De taal als pakket en de taal als pak

Over de relatie tussen het Nederlands en Engels in Europa

Marc van Oostendorp

(Lezing gehouden op het symposium 'De talige toekomst van Europa: Volgens een plan?', 17 december 2002, Universiteit van Amsterdam; er is ook een pdf-versie)

In december 2002 verscheen de roman Zilah van de bekende schrijver K. Schippers.[1] In deze roman weet een meisje, Zilah, de woordgroep 'de Nederlandse taal' te deponeren bij het merkenbureau en zo tot haar geestelijk eigendom te maken; ongewild krijgt ze daarmee ook de Nederlandse taal zèlf in haar bezit.  Nederlandse rijksambtenaren komen hierachter en reageren allesbehalve enthousiast. Men was op het ministerie namelijk net bezig de Nederlandse taal in de uitverkoop te doen; het Engels moest voortaan de officiële taal van ons land worden en het Nederlands de tweede taal. In ruil daarvoor zou in de Verenigde Staten het Nederlands óók als tweede taal voor iedereen worden ingevoerd. Of het de overheid lukt om het Nederlands te verkrijgen en te verkwanselen, is vervolgens het onderwerp van de roman.

Schippers' boek is een speelse fictie, maar hij maakt wel gebruik van metaforen over taal die veel mensen, misschien in iets minder uitgesproken vorm, hanteren. De Nederlandse taal is iets wat in iemands bezit kan zijn en waarmee je kunt handelen. De taal kan door de overheid op allerlei manieren worden gemanipuleerd en ook kan de overheid beslissen dat een bepaalde taal ineens níét meer gebruikt wordt. Wat deze beelden gemeenschappelijk hebben: de taal wordt gezien als een pakketje, een ding met duidelijke grenzen. Sommige dingen zitten wel in het pakketje, anderen zitten er niet in, en het pakketje is als geheel te manipuleren, door de commercie of door de overheid. Talen zijn van elkaar af te bakenen: je kunt van een bepaald woord of een bepaalde zinsconstructie zeggen dat het al dan niet tot 'het Nederlands' behoort. Het feit dat we namen hanteren voor talen, dus spreken over 'het Nederlands', 'het Engels', 'het Fries' of 'het Esperanto'. Talen zijn ook telbaar: je kunt zeggen ik spreek drie, of vier, of vijf talen. Of je kunt zeggen: ik spreek die en die taal maar half.

Het idee dat talen manipuleerbare en van elkaar te onderscheiden eenheden zijn, zit diep geworteld in de westerse cultuur. Auteurs in de klassieke oudheid zoals Aristoteles hebben mogelijk aan die gedachte bijgedragen.[2] Ook in bijvoorbeeld de Chinese en de Arabische cultuur lijkt de gedachte van taal als een telbaar en afbakenbaar fenomeen heel vertrouwd. Toch geldt dat niet voor alle culturen: in de literatuur kunnen we bijvoorbeeld wel verwijzingen vinden naar groepen mensen in bijvoorbeeld Indonesië die helemaal niet kunnen zeggen welke taal ze spreken.[3] Vaak spreken die mensen ook in westerse oren 'van alles door elkaar', ze trekken de grenzen tussen talen misschien wat minder duidelijk.

Je zou kunnen veronderstellen dat dit misschien iets met het schrift te maken heeft. Dat het schrift veel van onze ideeën over wat taal is heel diepgaand be•nvloedt, is wel duidelijk.[4] Mensen praten over spellingswijzigingen als betrof het verandering van de taal, ze praten over 'letters' als ze 'klanken' bedoelen, enzovoort.[5] Het idee dat de ene taal anders is dan de andere, komt misschien ook wel voort uit het schrift. Voor mensen uit culturen zonder schrift is misschien ook het verschijnsel 'taal' net zo vreemd als voor ons in onze cultuur het verschijnsel 'regengod'.[6]

1. Waarom taal geen pakketje is

 Tot op zekere hoogte is de gedachte dat taal een pakketje is, naar mijn mening een misvatting. Dat is misschien moeilijk voor te stellen omdat deze gedachte zo diepgeworteld is in onze cultuur. Toch zal ik een poging wagen om u ervan te overtuigen dat de taal niet zo'n duidelijk afgrensbaar, telbaar en beschermbaar object is.

