Volgens sommigen wordt er almaar slechter en slordiger gesproken. Die mensen hebben ongelijk: er wordt niet slechter gesproken dan vroeger en er is zelfs veel moois te horen. Als je er maar naar wilt luisteren.

Hou op met klagen en zet je oren open

Het Nederlands wordt niet almaar slordiger uitgesproken

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in Onze Taal, juni 2002)

Er is een opmerkelijk verschil tussen liefhebbers van muziek en liefhebbers van taal. Muziekliefhebbers zijn levenslustige mensen, die geanimeerd kunnen vertellen over hun favoriete muziekstuk, componist of genre. Natuurlijk horen ze weleens iets minder aangenaams, maar daar hebben ze het liever niet over. Liever praten ze over de dingen waar ze wél van kunnen genieten.

Kom daar maar eens om bij de mensen die zich taalliefhebber noemen: zij slijten hun dagen met chagrijn en gemopper over hoe slecht alles is en hoeveel slechter alles wordt. Probeer maar eens iemand te vinden die zich erop laat voorstaan goed te luisteren naar de manier waarop anderen hun moedertaal uitspreken en die niet vervolgens urenlang jeremieert over de teloorgang van het onderwijs en het gebrek aan discipline bij de jeugd. Het is alsof iemand zijn liefde voor pianomuziek illustreert door uit te leggen hoe belabberd er tegenwoordig door iedereen op dat ding gespeeld wordt.

Ongeïnspireerd

Wanneer en waardoor dit verschil tussen muziekliefhebbers en taalliefhebbers precies is ontstaan, weet ik niet. Misschien heeft het iets te maken met het onderwijs, dat veel mensen heeft ingeprent dat taal vooral iets is waarbij je goed moet opletten en niks fout mag doen. Het is treurig dat er mensen zijn die zich kennelijk zo kunnen storen aan iets wat zoveel medemensen met zoveel overgave de hele dag doen: praten, babbelen, formuleren.

Natuurlijk zijn er veel mensen die hun moedertaal ongeïnspireerd en zonder gevoel uitspreken. Maar daar staan ook veel mensen tegenover die met hun stem, hun tong, hun spraakkanaal van elke zin een cadeautje maken. U hoort ze om u heen: het meisje bij de bakker dat haar klinkers vrolijk over de broodjes laat schallen, de conducteur op de trein die zijn teksten uitspreekt als een nieuwslezer, de tante die haar verhalen kruidt met dialogen in een vlekkeloos Rotterdams accent.

Nie feil beiter

Waar komen de klachten dan vandaan? Er is één beroepsgroep die misschien inderdaad minder ‘zorgvuldig’ is gaan spreken in de loop der jaren — de mensen die achter de microfoon werken bij de Nederlandse omroep. Enkele jaren geleden verscheen een proefschrift waarin de taalkundige Hans Van de Velde de taal van radioverslaggevers uit Nederland en Vlaanderen vergeleek in de periode van 1935 tot en met 1995. De Vlaamse radioverslaggevers bleken in de loop van de tijd min of meer hetzelfde te zijn blijven praten, terwijl er in de spraak van hun Nederlandse collega’s nogal wat veranderd was: ze waren de v’s meer als f’en gaan uitspreken, de ee’s meer als ei’s, ze waren kortom meer ‘plat’ gaan praten: dat is nie feil beiter.

We kunnen daaruit niet de conclusie trekken dat iedereen dus slordiger is gaan spreken. Zo’n conclusie zou gebaseerd zijn op twee misverstanden. Het eerste misverstand is dat de omroep representatief is voor de rest van de mensheid. Het tweede is dat het een teken is van algehele slordigheid en verval als omroepers [feil] zeggen in plaats van [veel].

De omroep is nooit representatief voor het dagelijks taalgebruik. Mensen die voor de omroep werken, hebben een microfoon voor hun neus en het is vrijwel onmogelijk om natuurlijk te blijven praten als je je daarvan bewust bent. Dat omroepers vroeger zo netjes spraken, was omdat ze daar erg hun best op deden. Dat Nederlandse omroepers nu minder netjes spreken, betekent niet dat ze nu achteloos zijn geworden. Het betekent enkel dat ze informeel willen klinken. Het een is beslist niet gemakkelijker dan het ander, het zijn allebei technieken die je moet leren.

