Esperanto: Luchtkasteel of observatiesatelliet?

Marc van Oostendorp

Dit artikel verscheen in het LINK, het Utrechtse tijdschrift voor linguïstiek, 1999

Een biologe kan de natuur op allerlei manieren bestuderen. Ze kan het oerwoud intrekken en daar een nieuwe miersoort of een unieke orchidee proberen te ontdekken. Zo komt ze veel over de natuur te weten. Maar ze kan ook in detail het alledaagse leven van de huismus en het gras in haar achtertuin bestuderen. Dat is even legitiem en biedt de biologe waarschijnlijk niet minder kans op welslagen; allebei de vormen van onderzoek zijn zo oud als de biologie zelf, en allebei hebben ze bijgedragen aan het relatieve succes dat deze tak van wetenschap heeft gehad.

Maar daarnaast bestaat er nog een derde vorm van biologie. Deze bestudeert het leven in extreme laboratoriumomstandigheden. Het spectaculairste voorbeeld hiervan is waarschijnlijk de ruimtevaartbiologie: je stuurt een paar goudvissen mee met een ruimte-expeditie, en bekijkt hoe zij zich voortplanten in een gewichtsloze toestand, of je laat een stukje koraal groeien in een satelliet om te bekijken welke vormen ontstaan als het ding rond de aarde tolt. Om te zien hoe sterk en krachtig het leven is, is het goed om het eens onder extreme omstandigheden te brengen. De natuur toont haar wonderen pas echt in een onnatuurlijke staat en een bioloog hoeft daarom niet per se voor kunstmatig gecreëerde omstandigheden te vrezen.

De meeste taalkundigen zien taal het liefst als een natuurfenomeen: als iets dat het product is van allerlei al dan niet aangeboren maar in ieder geval onbeheersbare en natuurlijke krachten in de mens en in de menselijke maatschappij. Als je die mening bent toegedaan, kun je vervolgens natuurlijk nog alle kanten op. Je kunt met je bandrecorder het oerwoud intrekken om uit te zoeken hoe het nu precies zit met klemtoon in het Cayuvava en het Hixkaryana; maar je kunt je ook beperken tot de taalvarianten die in je eigen studeerkamer worden gebruikt. Allebei de methoden zijn legitiem, en allebei de methoden worden ook in de taalwetenschap op redelijk grote schaal toegepast, net als in de biologie.

Alleen een parallel voor de derde soort van biologie, een `ruimtevaarttaalkunde' bestaat nog nauwelijks. Alleen op kleine schaal gebeurt er wel eens iets dat ermee te vergelijken is. In de fonologie wordt bijvoorbeeld incidenteel argumentatie ontleedt aan de dingen die mensen doen in geheimtalen en taalspelletjes; het spreken in tongen van sommige gelovigen is ook wel eens taalkundig bestudeerd en literaire teksten worden natuurlijk ook wel eens door linguÑsten behandeld. Maar daarbij houdt het op. De meeste taalkundigen worden afgeschrikt door alles wat te weinig natuurlijk lijkt. Zogenaamde `kunsttalen', talen die ooit gemaakt zijn voor menselijk gebruik in bijzondere omstandigheden -- bijvoorbeeld in internationaal contact -- zijn volgens mij ook voorbeelden van fenomenen die ons veel kunnen leren over de manier waarop taal werkt; over de manier waarop taal in ons hoofd zit, over de manier waarop wij mensen met taal en talen omgaan, en over de manier waarop wij mensen talen gebruiken in groepen.

Het Esperanto is van alle kunstmatige talen de interessantste, omdat het van al die talen relatief het grootste succes heeft gehad: het heeft een ononderbroken geschiedenis van ondertussen meer dan 110 jaar, waarin er voortdurend een groep mensen was die de taal gebruikten voor allerlei verschillende doelen. Het Esperanto is daarmee bij wijze van spreken het grootste koraal in het taalkundige ruimteschip. Het wordt gebruikt om wetenschappelijke referaten in te houden, om kinderen in toe te spreken, om in te schelden, om de Divina Commedia in te vertalen en om vage kletspraatjes in af te steken. De taal heeft misschien geen honderden miljoenen sprekers, maar zeker enkele tienduizenden -- dat is meer dan over menige andere taal die w–l grondig door taalkundigen bestudeerd wordt, gezegd kan worden.

Het Esperanto vind ik onder andere interessant omdat het tegelijkertijd een natuurlijke taal is, en een taal met een wonderlijke, bijzondere geschiedenis en een al even wonderlijke sociologische basis. De taal is in de jaren tachtig van de vorige eeuw 'bedacht' door de joodse oogarts Lejzer Zamenhof uit Warschau, en heeft op dit moment een paar honderdduizend actieve sprekers over de hele wereld (van wie traditioneel de meeste in Oost-Europa wonen). Anders dan bij elke andere taal van de wereld hebben die sprekers deze taal zonder grote economische of zelfs sociale noodzaak uit vrije wil geleerd als tweede taal. Dat soort merkwaardige eigenschappen helpt me na te denken over de rol van de geschiedenis en de rol van de sociologie in de structuur van een taal.

