ies]. Het woord voor ijs klonk verwarrend genoeg juist weer als [huis], met een h waar je hem niet zou verwachten en een ij-klank die klonk als [ui].

Er leven geen sprekers van dit soort Vlielands. Een huis heet er nu [huus], en ijs [ies]. De h staat nu als het ware op de juiste plaats en dat zou misschien kunnen worden toegeschreven aan invloed van het Standaardnederlands. Maar de klinkers hebben nog steeds weinig met het Nederlands te maken. Als er al sprake is van invloed, gaat het eerder om invloed van de dialecten van de andere Waddeneilanden, zo meent dialectoloog Harrie Scholtmeijer, die onderzoek deed op het eiland. Op die andere eilanden sprak men namelijk al langer van [huus] en [ies].

"Als ie gounent heur zunden vergeven, din binden ze vergeven.'' In welk opzicht is de Groningse vertaling van de bijbel succesvoller dan de Nederlandse?

In Groningen is een groep vrijwilligers én deskundigen gezamenlijk bezig een geheel nieuwe vertaling van de bijbel te maken, rechtstreeks vanuit het Hebreeuws en het Grieks.

De makers van die vertaling ondervinden soms aan den lijve dat bijvoorbeeld het Grieks en het Gronings uitdrukkingsmogelijkheden delen die het Nederlands niet heeft. Als Jezus tegen zijn leerlingen zegt 'als jullie aan iemand zijn zonden vergeven, dan zijn ze vergeven', gebruikt het Grieks de meervoudsvorm van het woord iemand. Het Nederlands heeft zo'n vorm niet: in die taal moet iemand altijd in het enkelvoud staan. Maar het Gronings kan het origineel nauwkeuriger weergeven met het meervoudige woord gounent.

Op de grens van Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen ligt het dorpje Waregem. Wat betekent dit voor de Waregemse uitspraak van het woord duim?

In Waregem klinkt het woord duim ongeveer als [doim]. In Oost-Vlaanderen spreken de mensen duim ongeveer op dezelfde manier uit als in het Standaardnederlands, met de tweeklank [ui], maar in West-Vlaanderen zegt men [duum].

Waregem ligt nog net in het Oost-Vlaamse gebied. Het is alsof de bewoners zich er altijd goed bewust van zijn geweest dat 'wij' in Oost-Vlaanderen een tweeklank zeggen waar 'zij' in West-Vlaanderen dat niet doen. In de loop der tijden is men onbewust dat wij-gevoel steeds meer gaan cultiveren, zodat men nu een soort extreme tweeklank maakt, waar de twee delen van de klank zo ver mogelijk uit elkaar liggen. Die extreme tweeklank klinkt als [oi].

Wat is de charme van de Haagse uitdrukking hij is een zandfabriek begonnen?

Hij is een zandfabriek begonnen is volgens Marnix Rueb, de auteur van de stripverhalenreeks Haagse Harry, een van de vele Haagse uitdrukkingen voor 'sterven'. Rueb heeft een uitgebreide theorie over de charme van het Haags, die hij desgevraagd graag ontvouwt. In het boekje Kèk mè nâh (BZZTôh, 1998) zegt Rueb tegen zijn interviewer: ' 'Ik denk dat de charme van het Haags is, dat het agressief klinkt terwijl het dat eigenlijk helemaal niet is. Het is vervaarlijk, maar er is nog nooit iemand verwond geraakt door de Haagse taal. [...] De Hagenaar is niet agressief, niet per definitie. Verbaal wel, maar beslist niet fysiek. We kunnen het met de taal juist heel goed af. De Hagenaar is een bluffer.''

Rueb is niet de enige die allerlei beschouwingen over de volksaard koppelt aan zijn opmerkingen over het dialect. Mensen zijn vaak geneigd om te denken dat men in een bepaalde stad op een bepaalde manier spreekt omdát men nu eenmaal een bepaalde karaktertrek heeft. Wie serieus onderzoek gaat doen, komt vaak tot de conclusie dat die beweringen op weinig stoelen: in Den Haag wonen precies evenveel bluffers en precies evenveel bescheiden mensen als elders.

Wanneer verscheen het eerste gedicht in het Drents?

In dialecten werd vroeger niet geschreven. Dialect sprak je de hele dag, maar je had de pen nog niet in je hand of je schakelde over naar de standaardtaal.