Sympathiek

Dat die omroepmedewerkers minder netjes praten, is dus niet per se een teken van verval. Het zegt zelfs helemaal niets over de manier waarop mensen buiten het gehoor van microfoons spreken of spraken. Over dat laatste hebben we zelfs nauwelijks betrouwbare gegevens. Daarvoor hadden we al in de jaren dertig opnamen moeten maken van gewone gesprekken, maar gesprekken die worden opgenomen zijn nooit gewone gesprekken. We weten dus niet precies hoe mensen vroeger spraken, zelfs niet in de tijd die we zelf hebben meegemaakt, want niemand onthoudt grote hoeveelheden gesprekken woordelijk.

Het is een misverstand om te denken dat je alleen ‘verzorgd’ praat als je zo stijfjes mogelijk probeert aan een strikte eenheidsnorm te voldoen: alleen wie precies zo probeert te spreken als alle anderen, praat mooi. Dat was misschien lange tijd inderdaad de heersende gedachte, maar gelukkig zijn we daar vanaf. Volgens mij kun je ook verzorgd zijn als je een persoonlijke uitspraak koestert, die natuurlijk wel verstaanbaar moet zijn voor anderen, maar tegelijkertijd een persoonlijke toets heeft. Iemand als Philip Freriks. Er zijn mensen die zich aan hem ergeren. Hij verspreekt zich af en toe, jazeker, hij klinkt niet altijd even begrijpelijk, maar er is niemand die het woord redacteur zó fraai kan uitspreken, er is niemand die met zo veel hoorbaar genoegen de kijkers nog een heel prettige avond kan wensen. Het is niet altijd correct, maar het heeft wel een eigen stijl. Je moet misschien van die stijl houden, en ik houd er toevallig van.

Natuurlijk zijn er ook mensen die ik minder mooi vind klinken. Ik houd bijvoorbeeld niet zo van de stem, de dictie, de woordkeus en bijna elk ander aspect van het taalgebruik van het Tweede-Kamerlid Sharon Dijksma (PvdA). Het valt me daarbij altijd op dat ik dat gevoel nooit heb bij mensen die mij om andere redenen al sympathiek zijn. Alleen onaangename mensen klinken onaangenaam. De geliefde van Dijksma zal van haar taal genieten.

Examinatoren machteloos

Een andere groep die het onveranderlijk moet ontgelden in de taalklachten, is de jeugd. Dankzij de cd-rom met de jaargangen van Onze Taal van 1932 tot en met 2000 valt dit goed na te gaan. Sinds jaar en dag verschijnen er in dit tijdschrift ingezonden brieven en andere stukken waarin wordt geklaagd over de voortschrijdende articulatieluiheid. Al in de allereerste jaargang, in mei 1932 mag de hoogleraar Stoett uitgebreid klagen over de deplorabele toestand van het uitspraakonderwijs. Terwijl in de omringende landen kandidaat-leraren werden afgewezen als ze een slechte uitspraak hadden, stonden Nederlandse examinatoren van toekomstige leerkrachten machteloos: "Al zijn de examinatoren nòg zoo overtuigd, dat iemand, die onze taal niet behoorlijk spreekt, niet geschikt is, de Nederlandsche jeugd te onderwijzen, zij staan machteloos."

De Nederlandse jeugd die les heeft gekregen van deze slechte onderwijzers is inmiddels in de zeventig. Zij hebben zelf ook alweer generaties grootgebracht. Als ook zij al zover verloederd waren, is er voor ons eigenlijk geen hoop meer. Wij zouden nu eigenlijk allemaal zo slecht moeten spreken dat niemand een ander nog zou verstaan.

In de praktijk blijkt dat wel mee te vallen. Je hoort nooit een grootvader klagen dat hij zijn kleinkinderen niet kan verstaan, wat hij ook probeert. Je hoort misschien wel eens iemand klagen dat hij andermans kinderen niet kan verstaan. Die kinderen zijn dan waarschijnlijk ook helemaal niet tegen hem aan het praten, maar onderling, in een taal die misschien wel helemaal niet bedoeld is voor volwassen oren. Iedere Nederlander en iedere Vlaming die dat wil en die geen ernstige aandoening heeft, kan zich verstaanbaar maken voor iedere andere taalgebruiker.