In de eerste plaats is het u natuurlijk ook bekend dat de geografische grenzen tussen talen vaak vaag zijn. In de taalkundige literatuur wordt het grensgebied tussen Nederland en Duitsland vaak als een treffend voorbeeld hiervan aangevoerd: aan weerskanten van de grens spreekt men van oudsher min of meer hetzelfde, maar toch wordt wat in het westen gesproken wordt, tot het Nederlands gerekend en wat in het oosten gesproken wordt tot het Duits.[7] Je zou echter van een willekeurige spreker in dat grensgebied die bijvoorbeeld veel vrienden en kennissen aan de andere kant van de grens heeft, en daar ook bijvoorbeeld werkt, helemaal niet kunnen zeggen of deze nu 'Nederlands' spreekt of 'Duits'. Hij spreekt iets wat ertussen in zit. Het Nederlands en het Duits kunnen dus niet twee aparte pakketjes zijn. Maar dat soort mengtalen zijn een heel gewoon verschijnsel, ook buiten de grensstreken. De gedachte dat mensen een 'pure' taal zouden kunnen spreken, is eigenlijk altijd een idealisering. Iedereen heeft wel een Duitse vriend of vriendin met wie hij een taal spreekt waarin af en toe Duitse en Nederlandse elementen door elkaar worden gemengd. Het fenomeen valt ook te observeren op de Nederlandse radio. Op de zender 747AM worden elke avond nieuwsbulletins verzorgd in het Turks, het Marokkaans Arabisch, het Chinees en nog wat talen. Hoewel die bulletins grotendeels onbegrijpelijk zijn voor de meeste autochtone Nederlanders, zijn ze toch ook weer niet helemaal níét te volgen. In grote lijnen kom je er meestal wel achter waar ze over gaan, omdat er gebruik wordt gemaakt van allerlei leenwoorden uit het Nederlands voor typisch Nederlandse begrippen, zoals onroerende zaakbelasting en kwartje van Kok. Zijn die teksten daarmee dus niet ook een beetje Nederlands geworden?

In delen van de wereld — in sommige gebieden in Afrika bijvoorbeeld — zijn de meeste mensen 'meertalig', en kennen ze meerdere systemen door elkaar. Maar ook in Nederland zijn er natuurlijk al eeuwenlang mensen geweest die allerlei joodse, Vlaamse, Duitse, Franse eigenheden door hun taal mengden. Het is raar om te zeggen dat die talen 'geen Nederlands' zijn, want wat zijn ze dan? Allemaal aparte talen?

De verbrokkeling gaat als je erover nadenkt nog verder. Wat hoort er allemaal bij het Nederlands? De vaktalen ook? Maar die zijn vaak voor een groot deel internationaal. Hoewel ik nooit Spaans geleerd heb, kan ik een lezing over mijn eigen vak, de deeldiscipline van de taalkunde die fonologie heet, in 'het Spaans' prima verstaan, omdat er zoveel vaktermen inzitten. Dat Spaans is dus ook een beetje mijn taal.

