52 weetjes over Nederlandse dialecten

Marc van Oostendorp

(Deze stukjes verschenen eerder als de dialectendag op de Taalkalender 2000; zie ook de Dialectendag 2001)

Wie heeft er in Twente een prettiger leven: de slachtbôl of de springbôl?

De gemiddelde springbôl leeft waarschijnlijk langer en wellicht ook aangenamer. Een bôl is in het Twents een stier. Een goede Twentse boer zorgt ervoor dat hij twee stiertjes houdt: een voor de biefstuk, de slachtbôl, en een om de koeien te dekken, de springbôl.

Het woord bôl vinden we in veel Oost-Nederlandse dialecten. Zoals alle streektalen die op het platteland gebruikt worden, heeft het Twents een groot aantal woorden voor soorten koeien. In het Twents kan bôllen als werkwoord gebruikt worden; het betekent dan 'de koe naar de stier brengen'. Böllen bestaat ook; het betekent 'loeien'. Dat er zo'n grote en precieze woordenschat bestaat in een dialect is geen wonder, want het dialect dient mede als vaktaal voor de boeren. Een ervaren kok kan ook al zijn messen apart benoemen.

Zijn er dialecten in gebarentaal?

Gebarentalen zijn ontstaan en gegroeid op plaatsen waar relatief veel doven bij elkaar kwamen, zoals op de doveninstituten. Tot een jaar of twintig geleden was het leerlingen van die instituten weliswaar verboden om gebarentaal te gebruiken, omdat deze taal toen nog minderwaardig werd gevonden aan gesproken talen zoals het Nederlands; maar min of meer in het geheim bleven de leerlingen onderling hun taal toch gebruiken.

Op verschillende doveninstituten bedachten kinderen soms verschillende gebaren voor een en hetzelfde begrip, en daarom wordt weleens gedacht dat er ook verschillende gebarentaaldialecten zijn. Dat gaat wel een beetje ver: veel meer dan een handvol verschillen in de manier om iets te benoemen zijn er waarschijnlijk niet te vinden. Er zijn bijvoorbeeld geen echte 'accenten': manieren van gebaren waaraan je zou kunnen herkennen van welk doveninstituut iemand komt.

Grote verschillen zijn er wel tussen de doventalen van Nederland en Vlaanderen: die talen schijnen onderling zelfs vrij moeilijk verstaanbaar te zijn.

Rósmalen of Rosmálen?

Een echte Rosmalenaar herkent iemand 'niet van hier' meteen aan de manier waarop hij de naam van het dorp uitspreekt. Als u in de gemeente 's-Hertogenbosch woont, waar Rosmalen deel van uitmaakt, zegt u waarschijnlijk [rósmaole]; woont u elders, dan zegt u juist [rosmále].

De 'juiste' klemtoon heeft in veel delen van het land een onderscheidende functie: de autochtone bevolking legt de klemtoon net even op een andere plaats dan waar een buitenstaander hem zou verwachten.

In het geval van Rosmalen lijkt er het volgende aan de hand. Rosmalenaren leggen de klemtoon op ros alsof de naam is samengesteld uit ros (paard) en malen (molen). Hetzelfde klemtoonpatroon zien we bijvoorbeeld in óphalen en éétzalen. Andere Nederlanders zien die structuur kennelijk niet meer en leggen bij Rosmalen dezelfde klemtoon als ze zouden doen in opalen, bokalen en bursalen.

Hebt u even [tèèt], [tiet] of [taajt]?

Deze drie de manieren om tijd te zeggen zijn op verschillende plaatsen in het Nederlandse-taalgebied te horen: [tèèt] zegt men onder andere in Den Haag en in Tilburg, [tiet] langs een groot deel van de Duits-Nederlandse grens én in Zeeland, en [taajt] in veel dorpen en steden in Noord- en Zuid-Holland en in West-Vlaanderen.

De grootste uitspraakverschillen vinden we in de klinkers. Afgezien van de harde en de zachte g en een paar details op andere plaatsen, zijn de medeklinkers tamelijk stabiel.

De ij is een tweeklank. In de Standaardnederlandse uitspraak begint hij met de voorkant van de tong vrij laag in de mond en eindigt hij met hetzelfde puntje van de tong hoog in de mond. Om deze klank uit te spreken moeten we dus tegenstrijdige dingen doen: de tong laag houden én de tong hoog houden. In plaats hiervan houden de sprekers van sommige dialecten hun tong alleen laag: zij zeggen [tèèt]. Anderen houden hun tong alleen hoog en zeggen [tiet]. Er zijn ook sprekers die de beweging overdrijven: zij beginnen heel laag en eindigen heel hoog. Dat klinkt dan als [taajt].

Wat is een dreutel?

Het hangt er maar van af waar je woont; dreutel is een woord dat in veel Nederlandse dialecten voorkomt en in bijna elk dialect een andere betekenis heeft. In de Drentse dialecten is dreutel bijvoorbeeld de naam voor iemand die niet opschiet, altijd te laat komt, of iemand die niet weet wat hij wil. In het Urks was een dreutel in vroeger, lang vervlogen dagen, een stop om een gat in een vat te dichten. Oudere Urkers kennen het woord nog steeds, maar meestal in weer een andere betekenis: als 'ijspegel'. Volgens (de twaalfde druk van) Van Dale betekent dreutel in de standaardtaal 'hoopje drek', 'kleuter' of 'onhandig mens'.

Wat is een huulbaessem in het Groesbeeks?

Dat is een vraag die u beter niet kunt stellen aan iemand die uit Groesbeek komt: of hij begrijpt u niet, of hij denkt dat u hem belachelijk wilt maken. In Nijmegen vertelt men elkaar namelijk voor de grap dat huulbaessem ('huilbezem') het Groesbeekse woord is voor 'stofzuiger'.

De grap is bedoeld om de door Nijmegenaren veronderstelde achterlijkheid van de Groesbekers te illustreren, maar er zit nog meer achter. In de omliggende gemeenten worden Groesbekers ook wel uitgemaakt voor 'bezembinders'. In de bossen rond het dorp gingen veel mensen vroeger op zoek naar twijgen en takken om bezems van te maken. De industrialisatie maakte daar een eind aan: tegenwoordig gebruikt iedereen een fabrieksmatig gesneden bezem, of grijpt men naar de huulbaessem.

Waar komt het Kortrijkse woord gijnappel ('sinaasappel') vandaan?

Het ligt voor de hand om te denken dat gijnappel een verbastering is van sijnappel en sinaasappel, maar volgens de Vlaamse dialectoloog Frans Debrabandere is dit niet het geval: het woord komt volgens hem van Genua-appel en is dus genoemd naar de Italiaanse havenstad waar de sinaasappels werden overgeslagen op transport naar Kortrijk.

Er zijn meer dialectwoorden voor de sinaasappel in omloop en volgens Debrabandere zijn ze meestal te herleiden tot de namen van mediterrane steden: oranjeappel zou weleens kunnen verwijzen naar het Franse Orange, en sinaasappel en appelsien zouden niet zijn afgeleid van China's appel, zoals meestal wordt beweerd, maar van appel-Messina. Er is overigens een andere vrucht waarvan het vrijwel zeker is dat de naam is afgeleid van een Zuid-Europese stad: de granaatappel bereikte onze streken via Granada.

Welk literair effect werd nagestreefd met: 'k Zieng oe gère, Guske?