Pas in de negentiende eeuw kwam hier aarzelend verandering in. De Romantiek kwam op en dat betekende onder meer dat mensen begonnen te zoeken naar zaken die nog 'authentiek' waren. Het dialect hoorde daar voor sommigen bij. Vaak gingen dialectgedichten dan ook over het boerenleven of andere dingen die als 'eigen' werden gezien. Het eerste echte gedrukte gedicht in het Drents is waarschijnlijk geschreven door een zekere W.S. Mulder, van wie we verder alleen weten dat hij in 1820 geboren is. In 1853 publiceerde hij het gedicht 'Het groote hunebed' met strofen als:

En nouw zal 'k dan vertellen, how
Mien vaor, 'n ventien dat nooit lögt,
Mij zegt hef, dat een kerel tow
Zo'n steenbult bi'n kander zöcht.
En eindliek kwam hi hier ter stee
Waor de edelman ook was verbraand
En lee de vlinten, twee veur twee
Zo naost 'n kander in het zaand.

Wat is de juiste spelling van het dialectwoord voor 'slaap': slaop of sloap?

In het Standaardnederlands ontbreekt een klank die in veel Nederlandse dialecten wél voorkomt en daar geschreven wordt als ao, oa of ôô. Als mensen gaan schrijven, willen ze graag aan een norm voldoen. Zo'n norm bestaat er voor het geschreven dialect meestal niet. Dialectschrijvers moeten hem dus zelf bedenken en daar zijn voor de bovenstaande klank tot nu toe dus minstens drie verschillende spellingen uit voortgekomen.

Ongelukkig genoeg ontstaat er in ons deel van Europa altijd een enorm gekrakeel als het over spelling gaat. De laatste jaren zijn er in allerlei streken — Brabant, de Nedersaksische provincies, Limburg — spellingcommissies gekomen om een algemene spellingregeling te maken die voor 'hun' taal gebruikt kan worden. Meestal gaan die regelingen de weg van alle ideeën over spelling: ze eindigen na veel ruzie in het beste geval in een compromis waarmee niemand echt gelukkig is.

Je hoort op de Nederlandse televisie weleens mensen [nuuw] zeggen in plaats van [nieuw]. Is dat een recent verschijnsel?

Dat mensen [nuuw] zeggen in plaats van [nieuw] is niet nieuw. Het werd in de achttiende eeuw al gedaan in de Zaanstreek. We weten dit onder meer doordat we een dagboekje hebben dat de toentertijd ongeveer twintigjarige Aafje Gijsen tussen 1773 en 1775 bijhield. Aafje was een niet bijzonder ervaren schrijfster en ze schreef de dingen daarom vaak maar zo'n beetje op zoals ze ze hoorde. Haar dagboekjes zijn dan ook tamelijk goed bestudeerd, door de taalkundige Jo Daan. Op deze manier probeerde Daan te reconstrueren hoe het Zaans aan het eind van de achttiende eeuw geklonken moet hebben.

Nu, Aafje schreef al nuewe. Omdat ze naar school was gegaan en daar waarschijnlijk had gehoord hoe het hoorde, schreef ze soms ook nieuwe, maar de vorm met een [u] drong zich toch vaak genoeg op. Vreemd is dat overigens niet: de [u] maak je op bijna dezelfde manier als de [w]: in de uitspraak [nuwe] heeft de klinker zich dan ook aan de eropvolgende medeklinker aangepast.

'Ik heb hemmekes-daar zijn saus gegeven.' Wat betekent hemmekes in het Leuvens?

Het Nederlands is dol op verkleinvormen — 'kalmpjes zijn biertje drinken' — maar toch kan niet elk willekeurig woord verkleind worden. Functiewoorden verkleinen lukt bijvoorbeeld niet in de Nederlandse standaardtaal: 'hijtje komt', 'ikje houdje van joutje' zul je iemand niet snel horen zeggen.

Behalve dan in Leuven. In het dialect van die stad kan in ieder geval het woord hem wel degelijk verkleind worden tot hemmekes (daar). Het kan dan volgens de dialectoloog P. Swiggers zowel als onderwerp ( 'hemmekes weet het weer, zeg') als als lijdend of meewerkend voorwerp ( 'ik heb hemmekes-daar zijn saus gegeven') gebruikt worden.

Andere persoonlijke voornaamwoorden kunnen in het Leuvens helemaal niet verkleind worden: jijtje, ikje, zijtje komen ook in dat dialect niet voor. Wel schijnen Leuvense moeders soms tegen hun kinderen te zeggen 'slaapkes gij maar'; in dat geval verkleinen ze dus het werkwoord.

Waarom lachten de dialectologen toen een van hen zei: 'Nou, het rugelt hier uit de stoelen'?

In Amsterdam staat het Meertens Instituut, waar men onder andere de Nederlandse dialecten bestudeert. In de jaren zeventig kwam op dat instituut de dialectoloog Ton Goeman werken. Hij kwam oorspronkelijk uit Twente, maar zoals al zijn collega's gebruikte hij in de dagelijkse omgang het Standaardnederlands in de gesprekken in de koffiekamer.

