Klinkerkwaliteit en Rijmstructuur in het Nederlands

Marc van Oostendorp

Dit artikel is in druk verschenen in Spektator 14.7:147-162.

0. Inleiding

Sinds het eerste fonologische artikel dat aan dit onderwerp gewijd was (De Groot 1931) bestaat er in de literatuur een redelijke mate van overeenstemming dat het Nederlands twee belangrijke onderscheiden groepen klinkers kent. De eerste groep omvat in ieder geval de klinkers in biet, buut, boet, beet, beuk, boot en baat. De tweede in ieder geval de klinkers in pit, put, pet, pot en pad.. #1In navolging van Moulton (1962) zal ik hieronder over A-klinkers respectievelijk B-klinkers spreken om deze groepen aan te duiden op plaatsen waar een theorie-onafhankelijke terminologie vereist is. Bovendien zal ik in de transcripties voor A-klinkers onderkast gebruiken en voor B-klinkers kapitaal. Bovengenoemde klinkers spel ik dientengevolge als i, y, u, e, ö, o, a en I, Y, E, O, A.

Er heeft altijd onenigheid bestaan over de vraag welke klinkers uit de ene groep nu precies in oppositie staan tot welke klinkers uit de andere groep (of I een paar vormt met e of juist met i bijvoorbeeld) en vooral over de vraag hoe de oppositie fonologisch beschreven kan worden. Op die laatste vraag zal ik me in dit artikel richten.

Fonetisch onderscheiden de klinkergroepen zich op twee manieren van elkaar. In de eerste plaats zijn de klinkers uit de eerste groep gemiddeld wat langer dan die uit de tweede, maar in de tweede plaats delen ze ook een andere iets moeilijker te definiëren fonetische eigenschap die ik hier aan zal duiden als gespannenheid (in de betekenis van Cohen et al. 1961), hoewel er een groot aantal andere termen in omloop is.

In een maximaal economische theorie willen we een dergelijke redundantie vermijden. Het ligt dan voor de hand om ofwel aan te nemen dat alleen gespannenheid een fonologische rol speelt en lengte een puur fonetische afgeleide van die gespannenheid is (de gespannenheidstheorie), of omgekeerd dat lengte `onderliggend' is en gespannenheid daarvan is afgeleid (de lengtetheorie). De discussie heeft zich dan ook voortdurend tussen deze twee extremen bewogen. De afgelopen vijftien jaar is er een zekere consensus ontstaan ten gunste van de theorie die lengte tot de fonologisch relevante eigenschap maakt.#2

In dit artikel wil ik beargumenteren dat klinkerlengte in de oppositie tussen A- en B-klinkers geen enkele rol speelt. De argumenten daarvoor zijn gedeeltelijk al oud en stammen uit de vooroorloogse structuralistische traditie. Voor een ander gedeelte zijn ze gebaseerd op uiterst recente inzichten uit de autosegmentele fonologie. Eén van de voordelen van de autosegmentele fonologie is dat deze theorie het ons mogelijk maakt een formeel onderscheid te maken tussen klinkerlengte en klinkerkwaliteit. De eerste wordt uitgedrukt door de associatie van een bepaald fonologisch segment aan één of meer tijdseenheden; de tweede wordt uitgedrukt door een (al dan niet privatief) kenmerk.

Ik ga in mijn uiteenzetting als volgt te werk. In de eerste paragraaf bespreek ik de argumenten die ten gunste van de lengtetheorie naar voren zijn gebracht. Hetzelfde doe ik met de argumenten voor de gespannenheidstheorie in paragraaf 2. Het zal blijken dat de meest zwaarwegende fonologische argumenten in feite wijzen in de richting van gespannenheid. In de derde paragraaf zal ik vervolgens proberen de oorspronkelijke argumenten tegen de gespannenheidstheorie te ontkrachten door een theorie op te stellen over de relatie tussen klinkerkwaliteit en lettergreeptheorie die gemotiveerd kan worden door de analyse van enkele Polynesische en Romaanse talen. De diftongen, de sjwa en de zogenaamde `leenvokalen' worden kort besproken in paragraaf 4. De laatste paragraaf is gewijd aan een conclusie.