Een groot probleem van de Nederlandse standaardtaal is dat die geen goede zinswending heeft om iemand de liefde mee te verklaren: ik hou van jou klinkt te zakelijk, ik heb je lief en ik bemin u te ouderwets. Sommigen grijpen dan in arren moede naar een buitenlandse taal en zeggen of zingen ti amo of I love you, maar de in Nuenen geboren dichter Jan Hanlo loste het op een andere manier op. Een prozagedicht waarin hij zich tot een zekere Guske richtte, schreef hij in het Brabants om er de uitdrukking 'k zieng oe gère (letterlijk: 'ik zie je graag') in te kunnen gebruiken. Volgens zijn biograaf Hans Renders maakte Hanlo eerst een opzetje in zijn eigen Noord-Brabantse dialect, maar schreef hij de uiteindelijke versie met hulp van Antwerpse vrienden in het dialect van Vlaams-Brabant. De uitdrukking is in de laatstgenoemde dialectgroep dan ook gebruikelijker dan in de eerste. Bovendien stelde deze keuze Hanlo in staat nog een paar fraaie constructies te gebruiken (''Mor da zeg ek oe nie allemoal, anders zulde misschien teveul van oewe neus maoke'').

Hoeveel manieren zijn er om de r uit te spreken?

Volgens sommige taalkundige tellingen zijn dat er minstens tien: van de r die gemaakt wordt door het puntje van de tong te laten trillen tot de r die gemaakt wordt met een rollende huig, en van de 'Gooise r' tot en met de r die klinkt als een j en de r die je helemaal niet meer hoort. De uitspraak van de r is een heel ander soort dialectverschijnsel dan de meeste andere uitspraakverschillen. Meestal zijn er duidelijke grenzen te trekken rondom relatief grote gebieden waar een bepaalde uitspraak van een bepaalde klank opgeld doet. Dat is niet het geval bij de r: wie de uitspraakmogelijkheden daarvan op een landkaart probeert in te tekenen, krijgt een lappendeken te zien. Waar we ook zijn in het Nederlandse-taalgebied, in het ene dorp spreekt men de r uit met de punt van de tong, en in het volgende met de huig.

Het is nog sterker: uit taalkundig onderzoek blijkt dat er nauwelijks of geen sprekers zijn die de r altijd op precies dezelfde manier en op precies dezelfde plaats in de mond uitspreken. De meeste sprekers hebben twee, drie of vier verschillende r'en op hun repertoire. Er zijn er zelfs die de r op zeven of acht verschillende manieren uitspreken.

Wat voor een dialect is het IJmuidens?

De gemeente IJmuiden heeft natuurlijk een plaatselijk dialect, maar daarnaast bestond er vroeger een speciale geheimtaal, die 'IJmuidens' werd genoemd omdat die vooral werd gebruikt door vissers uit die plaats, op momenten dat ze niet verstaan wilden worden door vissers uit andere plaatsen — bijvoorbeeld als ze wilden doorgeven op welke plaats een rijke visvangst te verwachten was.

Om IJmuidens te spreken moest je je woorden omdraaien: tat knolk nat oos. Men zegt dat er tot een jaar of twintig geleden nog tamelijk veel vissers in IJmuiden waren die snel op deze manier met elkaar konden converseren over elk willekeurig onderwerp. Tegenwoordig zijn dat er niet veel meer. De jeugd die IJmuidens spreekt, gebruikt alleen nog een West-Fries dialect.

Wat slikt een Deventenaar in als hij stopp'n zegt?

Het is bekend dat mensen in Oost- en Noord-Nederland de meervoudsuitgangen van werkwoorden en zelfstandige naamwoorden anders uitspreken dan andere Nederlandstaligen. Die uitgang schrijven we als -en, maar in grote delen van ons taalgebied spreekt men de n niet uit en zegt men: stoppe, pakke, katte. In het noorden en het oosten laten mensen juist de stomme e weg en zeggen iets dat wel wordt opgeschreven als stopp'n, pakk'n en katt'n.

Die spelling is onnauwkeurig. De eerste twee woorden klinken veel meer als stopp'm en pakk'ng. De uitspraak van de n past zich in deze gevallen aan de voorafgaande medeklinker aan op dezelfde manier waarop hij dat doet aan de erop volgende medeklinker in de woorden i[mp]opulair en i[ngk]onsequent. Als de n in de uitspraak niet aangepast wordt, is er iets heel anders aan de hand: stopp'n en pakk'n betekenen dan 'stopten' en 'pakten'. In deze gevallen is dus niet alleen de stomme e 'ingeslikt', maar ook de t van de verledentijdsuitgang.

Beleven we een 'dialectrenaissance'?

Zag het er twintig jaar geleden nog zeer somber uit voor de dialecten, de laatste jaren zien we een sterke herleving van belangstelling voor streektalen en dialecten — een 'dialectrenaissance'. Dat geldt overigens voor heel Europa. In Duitsland is er al erg lang belangstelling voor de eigen taalvormen van allerlei landstreken, maar zelfs in Frankrijk, dat een lange centralistische traditie kent, ook op taalkundig gebied, verschijnen steeds meer boeken en tijdschriften in en over de verschillende dialecten.

Waar komt die belangstelling vandaan? Helemaal zeker weet je zoiets nooit, maar voor de hand ligt de gedachte dat naarmate Europa en de wereld steeds kleiner en eenvormiger worden, mensen een sterkere behoefte krijgen om hun eigen identiteit te vinden. Het dialect helpt daarbij.

Het opmerkelijke is dat het soort mensen dat zich met dialect bezighoudt, verandert — het gaat steeds meer om goedopgeleide mensen die uitstekend Nederlands spreken en dat ook vaak doen, maar die het dialect gebruiken om min of meer culturele dingen te doen: popliedjes te zingen, kerkdiensten te houden of avant-gardistische gedichten te schrijven. Dat zijn allemaal dingen die twintig jaar geleden nauwelijks gedaan werden. De dialectsprekers van toen gebruikten hun taal vooral voor gesprekken in de dagelijkse omgang.

Wat is een webstee?

Het valt niet mee om een goede Nederlandse vertaling te vinden van het Engelse woord website, een eigen plaats op internet om informatie te bieden. Sommige organisaties — zoals het Genootschap Onze Taal en de softwarefirma Microsoft — kiezen voor weblocatie, dat als nadeel heeft dat het nogal lang is. Er zijn ook mensen die voor webstek kiezen, dat weer een beetje jolig klinkt.

Dan heeft men het gemakkelijker in het dialect, of in ieder geval in die dialecten waar het woord stee voor 'plaats' is blijven bestaan. Zo kan men in het Drents spreken van een webstee en in het Zeeuws zelfs van webstie (met dezelfde letters als het Engelse woord, alleen in een andere volgorde).

Internet biedt toch al veel nieuwe mogelijkheden voor het dialect. Zo kent men in het Drents de woorden oplien en oflien voor on-line en off-line; wie een Drentstalige 'chatbox' binnentreedt, hoeft het niet meer te doen met het knullige babbelbox, maar kan zijn toevlucht nemen tot het veel poëtischer klinkende revelduus.

Zin in een 'houweriejke'?

Een houweriejke is Twents voor een vechtpartijtje. Sommige dialectwoorden zijn levenskrachtiger dan andere. Terwijl bijvoorbeeld veel huishoudelijke termen in het Twents stilaan vernederlandsen — wat vroeger een tuugpinne was, noemt men nu een wasknieper — lijkt bijvoorbeeld 'stoere' dialectwoorden een veel langer leven beschoren. Om de een of andere reden wordt het dialect kennelijk meer geassocieerd met stoeremannenpraat dan met de taal van de huisvrouw.

