Elejzer Zamenhof en het Moderne Hebreeuws

Marc van Oostendorp

Een artikeltje voor Alef Beet, Tijdschrift van de vereniging tot bevordering van kennis van Hebreeuws, 1998.

In 1901 verscheen in Warschau een brochure in het Russisch onder de titel ``Hillelisme; Een project voor de oplossing van het joodse vraagstuk.'' De auteur van deze brochure ging schuil achter het pseudoniem `Homo Sum' en stelde voor een nieuwe joodse sekte te stichten die de leer van rabbi Hillel uit het begin van de christelijke jaartelling zou uitdragen. Joden uit alle landen van de wereld zouden zich in deze sekte kunnen verenigen om gezamenlijk voor de idealen van Hillel te werken: idealen van verdraagzaamheid en vrede.

Omdat het hillelisme een internationale beweging moest worden, zou het onvermijdelijk geconfronteerd worden met een taalprobleem. Welke taal moesten de hillelisten onderling spreken? Al in zijn eerste brochure ging Homo Sum uitgebreid op deze vraag in. Eén oplossing leek hem in ieder geval niet geschikt:

De antieke Hebreeuwse taal, een dode taal die niet in haar totale veelzijdigheid tot ons gekomen is, maar alleen in de vorm van een kleine literatuur gekarakteriseerd door verhalen en gedichten, deugt absoluut niet voor de rol van een levende volkstaal; zelfs voor hen die haar in haar geheel geleerd hebben zal ze nooit kunnen dienen als een levende eigen taal; en het is zo buitengewoon moeilijk om haar zelfs voor dit soort kreupel gebruik te leren, dat als de hillelisten haar als hun taal zouden aannemen, slechts een handjevol bijzondere liefhebbers tot de gemeenschap van hillelisten kunnen toetreden, maar de grote massa's nooit.

(irpvz, p. 1184) Alle citaten zijn ontleend aan de Iom reviziita plena verkaro de Zamenhof en door mij uit het Esperanto vertaald in het Nederlands. De oorspronkelijke Russische tekst van de brochure over het hillelisme ken ik helaas niet.

Die andere joodse taal, het Jiddisch -- dat Homo Sum net als veel van zijn tijdgenoten `Jargon' noemde -- was echter evenmin geschikt:

Zoals bekend voelen zelfs diegenen die het kennen een sterke en onoverwinbare afkeer van en vooroordeel tot het onesthetische en in het geheel niet uitgewerkte Jargon, en het zal al helemaal onmogelijk zijn om die joden ertoe te bewegen het te leren, die niets gemeenschappelijks hebben met dit Jargon en voor wie het aan de ene kant erg moeilijk te leren is en wie het aan de andere kant niets kan bieden.

(irpvz, p. 1184)

Ook het overnemen van enige andere taal van enig ander volk -- het Russisch of het Frans bijvoorbeeld -- was niet aan de orde. Er was volgens Homo Sum dan ook maar een realistische oplossing voor het taalprobleem van de toekomstige hillelisten: een kunstmatige taal. De hillelisten zouden hun eigen taal net zo rijk en flexibel kunnen maken als hen goeddunkte en er bovendien alle soorten `bagatellen' aan kunnen toevoegen ``die aan een taal haar levendigheid, welluidendheid en ongewone eenvoud'' kunnen geven.

Homo Sum kon het weten. Achter het pseudoniem ging de Warschause oogarts Elejzer Zamenhof (1859-1917) schuil,een man die op dat moment al beroemd was als de ontwerper van de wereldhulptaal Esperanto. Op het eerste oog is dit alles natuurlijk behoorlijk ironisch: de vader van een taal die voor veel mensen nog steeds vooral verbonden is met utopische idealen, en bovendien de stichter-in-spe van een sekte die voor zover bekend nooit één aanhanger heeft gekend, doet de gedachte dat het Hebreeuws ooit weer gesproken zou kunnen worden, als onrealistisch af. Toch denk ik niet dat Zamenhof ongelukkig zou zijn geweest met de huidige status van het Hebreeuws. De geschiedenis heeft Zamenhof wat het taalprobleem betreft voor een belangrijk deel wel degelijk gelijk gegeven; dat is wat ik in dit korte artikel wil aantonen.

