De tijd van de grote idealen is voorbij. Ook het Esperanto is volgens sommigen dood en begraven. Toch zijn er nog honderdduizenden mensen die de taal regelmatig gebruiken, zelfs op hun werk of in hun gezin. Deze maand aanvaardt Marc van Oostendorp officieel het ambt van bijzonder hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto aan de Universiteit van Amsterdam. Hij legt uit waarom hij zich bezighoudt met een kunstmatige taal.

Natuurlijk Esperanto

Marc van Oostendorp

Dit artikel verscheen in april 1998 in Onze Taal.

Het Nederlands is een kunstmatige taal en volkomen mislukt. In de zeventiende eeuw hebben enkele taalgeleerden dit vreemde taaltje samengesteld door wat Hollandse en Brabantse dialecten te mengen, er een grammatica voor te schrijven die gebaseerd was op een gebrekkige kennis van het Latijn, en de Bijbel in het zo ontstane onnatuurlijke brouwsel te vertalen. Het was de bedoeling dat iedereen in Nederland deze taal zou spreken, en dat alle Nederlandstaligen vervolgens als beschaafde mensen met elkaar zouden omgaan.

Van hun idealen is niets terechtgekomen. Nog nooit heeft het Nederlands iemand enige beschaving gebracht. Zoals bekend vervult het Algemeen Randstads in Nederland en Vlaanderen al sinds jaar en dag tot ieders tevredenheid de rol van lingua franca. Die taal heeft dan ook het grote voordeel dat het verzameld werk van Haagse Harry, Jules Deelder en Johnny Jordaan erin gesteld is. Kom daar bij het Nederlands maar eens om. In een kunstmatige taal is het nu eenmaal niet mogelijk echte gevoelens te uiten.

Onnatuurlijk gedrocht

Misschien is dit allemaal onzin, maar het is dan wel het soort onzin dat iemand hoort als hij vertelt dat hij Esperanto spreekt: het Esperanto is geen echte taal, en bovendien is het gebaseerd op idealen waar niets van terechtgekomen is. Taalkundigen halen hun neus op voor dat onnatuurlijke gedrocht, net als iedereen die een enigszins reëel beeld heeft van de mens.

Ik ben het daar niet mee eens. Ik geloof bijvoorbeeld niet dat er goede taalkundige argumenten zijn om het Esperanto onnatuurlijk te noemen. Het enige argument dat ik ken, is gebaseerd op de geschiedenis. Van de meeste talen kennen we de precieze oorsprong niet, maar van het Esperanto weten we wie de eerste spreker was: Lejzer Zamenhof, een oogarts in het Warschau van het eind van de vorige eeuw. Hij stelde de taal samen en publiceerde er in 1887 het eerste boekje over.

Deze kennis heeft echter weinig te betekenen. In zekere zin zijn alle cultuurtalen het product van taalbouw: het Italiaans is `gemaakt' door Dante, het Duits door Luther, en het Nederlands door de vertalers van de Statenbijbel. Bovendien: als we nu eens in de archieven een middeleeuws Latijn-Nederlands woordenboekje zouden vinden waaruit onomstotelijk zou komen vast te staan dat alle woorden aan de fantasie van een West-Vlaamse monnik ontsproten zijn, zou deze ontdekking toch niet opeens onze ideeën over het Nederlands veranderen?

Onderzoek

De criteria om een taal natuurlijk te noemen, kunnen dus niet gebaseerd zijn op de oorsprong van een taal. Er zijn natuurlijk andere, betere criteria, en daaraan voldoet het Esperanto allemaal. Belangrijk is bijvoorbeeld of een taal moedertaalsprekers heeft. Zodra kinderen op een spontane en natuurlijke manier -- vanaf hun geboorte -- een taal kunnen leren, is die taal natuurlijk. Er zijn geen tientallen miljoenen mensen die Esperanto spreken, maar een paar honderdduizend zijn er over de hele wereld toch zeker. Daar zijn kinderen bij die de taal als een moedertaal leren: zij groeien op in gezinnen waar Esperanto gesproken wordt. Daarnaast leren ze ook altijd minstens de taal van het land waar ze opgroeien.

Die kinderen vormen een interessant onderwerp van wetenschappelijk onderzoek. Veel taalkundigen menen dat het menselijk taalvermogen voor een belangrijk gedeelte aangeboren is. In het hoofd van elke baby zit een `taalschema'; kinderen kunnen zich alleen talen eigen maken die binnen dit schema passen. Een taal die op deze manier geleerd kan worden is een natuurlijke taal. Het Esperanto wordt op deze manier geleerd. Hoewel de taal in oorsprong dus inderdaad `bedacht' en kunstmatig was, kan hij nu eigenlijk niet meer zo genoemd worden. Kinderen hebben hem natuurlijk gemaakt.