Het is daarom misschien ook niet verbazingwekkend dat juist de strip Asterix in zoveel dialecten vertaald wordt. Die strip gaat immers over mannen in een klein dorpje die invloeden van buiten weerstaan en ook een houweriejke onderling niet schuwen.

In de vertaling Asterix den Galliër zijn dan ook bijvoorbeeld veel staaltjes van krachtig Twents te vinden: de but in n zak doon (afslachten), pik in de mouw hebn (sterk zijn), börsels (kwajongens) en veur t gaas jaagn (in het nauw drijven, treiteren).

Wie spreken met pien in de buuk?

Spreken met pien in de buuk is een uitdrukking die in de Achterhoek — of in ieder geval in het dorp Aalten — gebruikt wordt om het taalgebruik te beschrijven van mensen van buiten die proberen het plaatselijke dialect te spreken. Het spreekt bijna vanzelf dat die mensen alles verkeerd doen: ze passen woorden op zo'n manier aan dat ze in hun oren misschien als Achterhoeks klinken, maar er in de oren van de dialectsprekers net naast zijn. Van pijn maken ze pien en van buik buuk. In het Achterhoeks — of in ieder geval in het Aaltens — zou men echter zeggen: piene in de boek.

Mensen die spreken met pien in de buuk hebben meestal wel in de gaten dat een Nederlandse ij vaak correspondeert met een Achterhoekse ie, en een Nederlandse ui soms met een Achterhoekse uu, maar ze vergeten bijvoorbeeld dat de klanken ie en uu zelden of nooit in woorden van één lettergreep staan in dit dialect. Omdat dialecten vaak dienen om te onderscheiden wie wél en wie níét tot de goegemeente hoort, is de uitspraak heel belangrijk. Een verkeerd uitgesproken lettergreep levert dan al pien in de buuk op.

Is het Leids Noord-Vlaams?

Honderdvijftig jaar geleden werden er in Leiden nog twee plaatselijke dialecten gesproken: een Hollands en een Vlaams dialect. Dat zat zo. In de zeventiende eeuw had zich in de stad een groot aantal Vlaamse gastarbeiders gevestigd die in de plaatselijke textielindustrie aan de slag konden. De integratie van die gastarbeiders ging niet zo snel, en heel lang bleven zij op een andere manier praten dan de 'autochtone' Hollandse Leidenaars. Zo zei men in de Vlaamse wijken 'ik heb pin in m'n buk' en in de Hollandse buurten 'ik heb pain in main bouik'.

Tegenwoordig is dit taalverschil verdwenen. Je zou kunnen zeggen dat de integratie van de Vlamingen nu eindelijk volledig geslaagd is, maar het komt er in de praktijk op neer dat de Vlaamse varianten allemaal verdwenen zijn. Waar je ook komt in Leiden, iedereen heeft er tegenwoordig pain in zain bouik.

Hoe koop je in Amsterdam een fiets voor een fiets?

Tweedehands fietsen worden in Amsterdam steeds goedkoper. Voor vijf gulden schijn je op sommige plaatsen al een redelijk exemplaar te kunnen krijgen. Maar fiets staat in het Amsterdams al langer voor een bedrag van vijf guldens.

Het is niet moeilijk te achterhalen waar het begrip vandaan komt. Een rijksdaalder is de grootste munt en wordt daarom wel een achterwiel genoemd. Vijf gulden is twee achterwielen. Volgens een bepaalde vorm van logica is dat een complete fiets.

Hoewel fiets vrij specifiek Amsterdams lijkt, zijn zulke 'koosnaampjes' voor geld bijna nooit gebonden aan een bepaalde regio. Dat kan natuurlijk ook bijna niet voor iets dat vooral een rol speelt in de handel. Het is de vraag wat er over een paar jaar gebeurt als er in heel Europa met euro's betaald kan worden: ontstaan er dan overal dezelfde bijnamen voor geldbedragen?

Is een harde g luider dan een zachte g?

Dat is in ieder geval niet noodzakelijk. Een 'harde' g kan ook bijna gefluisterd worden, en een 'zachte' g kan met groot volume worden uitgesproken. Het verschil zit hem in de plaats in de mond waar het schurende geluid gemaakt wordt dat alle Nederlandse g's karakteriseert: bij een harde g gebeurt dat achter in de mond, bijna bij de huig; een zachte g wordt veel verder voor in de mond gemaakt.

De gemiddelde harde g klinkt overigens wel degelijk iets luider dan de gemiddelde zachte: doordat de eerste achter in de mond gemaakt wordt, kan immers de hele mondholte het schuurgeluid versterken. Bij de zachte g is het versterkende stuk mondholte kleiner.

Het onderscheid tussen harde en zachte g staat niet op zichzelf. Mensen die een zachte g maken, laten over het algemeen een verschil horen tussen de g in leggen (waarbij ze hun stembanden laten trillen) en de ch van lachen (waarbij ze dat niet doen). Mensen met een harde g lukt dit over het algemeen niet. De reden is misschien dat het subtiele verschil tussen wel of geen trillende stembanden lastig te horen is bij al het geruis dat een spreker met een harde g bij deze klank al maakt.

Zijn Amerikanen dialectdoof?

Volgens de Amerikaanse taalkundige William Labov wel. Hij geeft als voorbeeld de politieserie NYPD (New York Police Department). In die serie komt een politieagent voor van wie gesuggereerd wordt dat hij een geboren en getogen New Yorker is, maar die duidelijk het accent van iemand uit Chicago heeft. In de Verenigde Staten vraagt niemand zich af hoe zoiets mogelijk is.

In Europa is dat onvoorstelbaar. Een serie die zich afspeelt op politiebureau Warmoesstraat en waarin een van de oer-Amsterdamse rechercheurs zich steeds in onmiskenbaar plat Antwerps uitdrukt, zou niemand serieus nemen.

Volgens Labov zijn de accentverschillen tussen Amerikanen bijna even groot als die tussen Europeanen, maar spelen ze in het Amerikaanse openbare leven een zo geringe rol dat Amerikanen niet gewend zijn erop te letten. In Europa is het veel belangrijker waar je precies vandaan komt: iemand uit het nabijgelegen dorp is al een buitenstaander. Toch zijn ook de meeste Nederlandstaligen voor een deel dialectdoof. Veel Vlamingen vinden het moeilijk om verschil te maken tussen bijvoorbeeld het Amsterdams en het Gronings, terwijl die dialecten voor Nederlanders mijlenver uit elkaar liggen; omgekeerd zijn er vrijwel geen Nederlanders die de — grote — verschillen tussen bijvoorbeeld het Gents en het Kortrijks horen.

Willen we weten datte me toffe jongens zijn?

Veel Nederlandse dialecten delen een eigenschap die in andere talen van de wereld nauwelijks of niet wordt aangetroffen: voegwoorden zoals dat, of, toen en als kunnen verbogen worden. In Hollandse dialecten komt er bijvoorbeeld een stomme e achter als het onderwerp in het meervoud staat: datte me (= we) toffe jongens zijn, willen we weten staat daarin tegenover dat ik een toffe jongen ben, wil ik weten. In sommige andere dialecten is de uitgang geen stomme e, maar bijvoorbeeld een -n: in het Zeeuws zeg je ongeveer het kindje was dood voordan ze het konden dopen.

