Toen hij twaalf jaar oud was bedacht Rolandt Tweehuysen het land Spokanië en de taal die in dat land gesproken wordt, het Spokaans. Dat niemand anders de taal in de tussenliggende periode geleerd heeft, belet hem niet nog steeds dagelijks met grote precisie en ijzeren consequentie te werken aan zijn jeugddroom. Een gesprek met âs werelds beroemdste spokanist over een kunstwerk ter grootte van een complete taal en een bijbehorende cultuur.

Wat en hoe in het Spokaans


De taal en cultuur van een zelfbedacht land

Marc van Oostendorp

(Geschreven voor Onze Taal, mei 1998)

Zelfs de enige Nederlander die serieus geprobeerd heeft Spokaans te leren, moet toegeven dat zijn spreek- en luistervaardigheid na tientallen jaren van studie onder de maat zijn. ``Toen ik onlangs een uitvoering bijwoonde van Spokaanse liederen, kon ik deze maar met moeite verstaan'', bekent Rolandt Tweehuysen.

Die problemen zijn opmerkelijk: Tweehuysen schreef niet alleen zelf de voorgedragen liedteksten, maar bedacht ook de taal Spokaans en het land waar die taal gesproken wordt, Spokanië. Toch zijn Tweehuysens problemen ook wel te begrijpen. ``Ik heb geen mogelijkheid om mijn taalvaardigheid te oefenen'', legt hij uit. ``Ik kan nooit een gesprek voeren met een moedertaalspreker. Ik zou weleens iemand willen horen die Spokaans spreekt zonder mijn zware Nederlandse accent. Soms droom ik in het Spokaans, en dan praat ik met zo iemand. Maar als ik wakker ben, kom ik nooit een Spokaniër tegen.''

De moeilijkheid wordt nog vergroot doordat hij de taal in de loop der tijden zoals hij zelf zegt ``zo interessant mogelijk'' gemaakt heeft: negen delen en ruim vijftienhonderd bladzijden beslaat de grammatica die hij schreef, en ze is nog altijd niet compleet. Dat geldt ook voor Tweehuysens elektronische Spokaans-Nederlandse en Nederlands-Spokaanse vertaalwoordenboek: hoewel dat al ruim vijfentwintigduizend trefwoorden bevat, ontdekt Tweehuysen nog bijna dagelijks lacunes.

Ook de cultuur van het land, dat ruim twee keer zo groot is als Nederland en ongeveer zeven miljoen inwoners telt, heeft Tweehuysen nauwkeurig vastgelegd. Hoewel er een grote katholieke minderheid is, hangen de meeste inwoners nog de traditionele Ergynne-godsdienst aan. In deze godsdienst heerst een taboe op competitie: dat is een belangrijke reden waarom Spokanië zelden of nooit vertegenwoordigd is op de Olympische Spelen, en ook niet bij de aanstaande wereldkampioenschappen voetbal. De regering van de eilandengroep in de Atlantische Oceaan voert bovendien sinds jaar en dag een isolationistische politiek en ook de economie van het land is zo onafhankelijk mogelijk van het buitenland.

GEOFICTIE

Zijn er ooit mensen zo ver gegaan met het maken van een fantasietaal? Tweehuysen: ``Ik ken ze in ieder geval niet, ook niet uit de geschiedenis. Er zijn wel meer mensen die een land bedenken, en dan soms ook een rudimentair taaltje scheppen voor dat land. Begin jaren tachtig was er een kleine golf van belangstelling. Toen is er ook een Vereniging voor Geofictie opgericht, door mensen die landen bedenken. Maar die mensen zijn toch met andere dingen bezig dan ik. Meestal maken ze een utopie van hun fantasieland -- een utopie waarvan ze zelf bovendien koning zijn. Spokanië is helemaal geen utopie. Het is een echt land, met zijn eigen problemen en nadelen. Ik speel ook geen belangrijke rol in het openbare leven van dat land. Ik kom er af en toe als toerist en onderzoeker, en ik heb een pied-à-terre in een mooi dorp, niet al te ver van de hoofdstad. Meer niet.