Poldernederlands

Er bestaan geen wetenschappelijke onderzoeken waaruit blijkt dat jonge generaties inderdaad luier zouden zijn in hun uitspraak. Ze hebben daar dan ook geen enkele reden voor. Jonge mensen zijn over het algemeen gezond van lijf en leden en hebben een minstens even grote drang om te communiceren als ouderen. Wel zijn er onderzoekers die zich druk maken over de kwaliteit van het onderwijs, maar ook zij kunnen zich niet op onderzoek beroepen. Zo heeft de Amsterdamse taalkundige Jan Stroop in sommige publicaties over het door hem ontdekte Poldernederlands erop gewezen dat de doorbraak van die variant volgens hem het gevolg is van een verminderd uitspraakonderwijs. Het Poldernederlands is een nieuw soort uitspraak van de tweeklanken. De ei wordt bijvoorbeeld uitgesproken als [aj]. Een spreekster van het Poldernederlands zegt dus [wajn] voor wijn.

Stroop stelt dat de Engelsen en de Duitsers al heel erg lang [wajn] zeggen, terwijl in de Middeleeuwen alle drie deze volken nog [wien] zeiden. Er heeft dus in alle drie de talen een verandering plaatsgevonden, maar in het Nederlands werd deze, in ieder geval voor een tijdje, halverwege afgebroken, zodat we [wijn] zeiden. Stroop meent dat dit alles een gevolg is geweest van het uitstekende Nederlandse uitspraakonderwijs.

Nuttige taalverandering

Nu dit onderwijs nauwelijks meer bestaat — het is waar, er wordt op Nederlandse scholen eigenlijk geen aandacht besteedt aan ‘correcte’ uitspraak — krijgt de natuurlijke uitspraak [wajn] de kans alsnog door te breken. Daarover zijn echter een paar dingen te zeggen. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk dat het uitspraakonderwijs in Duitsland en Engeland nu zoveel slechter is geweest dan in Nederland, zodat men daar al zoveel sneller overstapte op [wajn]. Daarbij moet je om [wajn] te zeggen je mond wijder opendoen dan om [wijn] te zeggen. In dat opzicht kost de nieuwe uitspraak dus juist meer moeite; aan de andere kant is [wajn] makkelijker te onderscheiden van ween dan wijn. Je kunt dus ook zeggen dat het onderwijs altijd een nuttige taalverandering heeft tegengehouden.

Sharon Dijksma spreekt ook Poldernederlands, en ik zal ook niet beweren dat ik dat nu zo’n mooie variant van het Nederlands vind. Maar ik ken genoeg spreeksters van het Poldernederlands naar wie ik wel met plezier luister, die aardige dingen zeggen met een prettige stem en een eigen uitspraak die toch duidelijk is. Zoals er in het algemeen op de radio en de tv steeds meer uitspraakvarianten te horen zijn, lokale uitspraken, allochtone uitspraken. Het Nederlands wordt almaar mooier en interessanter om naar te luisteren met al die variatie.

‘Spannond’

Er zijn nog meer vernieuwingen in de klankvorm van het Nederlands die helemaal niet zo gemakkelijk op luiheid zijn terug te voeren. Bijvoorbeeld het volgende, dat mij een jaar of drie geleden voor het eerst opviel: steeds meer mensen, naar mijn indruk vooral uit de omgeving van Amsterdam, zeggen dingen als [spannond], [Diemon-Zuid] en [levons]: ze spreken de stomme e voor een n uit als een oh-achtige klinker. Dat is waarschijnlijk een vrij recente ontwikkeling; ik ken er in ieder geval geen beschrijvingen van in de taalkundige literatuur. Nu is er geen klinker zo gemakkelijk te maken als juist de stomme e. Toch hoor je in steeds meer radio- en tv-programma’s die uitspraak [spannond]. Je kunt dat mooi vinden, je kunt dat lelijk vinden. Maar lui kun je het niet noemen.

Het is een kwestie van smaak, maar taal is volgens mij niet iets om over te klagen. Tegenover elke lelijke stem staan een heleboel mooie, tegenover elke ongeïnspireerde uitspraak van het Nederlands staan talloze prachtige. Een heleboel moois wordt ons elke dag door onze medemensen aangereikt. Houd op met klagen, zet uw oren open, doe desnoods uw ogen dicht. En luister.