Popgroepen

Een ander criterium voor natuurlijkheid is de vraag of de taal in allerlei situaties gebruikt kan worden. Welnu, er verschijnen regelmatig oorspronkelijk in het Esperanto geschreven of in die taal vertaalde romans, verhalen en dichtbundels. Er zijn popgroepen die in het Esperanto zingen, toneelgezelschappen en videofilms in het Esperanto, er is een wetenschappelijk tijdschrift en er is een zomeruniversiteit. Verschillende internationale radiostations zenden elke dag nieuwsbulletins uit in het Esperanto. Op Internet is vele malen meer in het Esperanto te lezen dan bijvoorbeeld in het Fries. In Rotterdam is het hoofdkantoor van een van de belangrijkste internationale Esperantoverenigingen gevestigd. Op dat hoofdkantoor werken mensen van allerlei nationaliteiten samen in het Esperanto. In het Esperanto wordt geliefkoosd, gescholden, vergaderd, gevloekt, en gebeden. Wat in een natuurlijke taal kan, kan in het Esperanto ook.

Ik ben geïnteresseerd in taal. Ik wil weten hoe taal in elkaar zit, hoe kinderen taal kunnen leren, hoe taal in het dagelijks leven werkt. Juist zo'n uitzonderlijke taal als het Esperanto, die door iemand bedacht is met de bedoeling om een taal te maken die anders is dan alle anderen, is daarom voor mij interessant. Hoe werkt zo'n taal? Hoe is het mogelijk dat een systeem dat honderdtien jaar geleden voor het eerst werd gepubliceerd in een armoedig uitgegeven brochure, nu is uitgegroeid tot een volwaardige taal?

Tolstoj

Er zijn meer redenen om het Esperanto bijzonder te noemen. Het is bijvoorbeeld relatief gemakkelijk te leren. De Russische schrijver Tolstoj beweerde dat hij de taal na een paar uur studie kon lezen. Dat is misschien een beetje overdreven, maar ik denk dat hij wel degelijk veel gemakkelijker te leren is dan alle andere talen. Hoe kan dat? Ik denk dat het iets te maken heeft met de korte geschiedenis van het Esperanto: honderdtien jaar is niets in het leven van een taal. En juist gedurende een lange geschiedenis ontstaan de grootste problemen voor de leerbaarheid van een taal.

Neem de verbuiging van het werkwoord zijn. Dat werkwoord komt zo vaak voor dat het al in de eerste lessen over elke willekeurige taal behandeld moet worden; maar tegelijkertijd is het ook in alle talen extreem onregelmatig: ik ben, jij bent, hij is, wij zijn in het Nederlands, je suis, tu es, il est, nous sommes in het Frans, I am, you are, he is, we are in het Engels. Al die verschillende vormen zijn relicten van de lange geschiedenissen van al deze talen. Een taal zonder geschiedenis kent dergelijke relicten uiteraard niet. In zo'n taal kun je daarom zeggen mi estas, vi estas, li estas, ni estas. Juist hun lange geschiedenis maakt de meeste talen lastig.

Mos

Het Esperanto is dus een ideaal onderzoeksobject voor een taalkundige, juist omdat het zo'n bijzondere en korte geschiedenis heeft. Zoals sommige biologen juist geïnteresseerd zijn in het mos dat tegen de verdrukking in op beton groeit, zo heb ik belangstelling voor talen die het creatieve menselijke taalvermogen aan het werk laten zien waar we het niet zo snel zouden verwachten.

En de idealen? Het Esperanto wordt vaak geassocieerd met tamelijk kinderlijke ideeën over wereldvrede: als iedereen nu maar dezelfde taal leert, zal er nooit meer oorlog zijn. Die gedachte zou inderdaad erg naïef zijn -- we hoeven maar naar het voormalige Joegoslavië te kijken, of naar Noord-Ierland, om dat te zien.

We kunnen ook een gematigder en pragmatischer houding aannemen. De mensen die zich tijdens de Middeleeuwen en de Renaissance hebben ingezet voor een Nederlandse bovengewestelijke standaardtaal deden dat waarschijnlijk ook niet in de eerste plaats omdat ze daarmee de vrede dichterbij wilden brengen. Ze wilden elkaar verstaan en daarvoor was het handig om een neutrale, bovenregionale taalvorm te hebben. Voor een soortgelijk probleem staan we nu in Europa, en eigenlijk zelfs al in de wereld. Er is dringend behoefte aan een taal voor internationale contacten -- niet in plaats van de streektaal en de nationale taal, maar naast die talen.

Wereldtaal Engels?

Maar die rol wordt toch al vervuld door het Engels? Het is waar dat er nog nooit in de wereldgeschiedenis een taal is geweest die zo'n grote verbreidheid over de wereld heeft gehad als het Engels nu. Toch blijft er iets wringen, zoals iedereen weet die weleens ruzie heeft gemaakt met een Amerikaan of een Engelsman. Hoe goed je een taal ook leert, de moedertaalspreker blijft in zo'n geval altijd in het voordeel. In de internationale politiek is dat gevaarlijk. Het is alsof Groningers en Limburgers zich ertoe zouden verplichten in de Tweede Kamer met een groep Hagenaars te debatteren in het plat Haags. Dat verliezen ze geheid. Daarom hebben de mensen die zich niet neerleggen bij de huidige status-quo -- waarin `iedereen' al Engels spreekt -- maar naar een eerlijker oplossing zoeken, mijn sympathie. Misschien spreekt over twintig jaar inderdaad iedereen Engels. Maar daarom hoeven we met die gang van zaken nu nog niet gelukkig te zijn.

Volgens sommige mensen is het Esperanto mislukt en niet langer de moeite van het bestuderen waard. Ik denk dat die mensen ongelijk hebben. Esperanto vivas kaj prosperas.