Het Esperanto is een natuurlijke taal: ik ken geen enkel zinnig criterium voor natuurlijkheid waaraan het niet voldoet. De belangrijkste taalkundige test is bijvoorbeeld: heeft de taal moedertaalsprekers? Welnu, die heeft het Esperanto. In het meest kenmerkende geval betreft het kinderen van ouders van verschillende nationaliteiten (de vader is, laten we zeggen, Hongaars, en de moeder bijvoorbeeld Frans) die elkaar ontmoet hebben bij een Esperanto-bijeenkomst, die besloten hebben hun leven te delen, en thuis alleen Esperanto te spreken. Natuurlijk leren die kinderen uiteindelijk altijd op zijn minst ook nog de taal van het land waarin ze wonen, naar school gaan en met vriendjes op straat spelen. Maar voor sommigen van hen is het Esperanto wel de allereerste taal. (En sommigen van hen krijgen later ook weer esperantofone kinderen, al betreft dit zeker niet de meerderheid.) Nu was het Esperanto door Zamenhof bedoeld als een taal `zonder grammatica', met zo eenvoudig mogelijke structuren. De creolisatie die plaatsvindt als kinderen zo'n taal gaan leren is op zich al een studie waard.

Een ander criterium voor natuurlijkheid is de vraag of een taal kan worden gebruikt om elke denkbare gedachte uit te drukken. Voor zover valt na te gaan -- ik moet bekennen dat het niet in mijn vermogen ligt om deze bewering voor elke denkbare gedachte te verifiëren -- is dit waar voor het Esperanto. In ieder geval hebben de esperantisten er alles aan gedaan om de bewering te schragen, bijvoorbeeld door met veel werkkracht een representatieve selectie uit de wereldliteratuur te vertalen -- van Odiseo tot en met Cent jaroj da soleco, van La Korano tot en met La Taglibro de Anne Frank -- maar ook door zelf wetenschappelijke essays, gedichten en romans in die taal te schrijven, door op congressen bij elkaar te komen, en natuurlijk ook weer vooral door met elkaar te trouwen en kinderen te krijgen (en naar alle waarschijnlijkheid in sommige gevallen ruzie te maken en te scheiden).

De enige reden om het Esperanto niet natuurlijk te noemen is volgens mij historisch: het Esperanto is ooit bedacht. Het probleem met dit criterium is dat de oorsprong van de meeste andere talen in nevelen gehuld is: we weten eenvoudigweg niet wie de eerste sprekers van het Nederlands waren, en waar zij hun kennis vandaan hadden. Als iemand ooit in de archieven duikt en daar een grammatica en een woordenboekje vindt die definitief bewijzen dat onze taal ooit `bedacht' is door een dertiende-eeuwse monnik, houden we dan voortaan op het Nederlands als onderwerp van taalkundige studie serieus te nemen? En als we opeens ontdekken dat Zamenhof gelogen heeft, en dat hij zijn taal helemaal niet zelf bedacht maar in een geheime traditie leerde van zijn vader, die het op zijn beurt weer van zijn vader geleerd had, verandert daardoor de status van het Esperanto? Omdat het antwoord op deze vragen `nee' is, ben ik geneigd het historische argument niet erg serieus te nemen.

We hebben in het Esperanto dus een natuurlijke taal gevonden, maar wel een die op een heel bijzondere manier ontstaan is, en die op een heel opmerkelijke manier voortleeft. Een van de eigenaardigheden is dat deze taal waarschijnlijk de enige is die begon als schrijftaal en pas later een gesproken ontwikkelde kreeg: de eerste esperantisten leefden nogal geÑsoleerd van elkaar en konden alleen per brief met elkaar communiceren. Tegenwoordig ligt dat met de komst van de telefoon, de radio (de wereldomroepen van onder andere Polen, Oostenrijk en Vaticaanstad zenden programma's uit in de taal) natuurlijk allemaal wat gemakkelijker. Bovendien kunnen mensen makkelijker en sneller reizen. Zo is er langzaam maar zeker een spreektaal ontstaan, die naar mijn indruk behoorlijk uniform is, en die vol met een eigen fonologie, eigenaardige grammaticaliteiten en slang-achtige uitdrukkingen zit, maar waarnaar nog nooit onderzoek naar heeft gedaan.

Kunstmatige talen, zoals het Esperanto, worden meestal onmiddellijk geassocieerd met het ideaal dat de meeste van hun sprekers drijft: de hele wereld zou die taal moeten leren, die gemakkelijker is of zou zijn dan alle andere talen, en die bovendien eerlijker is, omdat hij niet een bepaalde groep mensen voortrekt (zoals Engelsen en Amerikanen in het geval van het Engels). Het heeft volgens mij voor een taalkundige weinig zin om je blind te staren op dat ideaal -- al kun je er als priv–-persoon natuurlijk een mening over hebben. Vele malen interessanter is volgens mij de realiteit van het experiment dat de tienduizenden sprekers van die taal begonnen zijn, en de vraagtekens die dat experiment oproept voor taalkundigen van vrijwel elke denkbare richting. Het gaat er taalkundig gezien niet om of de esperantisten in luchtkastelen geloven -- het gaat erom dat ze al doende een fascinerende observatiesatelliet hebben gebouwd.