De stoelen in die koffiekamer waren bekleed met leren kussens. Toen er gaten in het leer gevallen waren, en de stoffering er langzaam uit siepelde, merkte Goeman tegen zijn collega's op: ' 'Nou, het rugelt hier uit de stoelen.'' Hij gebruikte daarmee een goed-Twents woord voor het vallen van grotere hoeveelheden kleine objecten — bijvoorbeeld voor het vallen van de bladeren.

Dat zijn collega's lachten, laat zien dat ook op wetenschappelijke instituten waar het dialect bestudeerd werd, de norm van de standaardtaal lang heel hoog is gehouden. Wie een mooi woord gebruikte dat niet aan die norm voldeed, werd uitgelachen. De laatste jaren lijkt de tolerantie wel wat toegenomen — al kent bijna iedere dialectspreker wel de ervaring dat hij zich afvraagt of hij een bepaald woord wel 'mag' gebruiken in het Nederlands.

Wat is een swerris kleedje in Oost-Brabant?

Een kleedje is een 'jurkje' in het Oost-Brabants, net zoals trouwens bijna overal in grote delen van Zuid-Nederland en Vlaanderen, langs de grens met Duitsland, en natuurlijk in Duitsland zelf. Een doordeweeks jurkje heet in Oost-Brabant een swerris kleedje. Waar komt dat eerste woord vandaan? Er zijn mensen die het verbinden aan de uitdrukking 's werkdaags. Swerris zou daar een soort verkorte vorm van zijn. Dat is niet vreemd, want nieuwe woorden ontstaan vaak als verkortingen van oude woorden die op een bepaald moment ondoorzichtig worden, ook voor de taalgebruiker zélf. Wat dan meestal als eerste verdwijnt, zijn de delen van het woord die oorspronkelijk al de minste klemtoon kregen. Dat zou hier best het geval kunnen zijn, want in swerris is het deel werk nog het best te herkennen.

Hoe laat is het als een Kortrijker zegt: tètitàtutè?

Tètitàtutè betekent in het Kortrijks 'het is tijd dat het uit is', maar het zinnetje heeft nog net iets meer betekenis: het is een zogenoemd 'sjibbolet', een woord of zinsgroep waaraan de echte dialectspreker herkend kan worden. Het woord sjibbolet verwijst naar een verhaal uit de bijbel (Richteren 12:5-6) waarin de Gileadieten en de Efraïmieten oorlog voerden. De Gileadieten kregen op zeker moment de Jordaan in handen. Als iemand wilde oversteken moest hij het woord sjibbolet zeggen. Efraïmieten spraken dat woord uit als [sibbolet]. Iedereen met die verkeerde uitspraak werd onmiddellijk vermoord.

Nog steeds kennen veel dialecten hun eigen sjibbolet, al worden er niet altijd even moorddadige consequenties aan verbonden. Een bekend sjibbolet in Nederland is het Amsterdamse 'de son in de see sien sakken'.

Hoe dom is iemand die zegt: 'Sjef schaamde z'n eigen'?

Over het intelligentiepeil van iemand die zegt 'Sjef schaamde z'n eigen', valt weinig op te merken. Hooguit kunnen we constateren dat hij zich om een bepaalde reden niet aan de norm houdt om hier 'Sjef schaamde zich' te zeggen.

Z'n eigen wordt onder andere in Brabantse dialecten gebruikt in plaats van zich en zichzelf. Het heeft daarbij een heel eigen systematiek. In het Standaardnederlands gebruiken we zich grofweg op andere plaatsen dan zichzelf. (In de voorbeelden hieronder geeft een sterretje aan dat een woord niet gebruikt kan worden.)

- Sjef schaamt zich / *zichzelf

- Sjef ziet *zich / zichzelf

- Sjef heeft het boek bij zich / *zichzelf

De regels over wanneer je zich en wanneer je zichzelf gebruikt, zijn bijzonder ingewikkeld. De regels voor z'n eigen zijn echter zeker niet eenvoudiger. Die vorm lijkt in sommige opzichten meer op zich en in andere meer op zichzelf:

- Sjef schaamt z'n eigen

- Sjef ziet z'n eigen

- Sjef heeft het boek bij z'n eigen

Wat is er volgens Marten Toonder mis met het Gronings?

Marten Toonder, de auteur van de Tom Poes-verhalen, heeft eens uitgelegd waarom hij het Gronings zo'n armoedige taal vond: ' 'Ze hebben niet eens een woord voor liefde.''