Vroeger werd weleens gedacht dat dialecten 'primitiever' zijn dan de standaardtaal. Voegwoordvervoeging laat zien dat dit een onzinnige gedachte is. De grammatica van deze dialecten is op dit punt duidelijk ingewikkelder dan die van het Standaardnederlands. Over de vraag waarom zoveel Nederlandse dialecten voegwoorden vervoegen, zijn de geleerden het nog niet eens. Het verschijnsel is des te opvallender doordat het vrij uniek lijkt te zijn voor de talen in onze streken: er zijn geen duidelijke voorbeelden bekend buiten Nederlandse, Friese en Duitse dialecten.

Een bakkie patat of een zakske friet?

Bij de grote rivieren ligt een duidelijke taalgrens: in het noorden spreekt men van patat, in het zuiden van friet (of fritten). Beide zijn verkortingen van de Waalse naam patates frites 'gefrituurde aardappelen'. In het noorden bestelt men dus een 'bakje aardappelen' en in het zuiden een 'zakje gefrituurd'.

Het opmerkelijke is dat de Noord-Nederlandse uitdrukking wel uit België moet komen: het woord patates komt alleen voor in de noordelijkste dialecten van het Frans. In Parijs zegt men immers pommes de terre tegen aardappelen en pommes frites tegen patat/friet. Hoewel de Noord-Nederlanders dus de Belgische naam hebben overgenomen, zijn ze hem vervolgens op een eigen manier gaan verkorten.

Woont u op, aan of in de Hoofdstraat?

Het hangt ervan af uit welke gemeente u komt. De keuze van het voorzetsel bij de namen van straten en wijken luistert erg nauw. Hoe goed iemand ook zijn best doet om zich het plaatselijke accent eigen te maken, als hij onverhoeds op de Hoogstraat zegt in een gemeente waar aan gebruikelijk is, wordt hij definitief als een buitenstaander ontmaskerd. Bovendien is er vaak geen duidelijk systeem te ontdekken. In Rotterdam woon je op Zuid, maar in Noord.

De variatie is op dit punt zó groot dat er in het Standaardnederlands geen keuze gemaakt is. In geen enkele betrouwbare grammatica van onze taal wordt uitgelegd welk voorzetsel we moeten kiezen bij straten en wijken. Het enige houvast dat de spreker heeft, is zijn eigen taalgevoel en dat van de buren.

Veel Zeeuwen zeggen kes in plaats van kers. Komt dat door het winderige weer in Zeeland?

Deze gedachte werd in ieder geval zo'n zestig jaar geleden nog serieus overwogen door sommige onderzoekers. De bekende taalkundigen J. van Ginneken en J. Endepols schreven toen: ''Evenals de Engelschen en de Denen sluiten de Zeeuwen de keel min of meer af met de tong om deze te beschermen tegen den guren wind.'' Zij konden hun tong daardoor niet gebruiken om er een r mee te maken.

Deze gedachtegang wordt niet meer gevolgd. Ook in talen met een heel ander klimaat willen r'en weleens verdwijnen. En er zijn ook winderige uithoeken van de wereld waar de mensen onbekommerd hun r blijven uitspreken. Ook wat de uitspraak van andere klanken betreft is een relatie met de weersomstandigheden nooit overtuigend aangetoond.

Waarom zegt men in zoveel dialecten [skoen] in plaats van [schoen]?

In verschillende delen van het land — onder meer in de Achterhoek, Limburg, Volendam, Brabant en in Groningen — zeggen mensen al eeuwenlang [skoen], [skool] en [skaatsen]. Naar alle waarschijnlijkheid komt die uitspraak overeen met de manier waarop dergelijke woorden duizenden jaren geleden al door de Germanen werden uitgesproken. In het Engels zegt men bijvoorbeeld ook nog [skoel] en [skeet].

In de dialecten die als voorbeeld hebben gediend voor de Nederlandse standaardtaal is [sk] echter 'verzacht' tot [sch]; in het Duits heeft die verzachting nog verder doorgezet en zegt men [sjoele] voor school en [sjoe] voor schoen. De laatste uitspraak komt ook voor in het Engels. Maar de oudste manier van praten wordt dus waarschijnlijk vertegenwoordigd door de Nederlandse dialecten.

Is 'Hoe hiette gij' een vies woord?

Twee Brabantse ouders deden hun best hun dochter zo goed mogelijk Standaardnederlands te leren. Toen het meisje vier jaar oud was, ging ze naar de kleuterschool en daar ontmoette ze andere Brabantse kinderen. Toen ze thuiskwam, vroeg ze aan haar moeder: 'Hoe hiette gij?' ('Hoe heet je?') 'Kind,' zei de moeder geschrokken, 'dat mag je helemaal niet zeggen.' Het kind was verbaasd en een beetje beteuterd. 'Waarom niet? Is dat een vies woord?'

Dat meisje werd een vrouw die als ze dat wil vloeiend het dialect spreekt van de plaats waar ze opgroeide. Dialecten zijn ingewikkelde en rijke taalsystemen, maar kinderen leren ze moeiteloos en tegen de klippen op.

Kan het kwaad om een kind in dialect op te voeden?

Sommige ouders die zelf van huis uit dialect gebruiken, spreken Standaardnederlands met hun kinderen omdat ze denken dat dit de kinderen later meer kansen biedt op een goede baan en een betere positie in de samenleving. Waarschijnlijk hebben die ouders ongelijk: het best is het als een ouder de taal gebruikt die hij of zij zelf het best kent. Bovendien leren kinderen de standaardtaal in ieder geval al op school en van de televisie. Er wordt zelfs wel gezegd dat het een gunstig effect op kinderen heeft als ze tweetalig opgroeien. Zij leren daardoor de zaken letterlijk in twee verschillende perspectieven te zien.

Wie zei ooit tegen koningin Beatrix: 'Kijk naar je eigen manier van praten, vind je dat misschien normaal?'

Toen Willem-Alexander achttien werd, schreef Renate Rubinstein een boekje over hem. Daarin onthulde ze dat de kroonprins en zijn broers thuis graag plat Haags spraken; ze gingen immers in Den Haag naar school. Hun moeder ergerde zich aan dat platte taalgebruik. Willem-Alexander zou deze brutale opmerking hebben gemaakt toen zijn moeder hem verbood zo te spreken.

Inderdaad heeft de Koningin een tamelijk opvallend eigen accent, dat moeilijk thuis te brengen is — een soort eenpersoonsdialect dat waarschijnlijk beïnvloed is door het bekakt van de adel en misschien ook een beetje door het Duits van de grootvader, vader en echtgenoot van de Koningin. De laatste jaren begint overigens ook de spraak van Willem-Alexander iets meer in de richting van die van zijn moeder te gaan — zou er een apart dialect voor gekroonde hoofden zijn?

Hai swit werd hai swait in Warffum (Groningen). Waarom?

Waarschijnlijk om de vervoeging van het werkwoord zweten eenvoudiger te maken. In vroeger dagen maakte men in het Warffumse dialect verschil tussen zweet en zweet in ik swait en hij swit. Dat verschil lijkt langzamerhand te verdwijnen.

Dat jongeren steeds minder (alleen maar) dialect spreken, betekent lang niet altijd dat dialectvormen plaatsmaken voor vormen uit de standaardtaal. Swait lijkt net zo min op zweet als swit. Het betekent wel dat de grammatica en de woordvorming van het dialect in bepaalde opzichten vereenvoudigd worden. Wie zijn hele leven om zich heen bijna alleen zijn eigen dialect hoort, heeft veel meer tijd en gelegenheid om zich subtiele details eigen te maken dan wie voornamelijk in het Standaardnederlands is opgegroeid.

Waarom zou iemand zeggen: 'Wees niet zo pertaal tegen de perfester'?