2. De versplintering van het idiolect

In sommige takken van de taalwetenschap is het idee dat 'talen' discrete, telbare eenheden zouden zijn, dan ook allang verlaten. Je kunt een taal niet in een pakje stoppen. De eenheid die men in plaats daarvan dan hanteert is de taal van het individu, het 'idiolect'. Ieder individu heeft een eigen idiolect, zijn eigen specifieke woordenschat, zijn eigen voorkeuren voor bepaalde constructies, zijn eigen accent — dat alles is gevoelig voor de leeftijd, de achtergrond, de sekse, de levensgeschiedenis, de lichaamsbouw, de intelligentie en tal van andere persoonsgebonden factoren. Iemands idiolect zou, als je het helemaal in kaart kon brengen, net zo onderscheidend zijn als iemands vingerafdruk. De mededeling dat twee mensen 'dezelfde taal' spreken is daarmee van dezelfde orde als de mededeling dat twee mensen 'even groot zijn'.[8] Als we in nanometers (of een dergelijke maat) gaan meten, zijn mogelijk geen twee mensen precies even groot. De vraag is nu wat we acceptabele verschillen vinden om te spreken over 'even groot'. We zouden ook de mensen kunnen opdelen in 'grootteklassen' (kleiner dan 1.20, tussen de 1.20 en 1.30, tussen 1.30 en 1.40, tussen 1.40 en 1.50, enz.), maar het is de vraag of dat verhelderend is. Ik behoor tot de klasse tussen 1.80 en 1.90, maar heb meer gemeen met mensen van 1.79 dan met sommige van mijn klassegenoten. Op dezelfde manier hoor ik tot de willekeurige verzameling Nederlandstaligen, maar heb in sommige taalkundige opzichten (mijn uitspraak van de r) meer gemeen met Engelsen dan met inwoners van Antwerpen of Groningen.

In een bepaald opzicht gaat de versplintering van talen tot idiolecten nog niet ver genoeg. Zodra twee personen elkaar ontmoeten en met elkaar willen communiceren, zullen ze er alles aan doen om een zo betrouwbaar mogelijke taalkundige gemeenschappelijke basis te vinden. Dat betekent dat iedereen zich aanpast aan de situatie. De manier waarop ik spreek als ik een formele lezing geef, is anders dan de manier waarop ik in het café met mijn beste vrienden spreek, of de manier waarop ik over de telefoon met mijn moeder spreek. Eigenlijk heb ik elke keer een andere taal. En de verschillen tussen het 'Nederlands' dat ik tegenover mijn moeder gebruik en het 'Nederlands' voor mijn vakgenoten zijn misschien wel groter dan die tussen dat laatste 'Nederlands' en mijn 'Engels' voor andere vakgenoten.[9]

Er is één punt waarop talen denk ik wel móéten bestaan als min of meer welomschreven omstandigheden, waar het op uiterste precisie aankomt. De wetten moeten bijvoorbeeld liefst in een duidelijk afgebakend soort taal worden opgesteld — en dat zijn ze dan over het algemeen ook.[10] Een ander bekend voorbeeld is dat van de technische handleidingen voor vliegtuigen. Alleen is er hier dan ook sprake van een dusdanig vastomlijnde 'taal' dat deze nog slechts een zeer los verband houdt met de taal die we elke dag spreken.[11] Dat kan ook niet anders, want de wetstaal en de taal van de handleidingen moeten volkomen eenduidig zijn, terwijl je in de alledaagse omgang best vaag en dubbelzinnig kunt zijn: de ander begrijpt uit de contekst toch wel min of meer waar je het over hebt.

3. Een andere metafoor

Ik denk dus dat de metafoor van taal als pakket niet geldig is. Ik denk dat je taal veel beter kunt vergelijken met kleding. De manier waarop je je kleedt is altijd een spanningsboog tussen twee polen. De ene pool is de 'functionele': kleding dient om je warm te houden, of juist om je te beschutten tegen de zon. De andere pool is een 'sociale': door de manier waarop je je kleedt laat je andere mensen van alles zien over wie je bent, en wie je wilt zijn. Sommige kledingsstukken hebben zo ook geen enkele duidelijke functionele betekenis meer — neem de stropdas — maar zelfs aan de vorm van bijvoorbeeld een vest, dat duidelijk bedoeld is om je warm te houden, kun je een heleboel aflezen over iemands persoonlijkheid.[12]

Taal werkt precies hetzelfde. Ook wat betreft taal zijn er een functionele en een sociale pool te onderscheiden. De functionele pool zou bijvoorbeeld communicatie kunnen zijn: soms dient taal ervoor om ervoor te zorgen dat een bepaalde hoeveelheid informatie uit het ene hoofd ook terecht komt in het andere hoofd. Maar daarnaast is er ook een minstens even belangrijke sociale pool: door de specifieke keuze van je taal laat je zien wie je bent. [13] Taal is dus geen pakketje, taal is een pak.