Een paar jaar geleden gaf ik een lezing voor de leden van Geofictie. Ze wilden dat het zou gaan over een bizarre fantasietaal, en dat is het Spokaans natuurlijk niet. Ik zie het als een echte volwaardige taal. Ik heb dat toen opgelost door te zeggen dat ik sprak namens een Spokaniër die ook een land en een taal bedacht had. De taal had allerlei bizarre kenmerken. Zo kon je het mannelijk bezittelijk voornaamwoord maken door een ön achter het vrouwelijk persoonlijk voornaamwoord te zetten; van zij maakte je zijn. Ik had veel kritiek op het werk van die Spokaniër, want het woord hijn kon je helemaal niet maken, en wijn betekende weer iets anders. De grammatica van de taal zat naar mijn mening veel te onlogisch in elkaar. Bovendien was de naam van het land waar die taal gesproken zou worden erg voor de hand liggend: het fantasieland van die Spokaniër was helemaal plat en lag onder de zeespiegel en heette daarom Nederland. Te flauw voor woorden, vond ik dat.''

Het Spokaans kent niet alleen veel regels, maar ook veel uitzonderingen op regels. Die uitzonderingen zijn soms alleen maar te begrijpen voor wie de honderden jaren oude geschiedenis van de taal kent. Er zijn in het moderne Spokaans bijvoorbeeld eigenlijk geen woorden die eindigen op een beklemtoonde klinker, maar werkwoorden in de voltooide tijd eindigen juist weer wel op zo'n beklemtoonde klinker. Dat kunnen we afleiden uit de volgende voorbeelden:

(1)?ef efantys orefánte
?de kinderen zwemmen
?ef efantys orefantá
?de kinderen hebben gezwommen

Die klemtoonverschuiving kunnen we alleen begrijpen als we weten dat werkwoorden in het Oudspokaans nog wel op een medeklinker eindigden. `De kinderen zwemmen' klonk toen waarschijnlijk ongeveer als ef efantys orefántel en `de kinderen hebben gezwommen' als ef efantys orefantéll. Die l aan het eind van het werkwoord is in de loop van de tijd afgesleten, net als de n aan het eind van werkwoorden als lopen in het Nederlands. Maar hoewel de medeklinker verdween, bleef de klemtoon staan. Een extra aanwijzing hiervoor is dat we dezelfde klemtoonverandering ook soms in een andere constructie zien op zelfstandig naamwoorden ö en daar is de eindmedeklinker niet weggesleten.

Het woord efantys in dit voorbeeld is overigens een leenwoord, vermoedelijk uit het Frans (`enfants'). Het oude Spokaans had geen sekseneutrale woorden voor personen. Er bestond dus wel een woord voor `jongen' en een woord voor `meisje', maar er bestond geen woord voor `kind'. Sekseneutrale persoonsaanduidingen zijn daarom in het Spokaans vaak leenwoorden uit Europese talen.

RODE PEN

Tweehuysen is behalve spokanist ook taalkundige aan de Universiteit van Amsterdam. De verklaring voor de vreemde klemtoon op de werkwoorden werd geopperd door een collega na een lezing van Tweehuysen. Het komt niet vaak voor dat andere taalkundigen serieus over het Spokaans nadenken. ``De meesten vinden het waarschijnlijk te frivool. Maar volgens mij zou er wel degelijk goed onderzoek naar gedaan kunnen worden. Ik gebruik die taal, ik denk erin, ik droom erin. Dat fenomeen zou bijvoorbeeld door psycholinguïsten, taalkundigen die geïnteresseerd zijn in de manier waarop taal in de menselijke hersenen opgeslagen is, bestudeerd kunnen worden.''