De toonloze e is een merkwaardige klinker. Nederlandstaligen zetten er liever niet al te veel medeklinkers voor: een Frans leenwoord als pa-pa-vre wordt in het Nederlands al snel pa-pa-ver. Aan de andere kant worden onbeklemtoonde klinkers al snel uitgesproken als een toonloze e: minuut wordt [menuut], locomotief wordt [lokemetief].

In woorden als professor en brutaal begint er dan iets te wringen: we willen van de eerste (onbeklemtoonde) klinker graag een toonloze e maken, maar dan zitten die twee medeklinkers in de weg. In sommige dialecten is een elegante oplossing gevonden voor dat probleem: daar verplaatst men de r en zegt men [perfesser] en [bertaal]. In het Fries is vrijwel hetzelfde gebeurd. Daar klinken deze woorden als [perfester] en [pertaal].

Wie sprak de volgende woorden?

''We hewwe hier altyd Nederlands sproken, en daar gaan we gewoan met deur.''

In Friesland doet een anekdote de ronde volgens welke de voormalige Friese commissaris van de koningin, baron van Harinxma thoe Slooten, deze woorden sprak toen men hem toestemming vroeg om Fries te spreken tijdens de vergaderingen van de Provinciale Staten.

Behalve Fries worden er in Friesland ook twee dialecten van het Nederlands gesproken. Het bekendst is het dialect van It Bildt, maar ook in Leeuwarden werd vroeger een dialect gesproken dat sterk op algemeen Nederlands leek, al was het natuurlijk wel met Friese termen doorspekt. Van Harinxma thoe Slooten schijnt dit dialect nog gesproken te hebben.

Tegenwoordig lijkt het authentieke 'Leewarders' stilaan te verdwijnen: mensen spreken óf Standaardnederlands (eventueel met een Fries accent) óf Fries.

Wanneer zit een Zutphenaar te miemelen?

Een Zutphenaar kan onder twee omstandigheden beschuldigd worden van miemelen: als hij uit zijn nek zit te kletsen over onbelangrijke onderwerpen of als hij zijn eten uitvoerig bekijkt en betast voordat hij het in zijn mond stopt.

Van belang is dat het in allebei de gevallen om details gaat en dat de miemelaar veel te lang met die details bezig is. Om de een of andere reden hebben veel woorden die in het Nederlands met mi(e)- beginnen iets te maken met 'klein': miezerig, miniatuur, microbe. Het woorddeel -el- werd vroeger wel gebruikt om een herhaalde handeling aan te geven: hakkelen, tokkelen, hinkelen, ratelen en rinkelen zijn allemaal werkwoorden met een component van herhaling.

Mi(e)- doet denken aan klein, en -el- aan herhaling: je hoeft nauwelijks uit Zutphen te komen om te begrijpen wanneer iemand zit te miemelen.

Is het Syldavisch een Nederlands dialect?

Het Syldavisch is de taal van het imaginaire Oost-Europese land Syldavië, dat de verslaggever Kuifje een aantal maal bezoekt in de stripalbums die naar hem genoemd zijn. De Kuifje-boeken zijn oorspronkelijk geschreven in het Frans, door de Franstalige Belg Hergé. De Syldavische teksten in deze boeken worden meestal nogal 'Oost-Europees' gespeld, soms zelfs in cyrillisch schrift, het systeem dat ook bijvoorbeeld voor het Russisch wordt gebruikt.

Wie door de rare spelling heen kijkt, vindt een bekende taal verstopt achter de exotische tekens: Marols, het Brusselse dialect van het Nederlands. Zo is de lijfspreuk van Syldavië: Eih bennek, eih blavek ('Hier ben ik, hier blijf ik'). Als kapitein Haddock zijn auto wil verlaten, roept een politieagent: ''Hält! Ihn dzekhoujchz blaveh!'' ('Halt! In de koets blijven!')

Marols blijkt overigens ook in andere delen van de wereld gesproken te worden. In een van de Kuifje-boeken komt een Arabische stad voor met de naam Wadisdah.

Hoeveel schade wordt er veroorzaakt door de uitspraak It kan net?

Er is een mop over de verwarring tussen het Fries en het Nederlands. Een gegoede inwoner van het Gooi besluit zijn zomervakantie door te brengen op de Friese meren. Op zijn motorjacht vaart hij van meer naar meer. Ergens onderweg stuit hij echter op een lage brug, waarop twee plaatselijke oude mannetjes met elkaar staan te praten.

'Mijne heren,' zegt de inwoner van het Gooi, 'denkt u dat mijn boot onder de brug door kan?' De mannetjes kijken hem zwijgend aan en turen dan peinzend naar zijn jacht. Uiteindelijk komt een van de twee tot de conclusie: 'It kan net.'

De man uit het Gooi zet zijn motor weer aan en probeert zijn boot onder de brug te manoeuvreren, maar komt uiteindelijk vast te zitten. In het Fries betekent net 'niet'.

Waar noemt men een spijkerbroek een nagelboks?

Volgens de Nijmeegse taalkundige Marinel Gerritsen krijgt de spijkerbroek in de Nederlandse dialecten allerlei namen, maar wordt hij nergens nagelboks genoemd. Het tweede deel van het woord wordt weleens vertaald: broek wordt dan boks, maar zelfs in de dialecten waar spijkers normaal gesproken nagels genoemd worden, wordt het woord spijker in de naam van de spijkerbroek niet aangepast: die wordt dan bijvoorbeeld wel spiekerboks.

Waarom wordt spijker niet vertaald en broek wel? Gerritsen wijst erop dat het laatste woord een veel duidelijker bijdrage levert aan de betekenis van het geheel. Dat een spijkerbroek een soort broek is, is meteen duidelijk, maar de bijdrage aan de betekenis door spijker is veel minder doorzichtig (het verwijst naar de pinnetjes waarmee de ruwe stukken stof worden vastgehouden). Misschien wordt dit wel als een willekeurige specificering gezien van het soort broek dat een spijkerbroek is, en daarom niet vertaald.

Wat is 'gabbercorrectie'?

In de dialecten van Friesland en die van West-Friesland bestaan de v en de s in de uitspraak niet, zoals ze overigens ook niet bestaan hebben in de oude Germaanse taal waarvan alle dialecten afstammen die in Nederland gesproken worden. Alleen zijn sommige dialecten — zoals het Standaardnederlands — in de loop van de tijd verschil gaan maken tussen cent en zend en tussen fee en vee.

Voor de Friezen en de West-Friezen zijn die verschillen van oudsher moeilijk te maken. Omdat het Amsterdams waarschijnlijk door het West-Fries beïnvloed is, hebben ook Amsterdammers moeite met dit verschil. Als iemand zentuur of veeëriek zegt, past hij volgens journalist Jan Kuitenbrouwer 'gabbercorrectie' toe. Zo iemand probeert té netjes te praten.

De term gabbercorrectie suggereert dat we hier met een recent verschijnsel te maken hebben. Veel mensen denken dat dit ook zo is, maar al in 1956 schreef de Nijmeegse hoogleraar Michels over precies ditzelfde verschijnsel. Michels merkte zelfs op dat hij het al in zijn studententijd in Nijmegen bij hoogleraren hoorde. Al voor de Tweede Wereldoorlog waren er dus al mensen die perzoonlijk zeiden.

Wie zijn de Chinezen van Nederland?

Sommige taalkundigen noemen Limburgers de Chinezen van Nederland. De meeste Limburgse dialecten lijken namelijk in één aspect meer op het Chinees dan op de andere dialecten die in Nederland gesproken worden. Dat aspect is de toonhoogte.