Het taalprobleem als joods probleem

Er zijn veel documenten waaruit blijkt dat Zamenhof het taalprobleem zelf vooral zag als een probleem van de joden. Hij heeft dat een aantal malen expliciet verklaard, bijvoorbeeld in een brief aan de esperantist Michaux, die hem (waarschijnlijk) had gevraagd naar de redenen van Zamenhofs niet aflatende bemoeienis met een kunstmatige internationale taal:

Als ik geen jood uit het getto was, was het idee over de vereniging van de mensheid ofwel in zijn geheel niet in me opgekomen, ofwel had het me nooit zo koppig tijdens mijn hele leven vastgehouden. [...] De noodzaak van een niet-nationale neutrale algemeen-menselijke taal kan niemand zo sterk voelen als een jood die verplicht is tot God te bidden in een reeds lang gestorven taal, zijn opvoeding en onderwijs krijgt in de taal van een volk dat hem verstoot, en lotgenoten over de hele wereld heeft met wie hij zich niet kan verstaan.

(irpvz, p. 1438; brief aan Michaux, 21 februari 1905)

Toch is dit -- met de brochure over het hillelisme -- een van de slechts weinige plaatsen waar Zamenhof zich zo openlijk uitgelaten heeft over de joodse oorsprong van zijn idealen. Als hij dit soort uitspraken al deed, dan alleen in correspondentie met intimi. In publicaties voor een breder publiek, en in correspondentie met onbekenden wees hij altijd alleen op de algemeen-menselijke waarden die het ideaal van het Esperantovoor hem vertegenwoordigde.

Hoewel dat algemeen-menselijke ideaal voor hem ongetwijfeld reëel was, is het niet onredelijk om te veronderstellen dat hij zijn eigen joods-zijn vooral zo weinig op de voorgrond heeft laten komen,omdat hij bang was dat antisemitische gevoelens het succes van `zijn' Esperanto zouden tegenhouden. Voor Zamenhof zelf was zijn ideaal wel degelijk een joods ideaal.

De ontwikkeling die Zamenhofs ideeën over het hillelisme hebben doorgemaakt, laten dat volgens mij zien. De aangehaalde brochure uit 1901 vooral gericht tot de joodse intelligentsia. In de analyse van Zamenhof was een van de grote problemen van de westerse wereld de onenigheid tussen de twee belangrijkste monotheïstische godsdiensten: de joodse en de christelijke. Er was daarom een soort neutrale bruggodsdienst nodig, een algemeen-menselijk neutraal religieus platform, waarin alle monotheïsten zich konden vinden.

Volgens Zamenhof kon het christendom nooit zo'n basis bieden. Daarvoor bevatte het teveel elementen die voor de joden onacceptabel waren. Een jood kan niet aannemen dat Jezus van Nazareth de Messias was, zonder zich te verloochenen. Anderzijds meende Zamenhof dat het voornaamste obstakel in het jodendom de vele gedetailleerde leefregels waren. Het hillelisme was een tot de kern teruggebracht jodendom, zonder al die leefregels. Op die manier kon het een neutrale godsdienstige basis leveren waarop mensen elkaar konden ontmoeten: een jood kon thuis wel alle leefregels volgen die hij wilde volgen, een christen kon zijn opvattingen over Jezus als particulier aanhangen, maar in het openbaar zouden ze alleen hillelisten moeten zijn. Het hillelisme was, inderdaad, een soort Esperanto van het geloof.

Toen zijn idee nauwelijks weerklank vond, transformeerde Zamenhof het tot een algemener ideaal, dat ook onmiddellijk voor niet-joden toegankelijk moest zijn. De `joodse' naam hillelisme werd vervangen door een `algemeen-menselijke': `homaranisme'. Dat woord was afgeleid van het Esperanto-woord 'homarano', dat `lid van de mensheid' betekent. Overigens ontmoette ook dit idee vrijwel nergens enig enthousiasme, ook niet in kringen van de esperantisten.

