Steenkolen-Engels en Esperanto: Concurrenten of alternatieven?

Marc van Oostendorp

Inleiding op de discussiebijeenkomst tijdens de jaarvergadering van Esperanto Nederland, 19 mei 2001; verschenen in FEN-X 6.4 (2001): 8-9

Ik ben vereerd dat het bestuur van Esperanto Nederland mij heeft gevraagd deze bijeenkomst in te leiden. Discussie over onderwerpen zoals dit lijken mij essentieel voor Esperanto Nederland. Feitelijk is deze vereniging een van de weinige organisaties die zich serieus bezighoudt met de internationale taalproblematiek - zoals blijkt uit de uitgave van Monditaal, en zoals ook blijkt uit deze discussie.

Ik heb zelf twintig jaar geleden Esperanto geleerd nadat ik uit de openbare bibliotheek in de stad waar ik woonde het boekje 'Esperanto: Utopie of realiteit?' van Bert de Wit had geleend. Ik heb het met rode oortjes gelezen: die organisatie van esperantisten, daar wilde ik ook bij horen. Daaruit volgde dat ik de taal moest leren. Ik was dus esperantist voor ik Esperanto sprak. Dat geldt denk ik voor de meeste esperantisten.

In het menselijk verkeer heeft taal twee functies. Het dient voor communicatie, om een gevoel of een gedachte over te brengen van de ene mens op de andere. Een andere functie is echter precies even belangrijk: die van identiteit. Door voor een bepaalde taal, of voor een bepaalde taalvariant, te kiezen laat je zien wie je bent, tot welke groep je behoort of wilt behoren.

Het Engels en het Esperanto kun je nu volgens deze indeling tegenover elkaar zetten. Als het gaat om communicatie is het Esperanto misschien superieur - gemakkelijker te leren en te gebruiken. Het feit dat het Engels wijder verbreid is, ligt vooral aan de identiteitsfactor. Veel mensen spreken Engels om dezelde reden waarom veel mensen brillen dragen van Ralph Lauren of luisteren naar Eminem: omdat veel mensen zich graag willen identificeren met Amerika en de Amerikanen. Ik denk dat veel menselijk gedrag begrepen kan worden uit een diepgewortelde wens om Amerikaan te zijn - wat natuurlijk iets te maken heeft met de aanhoudende macht, de rijkdom, de invloed van dat land en het succes van de amusementsindustrie aldaar.

Met de identitificatiemogelijkheden van het Esperanto is het aan de andere kant droevig gesteld - de taal wordt gezien als een relict uit oude tijden, een sympathiek idee dat het helaas niet gehaald heeft, met mensen die vasthouden aan een idee dat nooit werkelijkheid zal worden.

Interessant genoeg ontwikkelt zich tegelijkertijd gaandeweg een variant van het Engels die veel van de communicatieve problemen die je voor die taal zou kunnen observeren oplost. Die taal noem ik 'steenkolen-Engels', maar als een soort geuzenterm, zonder de negatieve associaties die deze naam gewoonlijk omgeven. Dat steenkolen-Engels is de taal van jonge wereldburgers die met elkaar Engels spreken, maar zonder zich daarbij de wet te laten voorlezen door zogenoemde moedertaalsprekers, zoals Engels en Amerikanen. vDe twee belangrijkste argumenten die traditioneel door Esperantisten worden gebruikt voor hun taal - de taal is eenvoudig (een argument dat de nadruk legt op de communicatiefunctie), en de taal maakt democratische communicatie mogelijk (een argument dat de nadruk legt op identiteit: wie de taal gebruikt laat zien dat hij voor een democratischer wereldorde staat) gelden in zekere mate ook voor het steenkolen-Engels. De taal is gemakkelijker dan het offici‘le Engels, omdat fouten per definitie niet mogelijk zijn. En de taal is democratischer omdat moedertaalsprekers het niet per definitie beter weten dan niet-moedertaalsprekers.

Het Esperanto is misschien nog steeds superieur op beide punten, maar ik wil er toch ook op wijzen dat het steenkolen-Engels bepaalde voordelen heeft boven het Esperanto. Zo is men in de Esperanto-gemeenschap wat mij betreft nog veel te normatief. Esperantisten zijn vaak en graag bezig met 'goed' en 'fout', met het vinden van 'grammaticale fouten' in elkaars taal. Op een bijeenkomst van de Akademio de Esperanto hield een lid van dit eerbiedwaardige gezelschap een paar jaar geleden een speelgoedinktvis omhoog en vroeg de aanwezigen hoe dit heette. Veel mensen bleken te denken dat het hier ging om een 'oktopuso', waarom zij werden berispt want de 'correcte' term is 'polpo'. In de Esperanto-beweging zou best eens kunnen worden gediscussieerd over de vraag hoe gemakkelijk en hoe democratische een taal is, waarin het 'fout' is om een voor de hand liggend en internationaal gangbaar woord te gebruiken (als het duidelijk is dat alle gesprekspartners het woord begrijpen).