In de meeste Europese talen gebruiken we toon alleen om de betekenis van een zin te nuanceren: wie de toon omhoog laat gaan aan het eind van de zin 'Je loopt even mee' maakt van een stellende zin een vraag. Het Chinees en het Limburgs maken veel intensiever gebruik van tonen. Wie in het Chinees bijvoorbeeld het woord si op een hoge toon uitspreekt, zegt 'gedicht’; wie het op een lage toon uitspreekt, zegt 'proberen’.

Ook in de Limburgse dialecten speelt toon een rol bij het onderscheiden van woorden. Zowel het enkelvoudige Nederlandse woord been als het meervoudige benen vertaal je in die dialecten als bein. Het verschil wordt gemaakt door de toon waarop je die woorden uitspreekt.

Wat voor fouten zitten er in carnavalsliedjes?

Sommige dialectkenners beginnen zich meteen te ergeren als ze een carnavalsliedje horen. Die liedjes worden meestal in een plaatselijk dialect geschreven, maar een vlijtig lid van een heemkundekring kan in een willekeurig liedje in een handomdraai een paar fouten aanwijzen.

In de jaren zeventig en tachtig boekten commerciële Nederlandstalige artiesten zoals André van Duin en Pierre Kartner nog grote successen met hun carnavalsrepertoire, maar die tijd lijkt nu echt voorbij. Het is nu zo goedkoop geworden om een cd'tje op te nemen dat ook lokale artiesten zich dat kunnen veroorloven. Bovendien heeft in de jaren negentig vrijwel elke gemeente een eigen omroep gekregen, die plaatselijke muziek draait en deze op die manier populair maakt.

Tegelijkertijd is voor veel mensen — vooral in de steden — carnaval een van de weinige gelegenheden om het plaatselijke dialect in het openbaar te gebruiken. Het fungeert als een sociaal bindmiddel. Met carnaval is iedereen gelijk in zijn eigen vertrouwde omgeving. Plat praten hoort daarbij.

Wie een heel jaar bijna alleen Standaardnederlands spreekt, ziet invloeden van die taal opduiken als hij dialect schrijft. De taal van de carnavalsliedjes wordt daardoor op sommige punten iets Nederlandser — maar het gaat een beetje ver om dat 'fout' te rekenen.

In welke taal is het goed scasseren?

In de afgelopen tien jaar zijn bijna ongemerkt in het hele taalgebied nieuwe dialecten van het Nederlands ontstaan. In diverse hebben allochtone en autochtone jongeren hun woordenschatten samengesmolten tot een eigen taal. Iedereen deed dat op zijn eigen manier: in steden waar meer Turken woonden, speelde het Turks een belangrijker rol, in steden waar meer Surinamers kwamen, werd een licht Surinaams accent ook voor andere groepen interessant.

De Nederlandse — of in ieder geval de Amsterdamse — variant van deze mengtaal wordt wel aangeduid met het licht denigrerende smurfentaal of het wat neutralere straattaal. In voormalige mijnbouwsteden in Belgisch Limburg, zoals Maasmechelen en Genk, ontstond tegelijkertijd een variant die de Vlaamse taalbeschouwer Ward Ramaekers Algemeen Cités noemt: cité is het (oorspronkelijk Franse) woord voor 'stad' in deze dialecten.

In Belgisch Limburg spelen vooral Italianen een prominente rol. Veel woorden in het Algemeen Cités zijn dan ook verbasteringen van het Italiaans. In die laatste taal betekent scassare bijvoorbeeld 'stukmaken'; dat woord heeft in het Algemeen Cités een iets andere vorm gekregen — scasseren — en ook een iets andere betekenis: 'onzin vertellen'.

Wat is in het Westland een takkebossezeefie?

Ontgroeningsrituelen zijn niet voorbehouden aan studentenmilieus. Ook bij veel bedrijven worden van oudsher nieuwe medewerkers eerst een tijdje geplaagd om ze de zeden van de nieuwe groep bij te brengen.

Zo werden — en worden — in de Westlandse glastuinbouw nieuwe medewerkers al in de eerste week naar de buurman gestuurd om een niet-bestaand apparaat op te halen: een takkebossezeefie. De buurman herkent aan dat woord dat hij met een 'nieuwe' te maken heeft en stuurt hem door: 'Och, die heb ik net aan Van Putten gegeven.' Zo wordt de nieuwe medewerker de eerste dag de hele streek door gestuurd, tot hij veel uren later onverrichter zake naar zijn nieuwe baas moet — die hem uitlacht omdat hij niet weet wat het nut van een takkebossezeefie is.

Wat is een anmekaorefiets?

Iemand die dialect spreekt is dom en dialectwoorden zijn vooral koddig — dat is een wijdverbreid misverstand dat aanleiding gegeven heeft tot veel 'namaakdialect'. In Vlissingen vestigden zich aan het eind van de negentiende eeuw bijvoorbeeld nogal wat Arnemuiders, die natuurlijk door de autochtone Vlissingers onmiddellijk voor nogal achterlijk werden versleten. Nog steeds is het in sommige lagen van de Vlissingse bevolking populair om enigszins bizarre dialectwoorden te bedenken voor nieuwe verschijnselen en deze dan toe te schrijven aan het 'Erremuus'. De Zeeuwse journalist Marco Evenhuis gaf daarvan in zijn column in de Provinciale Zeeuwse Courant een paar jaar geleden enkele voorbeelden: anmekaorefiets voor 'tandem', 'andkniepers voor 'handremmen' en zulveren geeltje voor 'cd'. De verklaring voor die laatste term? De domme Arnemuiders houden zo'n blinkend schijfje natuurlijk voor een muntstuk; maar dat het groter is dan een zilveren tientje, zien zelfs zij nog wel.

Wat gebeurt er als een Leuvense student peert?

Studententaal is overal hetzelfde en overal verschillend. Ze is overal hetzelfde, omdat het overal beschikt over een uitgebreide woordenschat voor de dingen die studenten bovengemiddeld doen, zoals naar college gaan, drinken en in bed liggen. Ze is tegelijkertijd overal verschillend, omdat ze er vooral toe dient om de sprekers ervan te onderscheiden van de rest van de wereld: zowel van de 'burgerij' die niet studeert, als van de studenten in andere steden die op de verkeerde manier het studentenleven invullen.

Zo heeft elke studentenstad zijn eigen studententaaltje, met onder andere zijn eigen woorden voor overmatig drankgebruik en voor de gevolgen van dat overmatig drankgebruik. In sommige Leuvense studentenkringen gebruikt men bijvoorbeeld nog steeds het woord peren (of pieren) voor braken en in sommige Leuvense studentencafés kun je dan ook vragen naar de pierbak.

De woorden zijn een nagedachtenis aan de legendarische student Peer Dierickx, van wie overigens niet veel meer bekend lijkt te zijn dan dat hij 's nachts uit het raam braakte. In sommige verenigingen schijnen aankomende studenten ook nog een eed te moeten afleggen op het hoofd van Peer Dierickx.

Er zijn veel manieren om onsterfelijk te worden.

In welke polder spreekt men Poldernederlands?

Anders dan de naam doet vermoeden, komt het Poldernederlands oorspronkelijk uit de Randstad. De Amsterdamse taalkundige Jan Stroop ontdekte een paar jaar geleden dat veel jonge succesvolle carrièrevrouwen — die natuurlijk vooral in de Randstad wonen — hun klinkers op een andere manier uitspreken dan hijzelf pleegt te doen. Ze zeggen bijvoorbeeld [kaik] in plaats van [kijk] en [loup] in plaats van [loop]. Stroop noemde deze variant 'Poldernederlands' omdat hij een verband vermoedde met het succesvolle economische poldermodel en omdat de desbetreffende klinkers vroeger een beetje plat gevonden werden. In de Zuid-Hollandse polders zegt men bovendien al heel lang [kaik] en [loup].