Toch werpt deze ontwikkeling volgens mij een interessant licht op Zamenhofs denkwereld. Zamenhof zag twee problemen voor de joden: ze hadden geen eigen taal en ze hadden een godsdienst die niet geaccepteerd werd. Voor allebei deze problemen had hij een originele oplossing. In zekere zin probeerde hij een `verbeterde' en `geneutraliseerde' versie van de godsdienst te maken. Hetzelfde gold denk ik voor zijn taal: die was bedoeld voor de joden, maar had als groot voordeel dat ook niet-joden hem konden leren. Bovendien was ook de neutrale taal gebaseerd te zien als eenverbeterde en vereenvoudigde versie van de bestaande talen. Zo konden langzaam maar zeker alle volkeren opgaan in een groot volk -- de mensheid.

Esperanto, Jiddisch en Hebreeuws

Er moest dus een taal komen, die aan minstens twee eisen voldeed: elke gedachte moest er in kunnen worden uitgedrukt, en de taal zelf moest relatief gemakkelijk zijn om te leren. Hierboven heb ik al enkele citaten gegeven waaruit blijkt dat het Hebreeuws volgens Zamenhof op geen enkele manier aan deze eisen voldeed. Ik ken alleen maar plaatsen waar hij zich negatief, vaak zelfs enigszins bitter, over het Hebreeuws heeft uitgelaten:Alleen in een interview met de Engelse Jewish Chronicle in 1907 vertelde Zamenhof dat hij `ooit'de droom had gehad het Hebreeuws weer een levende taal te maken voor de joden, maar dat hij er snel van overtuigd geraakt was dat dit onmogelijk was (Maimon 1978, Cherpillod 1997).

``Het is waar, sommigen zeggen dat we een eigen taal hebben, het oud-Hebreeuws; maar u weet wel dat dit een leugen is. Deze taal behoorde eens aan het volk dat in de verre oudheid leefde, maar wij hebben niets met dat volk gemeenschappelijk; als het niet vanwege onze godsdienst was, zouden we deze taal zelfs niet willen kennen; deze taal is voor ons even moeilijk en vreemd als voor elke niet-jood.''

(irpvz, p. 1087)

Alle volkeren noemen die taal de hunne, die ze liefhebben en verzorgen en die ze daadwerkelijkspreken; maar wij noemen die taal de onze, die al 2000 jaar geleden gesproken werd door geen enkele van onze voorouders.

(irpvz, p. 1077)

Overigens lijdt het geen twijfel dat Zamenhof zeer goed Hebreeuws kende. Hij heeft bijvoorbeeld eigenhandig de boeken van Oude Testament in het Esperanto vertaald, en ging daarbij aantoonbaar uit van Hebreeuwse teksten en commentaren. Zijn vader, Mordechai Zamenhof, had trouwens als cenzurist voor het Hebreeuws gewerkt in dienst van de Russische tsaar.

Zamenhofs verhouding met het Jiddisch was een geheel andere. De negatieve dingen die hij soms over die taal zei legde hij meestal in de mond van anderen: die zouden het Jiddisch misschien nooit accepteren omdat ze het lelijk vonden, of onaf. Bovendien legde hij er vaak de nadruk op dat hij op zichzelf niets tegen het Jiddisch had. Integendeel, hij had ooit zelfs aan een grammatica van die taal gewerkt.