Hoewel ik denk dat het steenkolen-Engels een serieus alternatief is, ben ik er zelf van overtuigd dat het goed en prettig is dat het Esperanto bestaat en zijn er volgens mij nog genoeg bestaansgronden voor een vereniging als Esperanto Nederland, en genoeg redenen voor mij om lid te willen zijn van zo'n vereniging.

Die bestaansgronden zijn niet een strijd tegen het Engels, en zeker ook niet tegen het gebruik van Engelse leenwoorden in het Nederlands. Men kan betreuren dat dergelijke leenwoorden gebruikt worden, maar het is mij niet duidelijk hoe het Esperanto hier per se in helpt. Als de taal dezelfde rol zou vervullen als het Engels, zouden er ongetwijfeld veel Esperanto-woorden het Nederlands binnensluipen. Het is niet de taal *zelf* die ertoe doet, het is de manier waarop de taal gebruikt wordt, het communicatiemodel. Als alle mensen er echt van overtuigd zijn dat alle talen gelijkwaardig zijn, en de ene taal niet 'cooler' is dan de andere, zullen ze ook minder overbodige leenwoorden gebruiken.

Het zou dan volgens mij ook het identiteitsaspect van het Esperanto moeten zijn dat in de voorlichting moet worden benadrukt: esperantisten zijn mensen die nadenken over alternatieve, democratischer, eerlijker manieren waarop we met elkaar kunnen praten. Niet omdat het Esperanto een panacee biedt voor alle taalproblemen, maar omdat het een serieus te nemen model is met eigen voor- en nadelen.

Er zijn andere redenen om esperantist te zijn, en die zijn over het algemeen te respecteren. Zo bieden taal en beweging voor veel mensen een aardige hobby, een manier om ontspannen met taal, met mensen, met reizen en met andere culturen bezig te zijn onder gelijkgezinden. Dat lijkt me volkomen legitiem, al denk ik niet dat het iets is waar een vereniging als Esperanto Nederland zich op kan baseren. Met de meeste hobby's gaat het slecht en het Esperanto is wel een vrij ingewikkelde hobby: je moet de taal wel helemaal leren.

Een andere mogelijkheid is het gebruik van het Esperanto als een praktisch instrument in onze meertalige maatschappij -- het propageren van de propedeutische waarde, of het gebruik als intertaal bij tolkenorganisaties. Hans Erasmus is in Nederland de prominentste vertegenwoordiger van dit gedachtegoed. Zijn ideeën zijn heel interessant maar hebben met de Esperantobeweging als zodanig weinig te maken - ze moeten eerder door de buitenwereld worden opgepakt. Voor het praktisch gebruik van het Esperanto zijn geen esperantisten nodig.

Een nog belangrijker bestaansgrond vind ik: het bewaren van het erfgoed. 114 jaar Esperanto-beweging hebben veel voortgebracht dat de moeite van het bewaren waard is. Zelfs voor relatief kleine dingen als het behoud van de Zamenhofsingel in Zwolle of het Esperanto-monument in Bergen op Zoom is het volgens mij meer dan de moeite waard om op te komen. Zelfs als het Esperanto uiteindelijk ten gronde gaat, is het belangrijk dat mensen weten dat een dergelijk ideaal ooit bestaan heeft. Als de esperantisten een en ander niet levend houden, wie zou dat dan wel doen?

Maar het allerbelangrijkste is in mijn perspectief: het kritisch volgen en bediscussi‘ren van de internationale taalsituatie. Ik persoonlijk zou er sterk voor zijn als de vereniging zich meer zou richten op mensen die geen Esperanto spreken en zelfs niet per se 'geloven' in alle leerstellingen van het esperantisme, maar kritisch staan tegenover de manier waarop in de moderne tijd het talenprobleem wordt beslist. Wat zijn de problemen en hoe lossen we ze op? Wat is precies de maatschappij die we nastreven en hoe proberen we die maatschappij te bereiken? Hoe maken we mensen bewust van de valkuilen en de alternatieven? Hoe laten we ze zien dat ze niet altijd hoeven te kiezen voor de taal van de filmsterren en de voorzitter van het Internationaal Monetair Fonds - dat ze ook kunnen kiezen voor de taal van de gelijkheid en de democratie?