Waar Toonder deze kennis vandaan haalde, is onbekend. In ieder geval is er in het Gronings natuurlijk best een woord laifde, dat onder andere gebruikt kan worden in de onnavolgbare zegswijze 'laifde is blind, zee 't wief, en ze smokte 't nöchtern kaalf' ( 'liefde is blind, zei de vrouw en ze kuste het nuchtere kalf'). De Groningse schrijver Jan Mulder negeerde dit woord overigens en opende in een reactie op Toonder direct de aanval op het woord liefde zelf: ' 'Liefde klinkt meteen zo plechtig en aanstellerig: aangeleerde taal zonder oorsprong. [...] Van Groningse liefde kun je op aan. Onze liefde bezit de kracht van het abstracte. Wij, Groningers, spreken daarom ook niet met onze kinderen wanneer dat eenmaal kan omdat ze de leeftijd hebben. Wij leren ze op hun tweede en derde zo weinig mogelijk woordjes, opdat hun een zo gelukkig mogelijk leven beschoren zal zijn.''

'Marie eet een zwarte katte en ik een een witte.' Wat betekent dit zinnetje in het West-Vlaams?

Het West-Vlaamse 'Marie eet een zwarte katte en ik een een witte' betekent 'Marie heeft een zwarte poes en ik heb een witte'. Eet en een zijn in het West-Vlaams vervoegde vormen van hebben.

Het West-Vlaams maakt, net als veel andere dialecten, nog een echt verschil tussen mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden. Bijzonder aan het West-Vlaams is dat álle vrouwelijke vormen eindigen op —e. Vrouwelijke persoonsaanduidingen kunnen vaak op die manier worden afgeleid (deugniete betekent 'vrouwelijke deugniet'), maar ook bij vrijwel alle andere zelfstandige naamwoorden kan zo'n grammaticaal verschil worden gemaakt: golf is de naam van de sport, golve de naam van een onderdeel van de branding. Het eerste woord is grammaticaal mannelijk, het tweede grammaticaal vrouwelijk.

In het noordoosten van Nederland zegt men [laatn] in plaats van [laten]. Doen ze dit vanwege hun stugge karakter?

Waarom verschillen dialecten van elkaar? Als taal een communicatiemiddel is, bedoeld om informatie over te dragen van de spreker op de hoorder, is het immers het handigst als iedereen op dezelfde manier praat. Eeuwenlang wordt er dan ook al gezocht naar verklaringen waarom mensen tóch verschillend spreken. Van alles is er al bedacht. De dialectologen Jac. van Ginneken en J. Endepols dachten in 1917 bijvoorbeeld aan de volksaard als (een deel van) de verklaring. Volgens hen was het feit dat mensen uit Noordoost-Nederland (die zij 'Saksers' noemden) [laatn] zeggen in plaats van [laten] te wijten aan het volkskarakter van die Saksers: ' 'Immers stugge, gesloten naturen plegen den mond slechts weinig te openen. Welnu, de kaakopening heeft een grooten invloed op den aard der uitgesproken klanken. [...] De toonlooze en wordt een zoogenaamde klinkerlooze sonant n. Zelfs de meest beschaafde Sakser kan deze gewoonte, als hij A.B.N. spreekt, niet afleggen. Ook dit is natuurlijk te wijten aan de Saksische voorkeur voor gesloten lippen.''

Er zijn nog maar weinig geleerden die geloven in een volksaard, dus de verklaring van Van Ginneken en Endepols wordt niet meer aanvaard. Wat is de verklaring van de moderne wetenschap voor alle variatie dan? Misschien nogal teleurstellend: zij wordt vooral toegeschreven aan het toeval. Overal zijn talen doorlopend in vrij willekeurige richting aan het veranderen. Omdat vroeger de onderlinge contacten tussen dorpen en steden vrij gering waren, konden talen zo langzamerhand uit elkaar drijven.

Iemand zingt een oeroud liedje: ' 'Van 'n mèske te hauwe/Heur daorna te tröwe''. Waarom rijmt dat niet?

Tegenwoordig zijn popgroepen als Skik en Rowwen Hèze populair, maar vroeger werd eigenlijk niet in het dialect gezongen. Er waren muziekwetenschappers die stad en land afreisden om oude mensen nog oudere liedjes te laten zingen, maar meestal waren die liedjes in de standaardtaal gesteld. Soms zong er weleens iemand iets dat klonk als dialect: 'Van 'n mèske te hauwe/Heur daorna te tröwe.' Maar aan die tekst kleeft iets verdachts: hij rijmt niet, tenzij we hem omzetten naar de standaardtaal: 'Van een meisje te houwe, haar daarna te trouwen.'

Dat is een aanwijzing dat ook de tekst van dit liedje oorspronkelijk in het Standaardnederlands was, en hooguit wat is aangepast aan de eigen eisen van het dialect. Dat liedjes vroeger maar weinig in het dialect gesteld waren, had overigens misschien te maken met de manier waarop ze oorspronkelijk verspreid werden: op liedbladen, dus in geschreven vorm. En schrijven in het dialect deed men vroeger ook al niet veel.