Een marsmannetje in de taalkunde

De zeventigste verjaardag van Noam Chomsky

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in Onze Taal, december 1998.

De Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky viert deze maand zijn zeventigste verjaardag. In zijn boeken brengt hij af en toe de taal van de marsmannetjes ter sprake. Die taal zou volgens hem wel eens heel anders kunnen zijn dan wat doorgaans op aarde gesproken wordt: veel logischer en veel eenvoudiger bijvoorbeeld.

Neem de manier waarop mensen een vraagzin maken. Die is hopeloos ingewikkeld voor een bewoner van de rode planeet. Van de zin `Hij heeft een boek gelezen' maken wij een vraag door het woord heeft vooraan te plaatsen: `Heeft hij een boek gelezen?' Maar waarom verandert alleen precies dat ene woordje van plaats, vragen Chomsky's marsmannetjes zich verbijsterd af als ze Nederlands proberen te leren. Zou het niet veel makkelijker zijn om de volgorde van álle woorden in de zin om te draaien? In marsmannetjestaal vraag je: `gelezen boek een heeft hij?' Toch is er geen enkele menselijke taal bekend die deze voor de hand liggende methode kiest.

ALLEDAAGS

Wie zich op het standpunt van wezens van een andere planeet stelt, neemt afstand tot de werkelijkheid. Alledaagse dingen worden op die manier ongewoon -- je kunt je er ineens over verbazen. Chomsky is dan ook zeker niet de eerste die marsmannetjes heeft gebruikt om uit te leggen wat hem interesseerde. Maar er zijn weinig geleerden geweest die zo consequent hun hele leven lang de dingen op hun kop hebben gezet als Noam Chomsky. Wie zijn werk leest, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hij misschien zelf een marsmannetje is. Anders valt nauwelijks te begrijpen hoe hij er keer op keer in slaagt te laten zien dat de dingen opmerkelijker zijn dan zijn medemensen denken.

De vraagzinnen zijn daar een voorbeeld van. Chomsky constateerde dat de structuur van alledaagse taalvormen nooit zo eenvoudig is als hij had kunnen zijn. Bovendien wees hij erop dat ieder mens -- afgezien van patiënten met een hersenstoornis -- in staat is een oneindig repertoire zinnen te begrijpen en te produceren. De zin `De voormalige ballerina sloeg met haar nijptang een gat in het afdak' heeft niemand ooit gehoord, maar kan elke Nederlandstalige desondanks begrijpen. Daar komt nog eens bij dat kinderen hun moedertaal met betrekkelijk groot gemak leren: ieder kind dat in een Nederlands gezin opgroeit, spreekt na een paar jaar vloeiend Nederlands.

REPERTOIRE

Chomsky zoekt de verklaring voor al deze verschijnselen in de veronderstelling dat het vermogen om taal te leren aangeboren is. Ieder kind wordt geboren met een handjevol ideeën over hoe mensentaal eruit moet zien. Het enige dat het kind dan nog moet zien te achterhalen zijn de woorden van zijn moedertaal. Uit de bijzondere eigenschappen van die woorden volgen de verschillen tussen talen. Vervoegde Nederlandse werkwoorden hebben de eigenschap dat ze vooraan in een vraagzin kunnen staan (Lees jij een boek?), net zoals meeste Engelse werkwoorden de eigenschap hebben dat ze daar niet kunnen staan, en dat hun plaats moet worden gevuld met een loos werkwoord do (Do you read a book?). De marsmannetjesmanier van vragen stellen kan dan misschien logisch gezien eenvoudig zijn, hij komt in het aangeboren repertoire van mensenkinderen niet voor. De kronkels die we in alle menselijke talen vinden zijn het gevolg van de kronkels die alle mensen in hun hoofd hebben.

Chomsky heeft als die kronkels zo nauwkeurig mogelijk beschreven. Vooral in zijn vroegste werk leken de grammaticaregels die hij schreef sterk op wiskundige axioma's. Zo precies waren die regels dat ze bijna voor een computer begrijpelijk waren. Hij heeft dan ook zijn hele leven op het Massachusetts Institute of Technology gewerkt, een prestigieus technologisch instituut waaraan tegenwoordig bijvoorbeeld ook de uitvinder van het Worldwide Web verbonden is. Chomsky werd er in de vroege jaren vijftig aangenomen om aan een computervertaalproject te werken. Het was de tijd van de Koude Oorlog; de Amerikaanse regering vond het enorm belangrijk om snel en goedkoop Russische teksten in het Engels te kunnen vertalen. Bovendien was de computerindustrie in de jaren vijftig precies even optimistisch als ze in de jaren negentig is. Binnen een paar jaar zouden we een vertaalcomputer hebben, net zoals het nu nog steeds nog maar ``een paar jaar'' duurt voor we zo'n ding zullen hebben.

VOLKOMEN ZINLOOS

Chomsky vertelde degene die hem het sollicitatiegesprek afnam dat hij niets in het vertaalproject zag: het had ``geen enkel intellectueel belang'' en was ``volkomen zinloos''. Zijn gesprekspartner vond die dwarsheid wel interessant en nam Chomsky aan. Ook tegenwoordig ligt technologisch werk aan computertoepassingen niet in het centrum van Chomsky's belangstelling. ``Misschien heeft het wel enig nut; het is misschien net zoiets als het bouwen van een grotere bulldozer. Het is leuk om grote bulldozers te hebben als je gaten in de grond wil graven'' zei hij enkele jaren geleden. Chomsky heeft altijd meer belangstelling gehad voor de manier waarop de menselijke taal functioneert, dan voor wat zijn werk kan opleveren dan in praktische toepassingen.