Hoewel je duidelijk kunt spreken over een westerse, en misschien zelfs wel een Europese of zelfs een Nederlandse manier van kleden, kun je niet precies opsommen uit welke kledingstukken die kleedstijl precies bestaat. Binnen die kleedstijl heeft ieder individu de mogelijkheid zich tot op zekere hoogte op een geheel eigen manier te kleden: ook binnen kleedstijlen bestaan er idiolecten. Opvallend genoeg gebruikt de moderne mens voor die kleedstijlen over het algemeen alleen kledingstukken die in massaproductie gemaakt zijn om zijn eigenheid uit te drukken: door net een eigen keuze uit het aanbod te maken en de kledingstukken op een eigen manier te combineren, en ze op een eigen manier te dragen.

Bovendien is er natuurlijk ook een nog veel scherpere verdeling mogelijk dan die in kledingidiolecten: als ik een lezing geef draag ik een pak, omdat het ongepast is voor een deels onbekend publiek in mijn pyjama te staan.

In kleding zie je dus, net als in taal, een neiging om je aan te passen aan je gesprekspartners. Bovendien is die neiging in beide gevallen vaak asymmetrisch. Zoals wij meer woorden overnemen uit het Engels, dan dat Amerikanen Nederlandse woorden gebruiken, zo dragen er ook meer Nederlanders een spijkerbroek dan dat er Amerikanen op klompen lopen.

Wie tot de conclusie komt dat er geen identificeerbare, onderscheiden talen bestaan, kan in het dagelijks taalgebruik best nog spreken over 'het Nederlands' of 'het Esperanto'. Integendeel, zoals ook elke moderne sterrenkundige in het dagelijks leven nog gewoon praat alsof de aarde plat is en de zon erom heendraait (en dus uitdrukkingen gebruikt als: 'de zon komt op' en 'de zon staat hoog aan de hemel'), zo is het in de dagelijkse praktijk vaak heel gemakkelijk om talen te onderscheiden. Als een Nederlands staatsburger met een Pool wil spreken over een ingewikkeld onderwerp, heeft hij waarschijnlijk een tolk nodig. Als iemand zich aanbiedt als 'tolk Pools-Nederlands' is de kans relatief groot is dat die persoon hem kan helpen. Die labels 'Pools' en 'Nederlands' zijn dus in de praktijk net zo handig als 'de zon komt op' (in plaats van: de aarde draait zodanig dat de zon weer zichtbaar wordt aan de kant waar wij ons bevinden'.

4. Taalverdediging zonder taal

Als het Nederlands niet bestaat, heeft het dan wel zin om je met de verdediging ervan te bemoeien? En is het voorafgaande nu geen puur theoretisch gepraat van mij: terwijl ik hier de boel sta te relativeren, wordt buiten op het straat dat zogenaamd niet-bestaande Nederlands hardhandig vertrapt door het maar al te reële Engels?[14]

Taalverdedigers zijn er in soorten en maten. Met name het laatste jaar hoor je mensen tamelijk nare dingen zeggen ter verdediging van het Nederlands, al is dat dan vaker tegen allochtone minderheidstalen gericht dan tegen het Engels. (Bijvoorbeeld de wens om imams in moskeeën alleen Nederlands te laten preken.[15]) Ook liggen er soms wat mij betreft onredelijke angsten aan de wens tot verdediging van het Nederlands tengrondslag, zoals de angst dat in de toekomst iedereen precies hetzelfde zal spreken. Die angst lijkt me, zoveel is hopelijk uit het voorafgaande al duidelijk geworden, ongeveer even reëel als de angst dat in de toekomst iedereen in een maopakje rond zal lopen. Zolang Nederland een welvarend land is, hoeven we niet bang te zijn dat iedereen Engels gaat spreken.

