De raakvlakken van Fred Weerman

Een interview

Susanne van der Kleij en Marc van Oostendorp

Dit artikel verscheen eerder in vakTaal, 2003

Fred Weerman"Ik gok op twee paarden", zegt prof. dr. Fred Weerman, sinds januari 2001 hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam.. "Aan de ene kant hoor ik duidelijk bij de neerlandistiek, de studie van de Nederlandse taal en cultuur. Maar tegelijkertijd hoor ik natuurlijk ook bij het internationale vak van de taalkunde, dat raakvlakken heeft met de psychologie en de sociologie."

Weerman is een man van raakvlakken. Op allerlei gebied ziet hij mogelijkheden tot samenwerking en steeds weer benadrukt hij hoe belangrijk hij het vindt om over de grenzen van het eigen vakgebied heen te kijken. Als je hem vraagt of er verschillen bestaan tussen Utrecht, waar hij tot zijn hoogleraarschap werkte, en Amsterdam, noemt hij bijvoorbeeld meteen de verschillende sfeer. "In Utrecht zijn er veel meer taalkundigen en is er veel meer geld, maar is de cultuur toch wat geslotener, men richt zich meer op één vorm van taalkunde. Zo’n concentratie kan heel goed zijn, en er worden in Utrecht heel goede resultaten mee bereikt, maar ook benauwend werken."

Nette taalkundige

"Ik bedoel met die ene stroming de generatieve taalkunde, en daarbinnen dan eigenlijk alleen een heel bepaalde tak van dat soort taalkunde. Ik ben zelf een nette generatieve taalkundige en mijn collega’s in Utrecht namen mijn werk ook zeker serieus. Maar ik vind dat je ook uit andere vakken veel kunt leren. Ik ben zelf bijvoorbeeld geïnteresseerd in de manier waarop taal in de loop van de tijd verandert. Om taalverandering goed te begrijpen moet je ook wat afweten van de geschiedenis, van demografie en allerlei andere vakken. Het kan heel inspirerend zijn over de grenzen van je vak heen te kijken. Aan de Universiteit van Amsterdam is de sfeer opener. Mensen praten meer met elkaar en werken beter samen."

Ook met andere neerlandici van de Universiteit van Amsterdam kan Weerman goed samenwerken: "De neerlandistiek is op zijn minst als onderwijsmodel heel aantrekkelijk. Je leert de student kennismaken met een groot aantal heel uiteenlopende methoden en benaderingswijzen. Zo wordt die student op een heel goede manier breed academisch gevormd. Je zou natuurlijk ook heel andere pakketten kunnen aanbieden, die even breed zijn, maar de neerlandistiek is nu eenmaal historisch zo gegroeid. Ik denk trouwens dat andere vakken ook een vergelijkbaar scala kunnen bieden, ook binnen de natuurkunde heb je waarschijnlijk allerlei benaderingen."

"Ook in het onderzoek valt er natuurlijk samen te werken, al hoef je dat niet te forceren, en al zijn daar ook allerlei andere vormen van samenwerking. Taalkundigen kijken al heel lang over de grenzen van hun taal heen, maar bijvoorbeeld taalbeheersers en mediëvisten doen dat ook al veel langer. En als modern letterkundigen het nog niet doen, zouden ze dat op zijn minst wel moeten."

Dikke studiegids

Behalve de collega’s zijn ook de studenten in Amsterdam duidelijk anders dan die in Utrecht. "Als je met de trein van Nijmegen naar Amsterdam gaat, merk je dat de studenten steeds assertiever worden. In Nijmegen zijn ze nog behoorlijk braaf, in Utrecht wordt dat al minder en in Amsterdam nemen de studenten geen enkel blad voor de mond. Het lijkt een beetje op Amerika: daar discussiëren studenten gemiddeld veel meer en veel beter dan in Nederland."

"Dat bevalt me trouwens uitstekend, ik heb tot nu toe heel goede ervaringen met Amsterdamse studenten. Er ontstaan levendige gesprekken. Collega’s hadden me vantevoren gewaarschuwd voor het lage niveau van de Amsterdamse studenten, maar ik heb daar niks van gemerkt. Ja, jullie kijken verbaasd, maar de studenten die naar college komen zijn over het algemeen oprecht geïnteresseerd."

Maar het kan in Amsterdam toch niet alleen maar mooier en beter zijn dan in Utrecht? "Ik heb moeite met de baasjescultuur in Amsterdam. Als de decaan van de faculteit in Amsterdam met de vuist op tafel slaat, gebeurt er wat hij wil. Utrecht is veel minder hiërarchisch. Misschien komt het doordat in Amsterdam de democratisering in de jaren zeventig te ver was doorgeschoten, dat men hem nu weer zo drastisch heeft teruggedraaid."

Heeft Weerman een voorbeeld van die baasjescultuur? "We hebben hier een veel te dikke studiegids. Als je die ziet, merk je meteen dat er geen student aan te pas is gekomen, hij is onhanteerbaar, duidelijk iets wat men van hogerhand heeft bedacht zonder rekening te houden met de gebruikers."

Fundamenteel onderzoek

"Soms" zei Weerman in de oratie die hij in juni hield, "staat de neerlandistiek naar mijn smaak wat te veel met de rug naar de toekomst en neemt zij niet of nauwelijks deel aan discussies waar ze een belangrijke inbreng kan en eigenlijk ook moet hebben. Ik denk bijvoorbeeld aan vragen rond multiculturaliteit en meertaligheid." Wat is dat voor inbreng die neerlandici volgens hem zouden moeten hebben? "We zouden in de eerste plaats voorlichting moeten geven", zegt Weerman nu. "Over de multiculturele samenleving is er in 2001 wel een taalkundig manifest verschenen, maar meestal hoor je in debatten over dit soort vragen veel te veel quasi-taalkundige non-argumenten en blabla."

"Ik moet wel toegeven dat dit ook moeilijke vragen zijn. We zijn als taalkundigen tekortgeschoten in het fundamenteel onderzoek naar tweetaligheid. Maar er is wel heel veel onderzoek gedaan naar taalverwerving bij eentalige kinderen, en misschien was de wetenschap nog niet zo ver om een ingewikkelde kwestie als tweetalige taalverwerving aan te pakken. Toch denk ik dat we meer hadden kunnen doen. Je mag je onderzoeksagenda ook best – deels – laten bepalen door vragen uit de maatschappij."

Maar meer in het algemeen vind Weerman dat neerlandici zich meer op de maatschappij zouden moeten richten. "Er heersen zoveel misverstanden over taal. Je zou misschien ook al op de middelbare school moeten beginnen. Veel mensen, ook veel scholieren zijn ook echt heel erg geïnteresseerd in taal."

Maar wie Fred Weerman een beetje boos wil maken, moet over de spelling beginnen. "Ik vind dat wij ons echt niet met de spelling moeten bemoeien. Dat is zo’n non-issue, zo’n totale armoe. Die spellingregels zijn hoe je het ook bekijkt volkomen arbitrair. Ik vind dat we de mensen in het beste geval zouden moeten vertellen dat ze wat toleranter moeten zijn over verschillende manieren van spelling. Maar misschien ben ik wel teveel een type uit de jaren zeventig."