Dit artikel verschijnt in het juni-nummer van Onze Taal 1998.

De Taalunie moet naar buiten treden

Interview met Koen Jaspaert, de hoogste ambtenaar bij de Taalunie

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in Onze Taal, 1998)

Als Koen Jaspaert, de nieuwe Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie, iemand over grammaticaregels hoort spreken, denkt hij meteen aan voetbal. ``Veel van die regels zijn achteraf bedacht en willekeurig,'' zegt hij. ``Ik herinner me dan dat mijn zoon liever wilde dat ík hem naar school bracht dan dat zijn moeder dat deed. Volgens hem won het voetbalteam alleen als ik kwam kijken. Ik bracht hem dus naar het veld, maar de club van mijn zoontje verloor. Toen ik hem daarnaar vroeg, zei hij dat dit te maken had met de witte shirts die ze die dag droegen. Daarin verloren ze ook altijd. '' Hij bedacht achteraf allerlei regels om de wereld te kunnen begrijpen, maar erg succesvol waren die regels niet.

Sinds 1 april van dit jaar bekleedt Jaspaert de belangrijkste ambtelijke functie op het werkterrein van de Nederlandse taal en de Nederlandstalige cultuur. Als hoogste ambtenaar bij de Taalunie leidt hij de uitvoering van het gezamenlijke Vlaams-Nederlandse taal- en cultuurbeleid. Tot die tijd heeft zijn carrière zich vooral afgespeeld in de wetenschap: hij was verbonden aan de universiteiten van Tilburg en Leuven. Jaspaert is de eerste taalwetenschapper die de functie van Algemeen Secretaris gaat vervullen; zijn beide voorgangers kwamen uit ambtelijke kringen.

Vakmensen

Toch beschouwt Jaspaert de verandering in zijn carrière niet als een grote overstap. ``Ik heb altijd geprobeerd wetenschappelijke inzichten te toetsen aan de maatschappelijke werkelijkheid. Of ik nu hier bij de Taalunie zit, of op de universiteit, maakt daarvoor niet zo veel uit. Misschien ga ik over een paar jaar ook wel weer college geven.''

De voorlichtende taak van de Taalunie is voor Jaspaert een van de belangrijkste. ``De afgelopen jaren heeft de Taalunie vooral veel contacten gelegd en onderhouden met dee deskundigen. Zij kennen de Taalunie nu ook echt als een aanspreekpunt voor hun eigen vak: de mensen in het onderwijs weten ons bijvoorbeeld wel te vinden als het gaat om beleid over het onderwijs in het Nederlands. De Taalunie heeft de afgelopen jaren veel aandacht gehad voor het creëren van die infrastructuur, en ze heeft dat ook uitstekend gedaan. Nu wordt het tijd om een stap verder te gaan; om meer naar buiten te treden, het publiek tegemoet.''

Manifestaties

Hoe gaat men dat aanpakken? ``Over twee jaar, in het jaar 2000, bestaat de Taalunie twintig jaar. Het is de bedoeling dat we dat gaan vieren met enkele manifestaties voor een groter publiek. Over de vorm daarvan zijn we op dit moment hard aan het nadenken.'' In ieder geval moeten de activiteiten een tegenwicht bieden tegen de te grote nadruk die er volgens Jaspaert nog vaak ligt op kwesties van goed en fout als het gaat over taal in de Vlaamse en Nederlandse media. Als mensen aan de Taalunie denken, denken ze vaak in eerste instantie aan de spellingperikelen. Ook dat moet veranderen. ``De televisie-aandacht beperkt zich toch tot `Het Groot Dictee der Nederlandse Taal', of `Tien voor Taal'. En in dat laatste programma zijn alle onderdelen die niet over goed en fout gaan in de loop der tijd zo'n beetje geschrapt. Ik zie het als een taak van de Taalunie om er op te wijzen dat er meer is dan dat.''

De willekeurigheid van discussies over goed en fout heeft de Vlaming Jaspaert aan den lijve ondervonden. ``In Vlaanderen leren kinderen op school nog steeds dat het woord appartement fout is. In plaats daarvan moet je flat zeggen. Maar toen ik in verband met mijn werk bij de Taalunie een pied-à-terre zocht in Den Haag, heb ik de documentatie van een aantal makelaars hier doorgenomen. Daarin wordt onbekommerd gesproken over appartementen, en niemand vindt dat fout.''

Suriname

De kans bestaat dat dit soort kwesties in de nabije toekomst nog ingewikkelder worden. Het Comité van Ministers dat waakt over de Taalunie heeft besloten dat er gestreefd zal worden naar een zogenaamde `associatie-overeenkomst' met Suriname. Op een aantal terreinen zal de Taalunie nauw gaan samenwerken met de Surinaamse overheid en met Surinaamse deskundigen. ``Dat betekent onder andere dat er af en toe meer rekening gehouden zal moeten worden met de Surinaamse variant van het Nederlands,'' zegt Jaspaert.

Bestaat met al die aandacht voor varianten niet de kans dat de standaardtaal uit elkaar zal vallen? En is de Taalunie dan nog wel nodig? Die organisatie is immers opgericht vanuit de gedachte dat Vlaanderen en Nederland een taal delen. Volgens Jaspaert is er geen reden voor ongerustheid. ``Een standaardtaal blijft ook bestaan als je aanneemt dat er meerdere varianten zijn, en dat je niet altijd hoeft te kiezen welk van deze varianten de `juiste' is. Bovendien zijn er ook gewoon praktische argumenten. Kijk eens naar de leraren Nederlands in het buitenland. Het is weinig efficiënt als de Vlaamse en de Nederlandse overheid ieder voor zich bijvoorbeeld een docent in Californië zouden aanstellen. Die overheden doen dit nu samen en dat levert grote besparingen op. Als alles geregeld zou moeten worden op ministeries in te twee landen, zou men toch zeer veel bijeen moeten komen voor overleg. Dan kun je maar beter meteen de mensen bij elkaar zetten in één kantoor.''