Een vergelijking die mensen graag trekken, is die met de situatie in België in de negentiende eeuw en het begin van de twintigste. In die tijd, heet het, werden de Nederlandstaligen onderdrukt door de Franstaligen. De Vlamingen werden achtergesteld doordat het Frans de enige toegestane officiële taal was. Er zijn denk ik echter wel wat verschillen tussen de huidige of zelfs toekomstige positie van het Engels in Europa en de positie van het Frans in het Vlaanderen van de negentiende en twintigste eeuw. Om te beginnen lijkt het uitgangspunt anders en zijn er vooralsnog is het Engels in onze streken veel minder de taal van 'de elite' dan het Frans vroeger. Uit een naamkundig onderzoek dat het Meertens Instituut uitvoerde, blijkt bijvoorbeeld dat Nederlandse ouders met wat minder scholing over het algemeen veel vaker angelsaksische voornamen voor hun kinderen kiezen (Michael, John, Priscilla, enz.) dan ouders met een hogere opleiding.[16]

Een ander belangrijk verschil lijkt me dat de taalcultuur in het Franse gebied altijd veel centralistischer was, veel meer gericht op die éne, zeer strakke norm van het 'pure Frans' dan de Engelse taalcultuur, waar meer respect lijkt voor accenten en dergelijke. Het is bijvoorbeeld als buitenstaander moeilijker om Frans te spreken dat aanvaardbaar is voor een Fransman dan Engels dat aanvaardbaar is voor een Engelsman of Amerikaan. In het Engelse taalgebied, of in ieder geval in Groot-Brittannië, is men weliswaar op bepaalde punten taalkundig ook niet zo tolerant, maar daar betreft het meer de sociale verschillen binnen de Britse samenleving en de daarbij behorende accenten. In Amerika is de tolerantie voor verschillen zelfs zo groot dat de gemiddelde Amerikaan een heel slecht oor heeft voor accentverschillen. Hoewel er wel degelijk bijvoorbeeld accentverschillen zijn tussen de stad Boston en de stad New York, en die verschillen met enigeoefening ook heus wel te horen zijn, vinden zelfs inwoners van die twee steden het moeilijk om die verschillen te horen.

De Franse identiteit wordt, in ieder geval in theorie, veel meer afgemeten aan de kennis van de Franse taal.[17] Iedere inwoner van het Franse rijk die 'perfect' Frans spreekt, geldt als een goede Fransman. In de angelsaksische cultuur is het spreken van het Engels veel minder hét toelatingskaartje tot de status van goede Brit.

Dit alles zorgt ervoor dat het Engels in een bepaald opzicht wel degelijk een geschikte kandidaat is voor de status van wereldtaal: de angelsaksische cultuur is altijd relatief liberaal geweest over accenten.[18] Het idee van taal als een pak in plaats van taal als een pakketje is er relatief veel succesvoller geweest. Zo op het oog bijvoorbeeld ook succesvoller dan in de Nederlandstalige cultuur: waar Nederlandstalige kolonialen nogal eens bevreesd waren dat de inlanders met hun accenten de pure taal zouden bederven, hebben de Engelstaligen hun taal zonder dergelijke reserves aan de man gebracht. Het probleem van de Vlamingen in de negentiende eeuw en het begin van de twintigste was denk ik niet zozeer de Franse taal, maar veel meer de onverzoenlijke houding die ermee gepaard ging, de eis dat iedereen de taal perfect zou moeten spreken. In de Franse visie op taal is taal inderdaad een pak: je moet het integraal overnemen, of je moet het helemaal niet nemen.