Ook als hij over zijn eigen werk praat, zegt hij liever dat hij de taal onderzoekt, dan dat hij haar bedenkt of maakt. ``Het meeste heb ik bedacht toen ik een kind was, en zeker sinds begin jaren tachtig is er nauwelijks nog iets aan de grammatica van de taal veranderd. Ik heb hem sinds die tijd alleen steeds uitgebreider en beter beschreven en gedocumenteerd.'' Die documentatie is nu dan ook indrukwekkend. Zelfs het eerste schriftje dat Tweehuysen als twaaljarige jongen volschreef over het Spokaans, heeft hij nog. Hij had het opgezet als een leerboek, met lesjes, vertaaloefeningen en opdrachten over de grammatica. Met een rode pen schreef hij zelf `goed zo' en `onvolledig!' bij de opgaven.

Tweehuysen is altijd trouw gebleven aan de eerste opzet. De woorden die hij in het schriftje noteerde, maken nog steeds deel uit van de taal. Hij heeft het systeem alleen steeds verder uitgewerkt. Hij gaat daarbij heel nauwkeurig te werk en probeert inconsequenties te vermijden. Als hij in zijn woordenboek een roman citeert om het gebruik van een woord te illustreren, beschrijft hij in zijn overzicht van de literatuur wie de auteur was van de roman en op welke pagina het desbetreffende citaat voorkomt.

NOOIT WEG

Zestien jaar geleden verscheen bij de Nederlandse uitgever Ploegsma Tweehuysens boek Uit in Spokanië ö Nooit weg, volgens het omslag een `literaire reisbeschrijving' naar het land. Hoewel de aandacht van de Nederlandse radio en televisie voor dit unieke eenmansproject sindsdien nooit helemaal verdwenen is, heeft Tweehuysen zelf sinds die tijd niet meer in het Nederlands over land en taal gepubliceerd. Het werk aan zijn proefschrift ging voor.

Binnenkort moet hier echter verandering in komen: het is de bedoeling dat er rond het jaar 2000 een uitgebreide promotiecampagne voor Spokanië en het Spokaans op gang komt. Tweehuysen: ``Met een uitgever heb ik contact over een reisgids in een bekende reeks. Het is de bedoeling dat er daarnaast een populair-wetenschappelijk boek komt over de taal. De zangeres Mania Kats heeft Spokaanse liederen op haar repertoire staan en vermeldt zelfs op haar curriculum vitae dat ze zich bezighoudt met traditionele Spokaanse muziek. Een paar jaar geleden is er op de kunstacademie in Den Haag iemand afgestudeerd op een documentaire over Spokanië. En wie weet verschijnt er ook nog een keer een boek over het Spokaans in het Engels.''

SPOCANAIR

Tegen die tijd heeft de Spokaanse overheid misschien een eigen weblocatie, zodat ook de gebruikers van Internet hun nieuwsgierigheid naar het land en de taal kunnen bevredigen. Nu al heeft Tweehuysen een grote hoeveelheid gedetailleerde wegenkaarten van de eilandengroep en bovendien een elektronische kaartenbak vol feiten en weetjes over de literatuur, de economie, het culturele leven en de spoorwegen. Van elk dorp in Spokanië weet hij de naam en het inwonertal; van elke vuurtoren aan de kust noteerde hij de lichtcode. ``Voordat ik dat allemaal openbaar ga maken, wil ik wel eerst laten uitzoeken hoe een en ander auteursrechtelijk in elkaar zit. Dat is nog een hele puzzel: hoe regel je de auteursrechten op een heel land en een hele cultuur?''