Stroop beweert dat iedereen over een jaar of dertig Poldernederlands zal spreken, maar vooralsnog is het een variant zoals er vele zijn. Ook over de redenen waarom mensen dit dialect gaan gebruiken, lopen de meningen uiteen. Volgens Stroop is het een natuurlijke ontwikkeling, die vrouwen zich nu kunnen permitteren: wie succes heeft, hoeft niet zo zijn best te doen om netjes te praten. Andere taalkundigen wijzen erop dat het Poldernederlands misschien juist een kunstmatig soort 'plat' is dat sommige mensen gebruiken om te laten zien hoe 'gewoon' ze zijn gebleven ondanks hun succes.

Hoe plat is het om te vragen: Hebbie dat gezien?

In bijna heel Zuid-Holland en in grote delen van de provincie Utrecht zeggen de mensen hebbie in plaats van heb je, net zoals men pakkie zegt in plaats van pakje. En in heel de rest van het taalgebied wordt dit afgekeurd als een bijzonder platte manier van praten.

Toch zit er een ingewikkelde systematiek achter die verandering van je naar ie. Vrijwel niemand zal het bijvoorbeeld ooit in zijn hoofd halen je in ie te veranderen na een t: alleen op de Zuid-Hollandse eilanden zijn er nog wat mensen te vinden die appeltie kunnen zeggen, verder zegt iedereen altijd appeltje. Ook na een klinker vindt de verandering van je naar ie nooit plaats. In geen enkel dialect zeggen de mensen ga ie mee? in plaats van ga je mee?

Het bijzondere is dat in de taal die zou kunnen gelden als de verhevenste van allemaal — het Hebreeuws van het Oude Testament — precies eenzelfde verandering van je in ie plaatsvindt, en dat de voorwaarden waaronder dat wel of niet kan gebeuren vrijwel dezelfde zijn als in de Nederlandse dialecten. Waarmee maar eens is aangetoond dat die laatste nog zo plat niet zijn.

Wat wordt de naam van God in de Groningse vertaling van de bijbel?

In de joodse traditie heeft God een naam die niet mag worden uitgesproken; in de bijbel wordt deze naam als JHVH geschreven, maar deze combinatie van medeklinkers mag een vrome jood nooit in de mond nemen.

In de Nederlandse bijbelvertalingen, zoals de zeventiende-eeuwse Statenvertaling, die eeuwenlang in bijna alle protestante huisgezinnen in Nederland is voorgelezen, is deze onuitspreekbare naam vervangen door Heere; een naam die vervolgens ontelbare malen is uitgesproken en die ook al door veel mensen niet meer als naam wordt herkend.

Een werkgroep onder leiding van dominee Klaas Pieterman is momenteel bezig de bijbel in het Gronings te vertalen. Hoe moet God worden aangesproken? Volgens een artikel van Pieterman in Trouw (22 april 1999) gewoon als 'God': ''In het Gronings kan men mensen aanspreken met hun beroep of ambacht: 'Wilst dit wel doun, boer?', 'Kin je dit maken, smid?' Het ligt voor de hand om de vier onvertaalbare Hebreeuwse letters voor de Naam weer te geven met: God. Dat is zijn/haar beroep/ambacht: God van Israël, God van vrede, God van gerechtigheid. En zo kan men de Eeuwige ook aanroepen, gewoon met: God.''

Waar komt de s vandaan in het Brabantse verkleinwoord plankske?

In Brabantse dialecten maak je in de regel een verkleinwoord door -ke achter het grondwoord te zetten: pepke (pijpje), fleske (flesje). Maar als een woord eindigt op een k, een g of een [ng], verschijnt er ineens een s: plankske, wiegske, dingske.

De reden daarvoor lijkt te zijn dat de k, g en [ng] alle drie gemaakt worden door de achterkant van de tong tegen het verhemelte te drukken. Datzelfde geldt natuurlijk voor de k in -ke. Op deze manier liggen de slotmedeklinker van de stam en de eerste medeklinker van de uitgang -ke te dicht bij elkaar. Om ze uit elkaar te houden wordt een s tussengevoegd.

Overigens zegt men in veel dialecten niet plankske maar plenkske: sommige klinkers van de stam veranderen in de verkleinvorm. In het Duits heet dat proces 'umlaut' en wordt het ook in de spelling weergegeven. In die taal zou je plänkske schrijven.

Is een taal een dialect met een leger?

'Een taal is een dialect met een leger.' Deze uitspraak is zo beroemd dat het moeilijk is om precies aan te wijzen wie hem als eerste gedaan heeft. Belangrijker is dan ook de reden waaróm hij zo beroemd geworden is — hij slaat de spijker op de kop. Er zijn geen goede taalkundige criteria te bedenken om een taal te onderscheiden van een dialect. Sommige 'dialecten' van het Chinees lijken minder op elkaar dan het Nederlands en het Zweeds.

Het enige bruikbare criterium is politiek: een dialect wordt tot een taal als er voldoende sociale steun is voor een dergelijke statusverandering. Het Nederlands is vooral geen dialect van het Hoogduits omdat er nauwelijks Nederlandstaligen zijn te vinden die zichzelf als Duitsers zouden willen zien. De zogenoemde 'plat-Duitse' dialecten die in Noord-Duitsland gesproken worden, lijken in veel opzichten op het Nederlands, maar worden toch als dialecten van het Duits gezien omdat men in Kiel en Hamburg nu eenmaal geen eigen onafhankelijke staat heeft ingericht.

De laatste jaren hebben in Nederland het Limburgs en het Nedersaksisch een (beperkte) status als taal gekregen. De reden hiervoor is dat de Nederlandse staat het zich kennelijk kan veroorloven om minderheidsgroeperingen een eigen status toe te kennen. Dat iemand die Nedersaksisch gebruikt vroeger onbeschaafd sprak en nu een eigen taal gebruikt, heeft alles te maken met veranderde politieke opvattingen, en niets met een verandering van het Nedersaksisch zelf.

Is het Nijmeegs lillek?

Bijna niemand ontkomt aan het vooroordeel dat sommige dialecten mooier zijn dan anderen: het Nijmeegs is buitengewoon lelijk, het dialect van Arnhem daarentegen ongehoord prachtig. Of andersom. Het feit dat de meeste mensen het eigen dialect daarbij scharen onder de 'mooie' en dat van het naburige dorp onder de 'lelijke', laat al zien dat er weinig objectieve criteria voor bestaan. Bovendien: als je aan een groep buitenlanders een aantal opnamen van Nijmegenaren en Arnhemmers laat horen, zullen ze grote moeite hebben om een van de twee als mooier of lelijker dan de ander aan te wijzen. De kans is zelfs groot dat ze het verschil helemaal niet horen.

De relatieve schoonheid van een dialect is dus vooral afhankelijk van de sympathie die je hebt voor de sprekers van dat dialect. Een man kan het Nijmeegs nog zo lelijk vinden, als hij verliefd wordt op een vrouw uit de binnenstad van Nijmegen begint hij die taal toch ineens heel anders te horen.

In welk dialect zegt men ballen in plaats van bellen?