Ik deel in sommige gevallen de zorg over achterstelling van groepen; maar ik heb goede hoop dat deze zorg in dit geval misschien wat minder groot hoeft te zijn. En er zijn ook nog wel wat andere opzichten waarin ik 'de Nederlandse taal' zou willen beschermen. Bijvoorbeeld als we die taal definiëren als het instrument waarvan Nederlandse en Vlaamse auteurs zich in de afgelopen eeuwen bediend hebben. Het is een voorrecht om in staat te zijn de prachtige pakken te bewonderen die tailleurs als Multatuli, Couperus en W.F. Hermans zich hebben aangemeten. Dat zou ik niet willen missen.

5. Conclusie: Aserejé

Ik vermoed dat de gedachte dat taal een pakketje is veel meer terrein zal verliezen. De natiestaten die deze gedachte uit alle kracht ondersteunden, verliezen ook langzamerhand aan macht en invloed. Een andere reden waarom die gedachte langzamerhand terrein zal verliezen, is natuurlijk dat ze niet houdbaar is. Ik denk dat de taal steeds meer gezien zal worden als kleding, als een pak: het ene moment trek je het ene pak aan, het andere moment het andere.

Naar het zich nu laat aanzien zal het pak dat je in internationale contacten aantrekt veel te maken hebben met de historische klederdracht van de Britse eilanden. Dat is geen reden tot zorg. Je kunt met dat pakje ook spelen. Een bewijs daarvan kun je bijvoorbeeld vinden in de zogenoemde Ketchup Song, dat dé Europese zomerhit was van het jaar 2002.[19] Dit onbekommerde liedje, gezongen door drie dochters van de bekende Spaanse flamencozanger El Tomate is gebaseerd op een oud hiphopnummer, Rapper's Delight. De Ketchup-zusters zingen het refrein van dat nummer echter zoals het Engels in hun Spaanstalige, of beter gezegd Andalusische, oren klinkt. "I said a hip hop a hippie the hippie" wordt zo "Aserejé ja de jé de jebe", en «the boogie and the boogity beat» wordt "de bugi an de buididip’". De zusjes namen bovendien een versie op waarin de refreinen ook nog in het Spanglish waren gesteld, een mengeling van Spaans en Engels. Het is die onbekommerdheid, die vrolijkheid, waar we het van moeten hebben. Zet een Amerikaans petje op boven je flamencopak. Al die kledingstukken, niemand mag ze claimen, je kan niemand verbieden een bepaald kledingstuk te dragen op een 'verkeerde' manier. Zo zouden we ons ook allemaal een vorm van het Engels, of willekeurig welke andere taal kunnen aanmeten.

Het meisje Zilah in de roman van K. Schippers koopt in Barcelona een paar schoenen. "Tapschoenen van Fred Astaire," schrijft Schippers, "die houdt ze aan. Altijd koopt ze kleren in vreemde steden, de Catalaanse schoenen voelen zo licht bij haar Ierse broek en het T-shirt uit Antwerpen, net of ze zich op drie plaatsen tegelijk bevindt."[20]

 


[1] K. Schippers, Zilah. Roman. Amsterdam: Querido, 2002. Zie ook Raymond Noë en Marc van Oostendorp. Taal is van niemand, en dus van iedereen. K. Schippers' pleidooi voor het Nederlands. Onze Taal 72.2, 2003.

[2] Zie bijvoorbeeld Andreas Graeser. Aristoteles (384-321 v. Chr.). In: Tilman Borsche (red.) Klassiker der Sprachphilosophie. München: C.H. Beck, pp. 33-49.

[3] Zie bijvoorbeeld David Gil. A language without a name. (http://monolith.eva.mpg.de/~gil/riau/without-name.html) over het 'Riau' en het 'Kuala Lumpur Malay'.

[4] Florian Coulmas. 2003. Writing systems. An introduction to their linguistic analysis. Cambridge: Cambridge University Press.

[5] Roy Harris. The origin of writing. London: Duckworth, 1986. Roy Harris. Rethinking writing. Indiana University Press, 2000.