Juridisch valt er nog wel meer uit te zoeken; bijvoorbeeld hoe het zit met de erkenning van Spokanië door de Nederlandse overheid. ``Jaren geleden gaf ik een lezing in een bomvol literair café in Rotterdam. Ik vertelde onder andere dat de luchtvaartmaatschappij Spocanair enkele malen per week op Schiphol vliegt. Na afloop kwam er een man naar me toe die vroeg of Spokanië en Nederland wel een luchtvaartverdrag hadden afgesloten. Als dat niet zo was, waren al die vluchten illegaal. Die man bleek een topambtenaar te zijn bij de Rijksluchtvaartdienst. Hij heeft er werk van gemaakt. Een paar maanden later had hij de zaak rond, en kon het contract door de betrokken ministers ondertekend worden. Een vriend van me speelde de minister van Spokanië, en Neelie Kroes was hier in Nederland minister van Verkeer en Waterstaat. Zij ondertekenden tijdens een plechtig ceremonieel het verdrag in drie talen (Nederlands, Spokaans en Engels).

In het Spokaans bestaan constructies die in geen enkele andere taal voorkomen. In de meeste talen wordt het verschil tussen tegenwoordige, voltooide en toekomende tijd uitgedrukt door hulpwerkwoorden (`ik zal werken') of door voor- of achtervoegsels (`ik werkte, gewerkt') van het werkwoord. Het Spokaans doet het op een heel andere manier. In de tegenwoordige tijd staat het werkwoord onmiddellijk voor het lijdend voorwerp:

(1)?Petriy trempe ef mimpit
?Petriy leest het boek

In de verleden tijd staat het werkwoord (trempe) helemaal achterin de zin:

(2)?Petriy ef mimpit trempe
?Petriy heeft het boek gelezen

In de toekomende tijd staat het werkwoord nu juist weer helemaal vooraan in de zin:

(3)?Trempe Petriy ef mimpit
?Petriy zal het boek lezen

Er zijn natuurlijk ook werkwoorden zoals `huilen' die geen lijdend voorwerp bij zich hebben. Om het verschil tussen tegenwoordige en verleden tijd dan toch te kunnen uitdrukken, kan bij sommige werkwoorden een Spokaniër een loos lijdend voorwerp ef Sôt `het ding' gebruiken (in andere gevallen wordt de klemtoon verschoven):

(4)?Lisa arkette ef Sôt
?Lisa huilt
?(lett: Lisa huilt het ding)

(5)?Lisa ef Sôt arkette
?Lisa huilde
?(lett: Lisa het ding huilt)

TERRORISTISCHE AANSLAGEN

De Rijksvoorlichtingsdienst heeft het persbericht over deze ondertekening onderschept omdat de voorlichters vonden dat de minister zich op deze manier belachelijk maakte, en daarom verscheen er alleen een berichtje in de Volkskrant. Maar sindsdien heeft Spokanië een officieel luchtvaartverdrag met Nederland: Spocanair mag van en naar Schiphol vliegen en een keer per jaar mag een delegatie van de Spokaanse overheid het Nederlandse vliegveld controleren op veiligheid en bestendigheid tegen terroristische aanslagen. Ik zou weleens uitgezocht willen zien of dit geen Nederlandse erkenning inhoudt van het land Spokanië. Kan een minister wel een luchtvaartverdrag tekenen met een land waarvan ze het bestaan niet erkent?''

Of er nu wel of geen officiële verdragen zijn voor het internationale vliegverkeer, ook Spokanië ontkomt niet aan de mondialisering. Is het nog wel nodig om Spokaans te leren? ``Wat de jonge mensen betreft niet meer'', zegt Tweehuysen. ``De jeugd spreekt in Spokanië tegenwoordig uitstekend Engels, net als overal ter wereld. Er komen ook veel leenwoorden uit het Engels. Alleen de spelling wordt aangepast. Het woord voor computer is bijvoorbeeld cômputer.'' Het Spokaans is daarmee als een zandkasteel bij opkomende vloed -- als er geen actie wordt ondernomen is het over honderd jaar een dode taal. In ieder geval heeft Rolandt Tweehuysen het dan voor het nageslacht vastgelegd.