Die grammatica is later inderdaad voor een deel teruggevonden (ze ligt tegenwoordig in de universiteitsbibliotheek in Jeruzalem). Zamenhof was daarmee een van de eersten die een serieuze studie aan de grammatica van het `Jargon' wijdde. Opmerkelijk daarbij is dat hij ditmoet hebben gedaan in ongeveer dezelfde periode waarin hij het Esperanto uitdacht:

Gedurende drie jaren heb ik me beziggehouden met het Jiddisch, in de hoop het te kunnen plaatsen op het niveau van de europese cultuurtalen, en ik heb een grammatica van het zogenaamde `Jargon' geschreven, volgens mij de eerste grammatica van het Jiddisch ooit. Maar toen ik haar voltooid had, raakte ik ervan overtuigd dat deze taal geen toekomst heeft, en daarom bleef mijn grammatica in manuscriptvorm. Interview met Izidoro Harris voor de Jewish Chronicle, 1907; afgedrukt in Maimon (1978) die er overigens op wijst dat Zamenhof ongelijk had en dat al in de achttiende eeuw pogingen waren ondernomen grammatica's van het Jiddisch te schrijven. Overigens verscheen een deelvan de grammatica in 1909 in het Jiddische tijdschrift Leben un visenshaft,onder het pseudoniem Dr. X.

Op het eerste gezicht heeft het Esperanto maar weinig met het Jiddisch of het Hebreeuws gemeen.De woordenschat van de taal is voor het overgrote deel afgeleid van de Romaanse talen, het Duits en het Engels (met een klein aantal woorden uit Slavische talen, en een nog veel kleiner aantal bedachte woorden). Alleen woorden die duidelijk te maken hebben met het joodse leven zouden aan een van deze twee talen ontleend kunnen zijn: hasido, maco (matze), kabala, shlemilo, Izraelo. Omdat er veel woorden ongeveer hetzelfde zijn in het Jiddisch en het Duits, zijn er ook enkele woorden in het Esperanto die sterk op Jiddisch lijken, maar waarschijnlijk zijn deze toch uit het Duits geleend.

Toch zijn er voor wie goed zoekt wel enkele vrij duidelijke sporen van het Jiddisch aan te wijzen. De foneeminventaris van het Esperanto correspondeert bijvoorbeeld exact met die van het (Noordoostelijk )Jiddisch, het dialect dat Zamenhof -- die geboren was in Bialistok -- zeer waarschijnlijk zelf sprak: het Esperanto heeft precies dezelfde klinkers en medeklinkers als die taal.Behalve dat het Jiddsich een sjwa heeft die in het Esperanto ontbreekt. Sterker nog, in zijn grammatica van het Jiddisch stelt Zamenhof bijvoorbeeld de palatale stemlozefricatief (sj) te schrijven als een s met een accent aigu ('s). In het Esperanto wordt die klank geschreven als een s met een dakje (^s). En zo zijn er meer `verborgen' overeenkomsten,die misschien verklaard moeten worden uit Zamenhofs onderbewuste: iemand die een taal probeertte maken grijpt daarbij vaak terug op de talen die hem het vertrouwdst zijn, omdat de manier waarom dingen in die talen geregeld zijn onbewust het meest `logisch' en voor de hand liggendschijnen.

Het is dan ook waarschijnlijk veelzeggend dat er maar weinig overeenkomsten met het Hebreeuws zijn. Zaken die zonder enige twijfel direct aan een invloed van die taal kunnen worden toegeschreven zijn er zelfs eigenlijk niet gevonden. Een feit dat in dit verband wel eens genoemd wordt is dat het Esperanto wel een bepaald lidwoord heeft (la) maar geen onbepaald lidwoord. Dit geldt echter ook voor bijvoorbeeld het Klassieke Grieks. Bovendien kan het ontbreken van hetonbepaalde lidwoord misschien ook rechtstreeks worden toegeschreven aan een soort zuinigheidsprincipedat Zamenhof heeft toegepast, al kan men zich dan afvragen waarom hij niet alle lidwoorden heeft weggelaten, zoals in het Russisch gebeurd, een taal die hij ook zeer goed kende (en waarschijnlijknog beter dan het Hebreeuws).