[6] Zie ook A. Kraak. De alfabetische bril. In: R. van Hout & J. Kruijsen (red.) Taalvariaties. Toonzettingen en modulaties op een thema. Dordrecht: Foris, 171-187, voor een kritisch getoonzette opsomming van de invloed van de 'alfabetische bril' op taalwetenschappelijke inzichten. Kraak schrijft in zijn essay letterlijk: "De taal is, met andere woorden, ontdekt of uitgevonden doordat we gingen schrijven."
Interessant in dit verband is ook Jeanne Kurvers. Met ongeletterde ogen. Kennis van taal en schrift van analfabeten. Amsterdam: Aksant, 2002. Wel moet hier opgemerkt worden dat Kurvers' onderzoek analfabeten betreft die in een geletterde samenleving wonen (t.w. de Nederlandse).

[7] Zie bijvoorbeeld Tom Boves & Marinel Gerritzen. Inleiding in de sociolingu•stiek. Utrecht, Het Spectrum, 1995, pp.39-40.

[8] Dit is een opvatting die wel wordt toegeschreven aan Chomsky. Zie Noam Chomsky. New horizons in the study of language and mind. Cambridge: Cambridge University Press, 2000, voor een recent exposé van Chomsky's opvattingen in dezen.

[9] Voor een overzicht van modern stijlonderzoek, zie Natalie Schilling-Estes, Investigating stylistich variation. In: J. K. Chambers, Peter Trudgill en Natalie Schilling-Estes (red.) The handbook of language variation and change. Oxford: Blackwell, 375-401, en de daar geciteerde literatuur.

[10] Zie echter Karl Hendrickx. Taal- en formuleringsproblemen in de regelgeving. De taalopmerkingen in de adviezen van de Raad van State. Proefschrift, Leuven, 2002, voor een overzicht van de problemen.

[11] Zie Willem-Olaf Huijsen. Controlled language. An introduction. In Proceedings of the Second Intrnational Workshop on Controlled Language Applications. Pittsburgh: Carnegie Mellon University, pp. 1-15.

[12] Zie L. Heerma van Voss (red), Sociale aspecten van kleding, [= Textielhistorische Bijdragen 31 (1991)].

[13] Zie de bijdragen van Jan Stroop aan dit symposium, en ook Hans Bennis. Tegengestelde krachten in taal. Amsterdam: Vossiuspers, 2001. Een verkorte versie is elektronisch in te zien op http://www.meertens.knaw.nl/medewerkers/hans.bennis/oratie/.

[14] Dit bleek later inderdaad de kritiek van een anonieme taalverdediger in 'Overpeinzing bij een taalsymposium' in Nieuwsbrief Stichting Natuurlijk Nederlands, no. 9.

[15] 'Raadslid wil verbod vreemde talen in moskee.' ANP-bericht 19-07-2002. Het betrokken gemeenteraadslid was Michiel Smit van Leefbaar Rotterdam. Zie ook 'Nederlands rukt op in moskeeën'; een artikel uit NRC Handelsblad 4-12-2003 waaruit blijkt dat jongere moslims zelf niets liever willen dan preken in het Nederlands omdat ze het Turks of Arabisch onvoldoende machtig zijn.

[16] Doreen Gerritzen. Wandel der Vornamengebung im niederländischen Raum aus gesellschaftlicher Sicht. Name und Gesellschaft. Soziale und historische Aspekte der Namengebung und Namenentwicklung, reeks Thema Deutsch Band 2, Duden-Verlag en Gesellschaft für deutsche Sprache, Mannheim, 2001, pp.126-145.

[17] Leigh Oakes. Language and national identity. Comparing France and Sweden. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins, 2001.

[18] Marc van Oostendorp. Steenkolen-Engels. Een pleidooi voor normvervaging. Amsterdam: L.J. Veen, 2002.

[19] Zie onder meer het artikel '"Aserejé": Wie aus schlechtem Englisch ein Welthit aus Spanien wurde', Leipziger Volkszeitung 4.9.2002.

[20] Zilah, p. 23-24.