In het 'dialect van de adel'. Sommige maatschappelijke groepen — behalve de adel zijn dat bijvoorbeeld bezoekers van houseparty's en aanhangers van de new age-beweging — hebben een eigen taalgebruik, dat in sommige gevallen net zoveel van de standaardtaal afwijkt als een dialect. Ze hebben hun eigen woorden, hun eigen uitspraakeigenaardigheden en hun eigen grammatica. Wie van adel is, schijnt bijvoorbeeld taartje te zeggen in plaats van gebakje, het woord bellen uit te spreken als [ballen] en hij mot komme te zeggen in plaats van hij moet komen.

Kunnen we bijvoorbeeld de taal van de adel daarom ook een dialect noemen? Het gebeurt weleens, maar meestal wordt deze term gereserveerd voor taalvarianten die specifiek zijn voor een bepaald gebied. Dat geldt voor de taal van de adel natuurlijk niet, want mensen die bekakt praten vinden we overal. Voor een dergelijk taalgebruik wordt dan de term sociolect gebruikt.

In Midden-Limburg zegt men hontj in plaats van hond. Vanwaar die verandering?

Hontj zeggen in plaats van hond is heel kenmerkend voor het dialect dat in en rond Roermond gesproken wordt. Eigenlijk is dat ook een heel logische manier van doen. De n en de d of t spreek je allebei uit door het puntje van je tong tegen het richeltje achter de tanden te houden. Dat betekent dat deze twee klanken nogal sterk op elkaar lijken. Midden-Limburgers vinden het verschil kennelijk te klein. Ze maken het groter door hun tong bij het uitspreken van de t-klank iets naar achter te trekken: daardoor verandert de t in een tj.

Eigenlijk zijn Midden-Limburgers helemaal niet zo uniek in hun streven twee klanken naast elkaar zo verschillend mogelijk te maken. In het Nederlands kun je wel oei, aai en ooi zeggen, maar niet bijvoorbeeld eej of iej. Dat komt waarschijnlijk doordat ee en ie te veel op j lijken. In dat licht bezien is het dus niet zozeer vreemd dat Midden-Limburgers hontj zeggen. Het is eerder vreemd dat alle andere Nederlandstaligen volharden in het uitspreken van hond.

Jan zegt: 'Ik vind niet dat Heerlen zich voor de toerist erg gezellig uitziet.' Welk dialect spreekt Jan?

Heerlen is taalkundig een vreemde stad. Volgens de meeste Limburgers in andere steden en dorpen wordt er daar 'Hollands' gesproken, maar een Hollander hoort er allerlei dingen die hij thuis nooit hoort.

Dat komt door de mijnen. In het begin van de twintigste eeuw hebben zich in Heerlen relatief veel mensen gevestigd van buiten de provincie die in de mijnen kwamen werken. Zij kwamen met zovelen en zij hadden zoveel aanzien, dat ze al snel grote invloed begonnen uit te oefenen op de taal van de plaatselijke bevolking. Aan de andere kant was hun aantal ook weer niet groot genoeg om alle Heerlenaren perfect de standaardtaal te leren.

Zo ontstond er in Heerlen een taal die geen Standaardnederlands is en ook niet een oer-Limburgs dialect, maar iets ertussenin. De Heerlense taalkundige Leonie Cornips noemt die taal het Heerlens Algemeen Nederlands. Volgens haar is het geen verbasterd Nederlands en ook geen dialect vol fouten, maar een nieuwe mengtaal met een eigen systematiek die een grotendeels Nederlandse en een gedeeltelijk Limburgse woordenschat heeft. Dat blijkt ook uit de voorbeeldzin van Jan.

Hoe klinkt het Kalverstraats?

In 1874 publiceerde Johan Winkler het Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon, een boek waarin het bijbelverhaal van de verloren zoon wordt naverteld in bijna tweehonderd dialecten. Winkler vertelt daarnaast in inleidinkjes veel over elk van die dialecten — veel van onze kennis over de negentiende-eeuwse Nederlandse taalvarianten komt uit dit boek.

Zo onderscheidt Winkler maar liefst negentien verschillende dialecten in Amsterdam, waaronder het Leidsebuurts, het Jordaans, het Haarlemmerdijks en het Kalverstraats. Van die dialectverschillen is nu niets meer over, maar Winkler schreef ook al dat het ''echte amsterdamsch uit de Kalverstraat'' in zijn tijd sterk in verval was. Gelukkig geeft hij nog wel de Kalverstraatse vertaling van de parabel van de verloren zoon, zodat we weten hoe deze uitgestorven taal geklonken moet hebben: ''Ma'r-och, ma'r-och! Wat hat-i 't da'r miserabelig! Te veul om te sterreve-n-en te weinig om te leve! Hij kreeg niet-eens 'n botram-op z'n tijd.''

Waar noemt men politieagenten wouten?

Soms zijn woorden minder plaatselijk dan hun gebruikers denken. Het woord wout voor politieagent wordt in Den Bosch, in Roermond én in Breda gebruikt en in alle drie de steden zien de gebruikers het als een woord dat kenmerkend is voor het eigen dialect.

Het komt veel vaker voor dat een 'typisch' dialectwoord uit een bepaalde stad ook in steden in andere delen van het land gebruikt wordt. Om in Den Bosch te blijven: een sufferd noemt men daar een waus; maar dat doet men in Den Haag ook. En als je aan een Bosschenaar vraagt hoe laat het is, kan hij voor de grap zeggen ''t Is klik veur d'n bult', zoals een inwoner van Zutphen op dezelfde vraag antwoordt: ''t Is klik veur de Breure'.

Waar komen al die overeenkomsten tussen 'typische' dialectwoorden vandaan? Misschien is er ooit een Hagenaar naar Den Bosch verhuisd of een Bosschenaar naar Den Haag en heeft zo iemand in zijn nieuwe woonplaats een woord geïntroduceerd dat vervolgens door zijn plaatsgenoten werd overgenomen en als 'eigen' beschouwd. En misschien zijn dit ook wel bijna algemeen Nederlandse woorden die alleen door een speling van het lot nooit in de standaardtaal terecht zijn gekomen.

Hoeveel dialecten worden er in het Nederlandse-taalgebied gesproken?

Wie op de kleinste details let, kan alleen maar zeggen: minstens twintig miljoen en waarschijnlijk nog enkele zoveel. Geen twee mensen spreken precies dezelfde taal en iemands woordkeuze, zinsbouw en accent zijn tezamen minstens even uniek voor die persoon als zijn vingerafdruk.

Hét Nederlands bestaat niet echt — er is niemand die deze taal helemaal beheerst. Op precies dezelfde manier bestaan hét Haags, hét Winterswijks of hét Venloos ook niet. Dialectonderzoekers probeerden in het verleden wel de 'ideale' dialectspreker te vinden: dat moest een man zijn (omdat mannen gemiddeld platter praten dan vrouwen) en dan liefst een oude man die zijn boerderij nooit verlaten had. Zulke mannen worden steeds schaarser en als je er al een vindt, blijkt hij toch een grootmoeder gehad te hebben die uit een andere provincie komt. Het 'zuivere' dialect is een illusie. Iedereen spreekt een mengtaal en iedereen mengt op zijn eigen manier.

Dat er misschien nog wel meer dialecten van het Nederlands zijn dan Nederlandstaligen, komt doordat iedereen meerdere varianten beheerst. Behalve de kroonprins spreekt iedereen anders tegen zijn moeder dan tegen de Koningin. En zelfs Willem-Alexander spreekt waarschijnlijk niet op dezelfde manier tegen zijn beste vriend als tegen zijn moeder.