Constructed Language and Linguistic Theory

Marc van Oostendorp

(Samenvatting lezing ACCL Seminar, Universiteit van Amsterdam, 2000)

Tot ongeveer de jaren vijftig van deze eeuw hielden veel vooraanstaande taalkundigen (zoals Rask, Jespersen, Trubetskoy en Martinet) zich van tijd tot tijd bezig met de rol van zogenoemde kunstmatige talen. Sindsdien is de belangstelling voor dit onderwerp om het zacht te zeggen nogal bekoeld. Hiervoor zijn onder andere buitentaalkundige redenen aan te wijzen, zoals een breder bekoelen van de belangstelling voor extreme taalplanning als taalpolitiek element. Belangrijk is echter ook dat vrijwel alle verschillende nieuwe soorten taalkunde zich in de tweede helft van de twintigste eeuw hebben gedefinieerd als deel van de natuurwetenschappen.

Een gevolg van deze keuze is dat een begrip als de 'vrije wil' moet worden uitgesloten. Het probleem is dat mensen van alles en nog wat kunnen verzinnen. Veel taalkundige wetten hebben, wat voor soort taalkunde je ook bedrijft, uiteindelijk de vorm 'alle talen (die eigenschap A hebben) hebben eigenschap B', dat wil zeggen 'er zijn geen talen (met eigenschap A) zonder eigenschap B'. Het is echter in het algemeen gemakkelijk om nu een taal te construeren met eigenschap A en zonder eigenschap B. Als we dergelijke talen nu ook in de beschouwing betrekken, wordt het onmogelijk algemene uitspraken over menselijke taal te doen. Dat is een belangrijke reden waarom 'kunstmatige' talen zoveel mogelijk buiten beschouwing worden gelaten.

Er zijn verschillende manieren om dat te doen: men kan bijvoorbeeld de competentie in plaats van de performance als uitgangspunt nemen en aannemen dat de eerste aangeboren is; men kan uitgaan van grote 'spontane' corpora, of grote groepen sprekers, waardoor het grillige gedrag van de individu wordt 'weggemiddeld'; enz. Men kan ook eenvoudigweg talen als het Volapük, het Esperanto en het Klingon buiten beschouwing laten en zich beperken tot de vijfduizend talen die voor zover bekend niet door iemand geconstrueerd zijn.

De aarzelingen met betrekking tot kunstmatig materiaal zijn volgens mij legitiem. Dat staat niet in de weg dat 'geconstrueerde taal' meer aandacht verdienen in de taalkunde. In de eerste plaats valt ook juist uit het gedrag van 'kunstmatige' talen in min of meer natuurlijke omstandigheden veel te leren over de natuurlijke aspecten van taal (bijvoorbeeld het gebruik van dergelijke talen in gezinnen met moedertaalsprekers), terwijl omgekeerd er eigenlijk geen 'natuurlijke' talen zijn zonder een min of meer bedacht element (bijvoorbeeld het bewust overdrijven verschillen met andere talen om de eigen identiteit uit te drukken). In deze lezing illustreer ik de eerste stelling met voorbeelden uit het Esperanto, het Volapük, en het Europanto, en de tweede met voorbeelden uit enkele Nederlandse dialecten. Het onderscheid tussen kunstmatige en natuurlijke taal blijkt wel heel moeilijk te maken. In plaats hiervan stel ik een onderscheid voor tussen 'bestaande', 'mogelijke' en 'onmogelijke' talen.

A draft version of the paper is here.