Voor Chomsky hebben die bijna wiskundige formuleringen dan ook een heel ander doel. Zo'n manier van noteren verplicht de taalkundige om zich zo nauwkeurig mogelijk uit te drukken, en niets impliciet te laten. Een goede wiskundige formule kan ook begrepen worden door wezens van een andere planeet. Voor Chomsky bestaat een grammatica uit een verzameling dergelijke formules. Een dergelijke grammatica wordt een generatieve grammatica genoemd.

Er steekt nog iets anders achter: vragen zijn niet de enige zinnen waarbij woorden van plaats veranderen. In het Nederlands wisselen bijvoorbeeld ook woordjes zoals het en haar van plaats. We zeggen ``Ik geef mijn vrouw een boek'', maar ``Ik geef het haar''. ``Ik geef haar het'' klinkt bijna net zo vreemd als ``Ik geef een boek mijn vrouw.'' Dergelijke verplaatsingen zijn volgens Chomsky voorbeelden van hetzelfde mechanisme dat ten grondslag ligt aan vraagwoordvorming. Door een wiskundige formulering te gebruiken hoopt hij de natuurwet achter dat mechanisme beter te kunnen laten zien. Dit, en zijn nogal ondoordringbare stijl, maakt een groot deel van zijn werk tamelijk ontoegankelijk, maar in lezingen en interviews probeert hij een breder publiek te bereiken. Het debat gaat hij daarbij niet uit de weg: anders dan sommige van zijn collega's vindt Chomsky de mening van de leek niet per se minder waardevol dan die van een vakgenoot.

POLITIEK

Dat Chomsky veel dingen anders ziet dan anderen, blijkt ook uit zijn vele boeken, artikels en lezingen over politieke onderwerpen. Dertig jaar geleden stond hij zelfs een tijdje op een lijst met staatsvijanden van het Amerikaanse Witte Huis, vanwege zijn bijtende kritiek op de oorlog in Vietnam. Ook daarna heeft hij zich altijd zeer kritisch uitgelaten over onder andere de Amerikaanse interventies in het buitenland en de Westerse pers die zich volgens hem zelfcensuur oplegt en die op de hand is van de machthebbers als het om dit soort belangrijke kwesties gaat.

Chomsky beweert zelf dat zijn buitenstaandersblik begrepen kan worden uit zijn achtergrond. Hij groeide op in een Joods gezin in een wijk van de stad Philadelphia waar verder vooral Ierse en Duitse immigranten woonden -- en waar het gebruikelijk was om antisemiet te zijn. Uit diezelfde achtergrond valt misschien ook Chomsky's belangstelling voor taal te verklaren, want zijn vader was een bekende specialist in het Hebreeuws. Toen hij twaalf was, las de jonge Noam het manuscript van het boek dat zijn vader geschreven had over de twaalfde-eeuwse Hebreeuwse grammaticus David Kimri.

VERWIJTEN

Zowel Chomsky's politieke als zijn taalkundige werk zijn altijd op veel tegenwerpingen gestuit. Sommige taalkundige collega's verwijten hem dat hij zich te veel op het Engels richt, en te weinig rekening houdt met de duizenden andere talen op deze wereld. Ook maken sommige taalwetenschappers er bezwaar tegen dat Chomsky alleen kijkt naar de taal van het individu en `vergeet' dat taal gebruikt wordt als communicatiemiddel tussen individuen. Het is ongetwijfeld waar dat Chomsky allerlei cruciale aspecten van taal over het hoofd ziet. Toch zijn die bezwaren vaak een beetje potsierlijk: alsof je een celbioloog verwijt dat hij de hele tijd in zijn microscoop kijkt, en vergeet om het paringsgedrag te bestuderen van de dieren waartoe die cellen behoren.

In ieder geval is Chomsky nu al een van de invloedrijkste denkers van de twintigste eeuw. In een enkele jaren geleden samengestelde top tien van de meest geciteerde auteurs in de sociale wetenschappen en de letteren stond hij als enige nog levende schrijver: na Marx, Lenin, Shakespeare, Aristoteles, de Bijbel, Plato en Freud, maar nog voor Hegel en Cicero.

Chomsky publiceert nog regelmatig artikels en boeken over zijn vakgebied. Sommige geleerden krijgen een keer in hun leven een oorspronkelijk idee, om daar vervolgens hun hele leven aan te blijven hangen. Noam Chomsky stelt juist minstens een keer per decennium zijn theorie eigenhandig radicaal bij. Het is alsof hij de mogelijkheid heeft om ook zijn eigen werk steeds met nieuwe ogen te bekijken. Die mogelijkheid is slechts weinigen gegeven -- in ieder geval onder aardemannetjes.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van onder andere de volgende boeken:

Robert F. Barsky Noam Chomsky; A life of dissent. Cambridge (Mass.), The MIT Press, 1997. ISBN 0-262-02418-7

Noam Chomsky Keeping the rabble in line; Interviews with David Barsamian. Edinburgh, AK Press, 1994. ISBN 1-873176-18-X

James Peck (red.) The Chomsky reader. New York, Pantheon Books, 1987. ISBN 0 394 55956-8