Het Moderne Hebreeuws als kunsttaal

Op het eerste gezicht lijkt het misschien alsof Israël uit Zamenhofs oogpunt de verkeerde nationale taal genomen heeft: de `onrealistische' taal `die 2000 jaar geleden al gesproken werd door geen enkele van onze voorouders' in plaats van de veel realistischer oplossing van het Esperanto.

Maar uit een ander oogpunt bekeken lijken sommige van Zamenhofs idealen wel degelijk uitgekomen. In de brochure over het hillelisme maakt Homo Sum zich weliswaar sterk voor de aanname van een kunstmatige taal, maar hij wijst er ook op dat deze taal niet noodzakelijkerwijs het Esperanto is:

Of de hillelisten een al bestaande neutrale taal moet kiezen, of dat het noodzakelijk is een commissie in te stellen die zich bezich houdt met de schepping van een nieuwe taal -- kan alleen een congres [van hillelisten] bepalen. Hoe de taal ook is, ze moet speciaa lworden aangepast aan de eisen van de hilleisten [... ] Terwijl de reeds bestaande taal Esperanto een strikt internationale geest heeft, gebaseerd op een zuivere logica , moet een hillelistentaal speciaal aan de geest, het leven, de denkwijze en de uitdrukkingswijzen,eigenaardigheden en gewoontes van die mensen worden aangepast die de eerste lichting hillelisten vormen.

(irpvz, p. 1086)

En er zijn argumenten om het Moderne Hebreeuws als een voorbeeld van een dergelijke taal te zien: het bouwt voort op de traditie, maar het is toch ook tot op zekere hoogte een kunstmatige taal, net als het Esperanto, met een grammatica die `vereenvoudigd' is, of in ieder geval aangepast aan de Indo-Europese talen, en een woordenschat die tegenwoordig voldoetaan alle eisen van het moderne leven. Ook de grammatica en de woordenschat van het Esperanto zijn aan bestaande (Europese) talen. Het Hebreeuws is in de loop van deze eeuw natuurlijk geworden: kinderen leren het zonder problemen als hun moedertaal, maar hetzelfde is op veel kleinere schaal gebeurd met het Esperanto dat her en der over de wereld (vooral Oost-Europa) verspreid ongeveer duizend moedertaalsprekers kent.

Bovendien was Elejzer Zamenhof, op zijn eigen manier, een pragmaticus. Als student had hij er een tijdje voor geijverd dat de joden een stuk land in de Verenigde Staten zouden kopen om daar hun eigen land te stichten. Dit leek hem veel realistischer dan de droom ooit in het Heilige Land terug te keren (net zoals het hem dus realistischer leek om een kunstmatige taal in dat land te gebruiken dan het Hebreeuws): de Engelsen en de Turken zouden het nooit toestaan dat de joden zich in Palestina vestigden. Omdat hij echter zag dat zijn idee weinig mensen aansprak, richtte hij samen met enkele anderen in 1881 de Warschause afdeling van Chibat-Zion op, een van de eerste afdelingen van deze voorloper van de Zionistische beweging. Hij verdedigde zowel zijn eerste keuze als later de overstap met dezelfde argumenten: het was beter te kiezen voor het minder volmaakte ideaal als dat in de praktijk haalbaar was:

Laten we ons verenigen, broeders! Laten we allemaal onder de enige standaard staan, die gemeenschappelijk kan worden. Op die standaard staat geschreven: Naar huis!

(irpvz, p. 425)

Ik denk dat Zamenhof volmaakt gelukkig zou zijn geweest met de taalkeuze die men in het moderne Israël gemaakt heeft.

Bibliografie

Cherpillod, A. Zamenhof kaj judismo. [Zamenhof en het jodendom] Eigen uitgave,Courgenard, 1997.

Maimon, N.Z. La ka^sita vivo de Zamenhof; Originalaj studoj [Het verborgen leven van Zamenhof; Originele studies]. Tokio, Japana Esperanto-Instituto, 1978.

Zamenhof, L.L. Iom reviziita plena verkaro de Zamenhof [Iets gereviseerde volledige werk van Zamenhof]. Tokio, Ludovikito. Drie delen.