Niet bang voor meertaligheid

Parlementariër Judith Belinfante over taalpolitiek

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in Onze Taal, juni 2001)

Meertaligheid is een sleutelbegrip in Judith Belinfantes kijk op taalpolitiek. We moeten niet bang zijn voor andere talen, vindt zij. Belinfante is lid van de Tweede Kamer voor de PvdA en voorzitter van de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie.

In discussies over de multiculturele samenleving of de Europese Unie zien mensen soms problemen mede uit angst voor meertaligheid. Die angst is volgens haar onterecht: "Mijn voorouders kwamen in de zeventiende eeuw uit onder andere Spanje en Portugal naar Nederland. Tot in de negentiende eeuw gebruikte onze familie Spaans, Portugees, Nederlands en Hebreeuws. In de synagoge werd ook heel lang nog in het Portugees gepreekt. Zelfs in mijn vaders familie werden af en toe nog Portugese uitdrukkingen gebruikt. Als het met onze familie zo enkele eeuwen lang kon gaan, waarom zouden we ons dan op dit moment zoveel zorgen maken om de nieuwkomers van nu?"

Onwerkbare situatie

In de Interparlementaire Commissie controleert Belinfante het werk van de Nederlandse Taalunie. De Taalunie is een overheidsinstelling die het gezamenlijke Vlaams-Nederlandse beleid op het gebied van de Nederlandse taal en letteren coördineert en deels uitvoert. In de Interparlementaire Commissie zitten 22 parlementsleden uit Nederland en Vlaanderen.

Wat is het bestaansrecht van de Nederlandse Taalunie? Waarom moeten de Nederlandse en Vlaamse overheid zich gezamenlijk met de taal bemoeien?

"In het verleden was de taaleenheid voor de Vlamingen belangrijk om sterker te staan in taalpolitieke discussies binnen België. Tegenwoordig is dat gezamenlijke optreden bijvoorbeeld belangrijk om de positie van het Nederlands in Europa te garanderen.

Met de uitbreidingen van de Europese Unie kun je voorzien dat er op een bepaald moment een onwerkbare situatie ontstaat. Je kunt niet tijdens een vergadering tolken pakweg twintig talen van de ene naar de andere taal laten vertalen. Op het moment dat daar discussie over ontstaat, moeten wij als taalgebied opkomen voor het belang van de minder gebruikte talen zoals het Nederlands. Want in een democratie moet in ieder geval de besluitvorming toegankelijk zijn voor alle burgers. Iedereen moet alle wetten en besluiten kunnen lezen, in zijn of haar eigen taal. Bovendien moet ook gegarandeerd blijven dat iedereen kan deelnemen aan het democratische debat en lid kan worden van het Europees Parlement zonder meer talen te beheersen. Als dat niet meer op de huidige manier kan, dan moeten andere middelen worden ingezet, bijvoorbeeld taaltechnologie, of vertalingen vanuit een andere taal."

Veel ervaring

Maar die principes houden toch niet op bij het Nederlands? We zouden dan ook moeten opkomen voor de rechten van nog kleinere talen, zoals het Grieks.

"Dat is waar. Het Nederlandse taalgebied heeft een bijzondere positie. Nederland en België maken al sinds 1951 deel uit van de voorlopers van de Europese Unie. We hebben dus al veel ervaring in het verdedigen van de belangen van kleinere talen en we zouden dan ook bijvoorbeeld het Grieks moeten ondersteunen evenals de andere zogeheten ‘minder gebruikte talen’."

"Op ambtelijk niveau en in commissies voorkom je overigens niet dat besprekingen gevoerd gaan worden in een beperkt aantal talen. Als je alleen je eigen taal spreekt, heb je daardoor een achterstand. Wie als ambtenaar in Europa wil werken, moet zeker meertalig zijn, maar dat lijkt me eerder positief dan negatief. De Amerikanen bevinden zich volgens mij uiteindelijk in een negatieve positie. Het feit dat ze niet genoodzaakt zijn enige vreemde taal te leren, vernauwt hun blikveld."

Zou het trouwens niet goed zijn om ook Suriname bij de Nederlandse Taalunie te betrekken? Dat land is ook voor een belangrijk deel Nederlandstalig.

"Er zijn lange tijd plannen geweest in die richting, maar om politieke redenen was het ook lang onmogelijk dat Nederland zou samenwerken met Suriname. Het ziet er nu beter uit. Misschien komt het er nu ook werkelijk van."

Taalachterstanden

Onder voorzitterschap van Belinfante heeft de Interparlementaire Commissie zich vooral sterk gemaakt voor een zogenoemd ‘sociaal taalbeleid’, dat gericht is op taal als middel om volwaardig te kunnen participeren in de samenleving, en dus op het wegwerken van taalachterstanden bij immigranten én bij autochtone achterstandsgroepen. In de moderne maatschappij wordt het volgens de commissie steeds belangrijker dat mensen zich mondeling en schriftelijk goed kunnen uitdrukken. De Nederlandse en de Vlaamse overheid moeten proberen zoveel mogelijk een gezamenlijk beleid te ontwikkelen om groepen met een taalachterstand te helpen.

"Immigranten vormen de groep waarover de afgelopen jaren de meeste discussie is geweest. Volgens Belinfante moet de overheid bij voorlichting aan minderheidsgroepen niet alleen rekening houden met taalproblemen, maar ook met verschillen in communicatiemethoden: "Jarenlang is aan de Berbers in dit land schriftelijk voorlichtingsmateriaal gestuurd in het Arabisch. Daarbij werden twee dingen vergeten. In de eerste plaats dat Berbers niet hetzelfde is als Arabisch. In de tweede plaats dat relatief veel van die mensen analfabeet zijn. Tegenwoordig worden daarom ook cassettebandjes met gesproken Berbers gebruikt."

"We moeten er overigens wel voor zorgen dat al die mensen ook het Nederlands beheersen. Het gevaar dreigt anders dat er groepen in de samenleving zijn die zich helemaal isoleren." Ook hier is meertaligheid volgens Belinfante de oplossing: immigranten moeten en kunnen behalve hun eigen taal ook het Nederlands beheersen.

Hoe staat u tegenover de erkenning van streektalen, zoals het Nedersaksisch, het Limburgs en het Zeeuws?

"Dat lijkt me een onderwerp waar we eens beter naar zouden moeten kijken, ook in verband met het sociale taalbeleid. Ik weet niet of erkenning per se nodig is, maar ook in dit geval zouden we meertaligheid wellicht willen stimuleren. De kwestie ligt overigens in Vlaanderen veel gevoeliger dan in Nederland. Dat is ook niet zo gek als je ziet hoezeer men daar heeft moeten strijden voor een eenheidstaal. Die eenheid geef je dan niet meer zo gemakkelijk op."

Judith Belinfante (Voorburg, 1943) studeerde moderne geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en werkte na haar afstuderen tot 1998 bij het Joods Historisch Museum in Amsterdam; vanaf 1976 was zij daar directeur. Sinds mei 1998 is ze lid van de Tweede Kamer voor de Partij van de Arbeid.