1. Argumenten voor klinkerlengte

Er zijn bij mijn weten twee belangrijke argumenten voor klinkerlengte genoemd in de literatuur, een fonetisch argument en een fonologisch argument. Ik zal nu deze argumenten elk in een eigen deelparagraaf bespreken.

1.1 Gespannenheid is moeilijk fonetisch te definiëren.

Het fonetische argument is in zekere zin meer een argument tegen gespannenheid dan voor lengte. Zoals ik in de inleiding al heb gemeld is het zeer moeilijk gebleken een waterdichte articulatorische of perceptuele definitie te geven van het contrast tussen een gespannen en een ongespannen klinker. Een sterke traditie in de moderne fonologie verlangt dat fonologische kenmerken altijd fonetisch gemotiveerd kunnen worden. Toch meen ik dat dit argument uiteindelijk het zwakste van de hier genoemde is omdat de lengtetheorie soortgelijke problemen kent. Er zijn immers een aantal klinkers die zich fonologisch als `lang' gedragen, maar die fonetisch even kort zijn als andere fonologisch onbetwist korte klinkers: dit zijn de i, y en u (Van Haeringen 1959, Heeroma 1959, Moulton 1962, Nooteboom 1972, Trommelen 1987, Hermans 1994) en in zekere zin ook de sjwa (Trommelen 1983, Booij 1995). Het verschil tussen de twee groepen klinkers lijkt dus hoe dan ook moeilijk fonetisch te beschrijven. Ik laat dit argument dan ook verder rusten.

1.2 A-klinkers beslaan meer ruimte in de lettergreep.

Ik wend me nu tot de puur fonologische argumenten. Het bekendste hiervan heeft te maken met lettergreepstructuur. Het heeft onder andere Moulton (1962) in een invloedrijk artikel ertoe doen besluiten te breken met de traditie van (structuralisitsche) gespannenheidstheorie en in plaats daarvan lengte als de voornaamste karakteristiek te beschouwen. Ook de huidige generatieve lengtetheorie is goeddeels op dit argument gebaseerd.

De belangrijkste observatie is dat het aantal medeklinkers dat na een A-klinker kan komen kleiner is dan het aantal medeklinkers dat na een B-klinker kan komen. Als we afzien van coronale obstruenten vinden we na een A-klinker in woord-finale positie ten hoogste één medeklinker en na B-klinkers ten hoogste twee:





(1) ram rap *ramp 

    rAm rAp  rAmp 

Het gat in het paradigma in (1) kent slechts een zeer klein aantal uitzonderingen, om redenen die ik hier verder buitenbeschouwing laat voornamelijk bij de hoge ongeronde voorklinker i en de ongeronde achterklinker a: hielp, stierf, twaalf en nog een paar. Deze handvol tegenvoorbeelden laat men meestal buiten beschouwing. Deze traditie zal ik hier volgen.

Aangenomen dat klinkerlengte geen fonologisch kenmerk is maar gerepresenteerd wordt als de opeenvolging van twee klinkers (deze aanname speelt een cruciale rol in dit artikel), kan de gang van zaken in (1) worden uitgedrukt door te zeggen dat de rijm drie posities telt. Omdat de rijm bestaat uit de (eerste) klinker en alle segmenten na die klinker in een lettergreep en Aklinkers lang zijn, dus twee plaatsen innemen, kan er na een Aklinker slechts één medeklinker komen. Van coronale medeklinkers wordt aangenomen dat ze op een speciale manier extrasyllabisch kunnen zijn.

Een B-klinker neemt daarentegen slechts één positie in en kan daarom in een maximale rijm gevolgd worden door twee medeklinkers.

Deze lengteverklaring is zeer elegant. De gespannenheidstheorie heeft daarentegen niet direct een verklaring voor dit feit. Dat het maximaal aantal medeklinkers (1 of 2) in een rijm afhankelijk is van de kwaliteit van de klinker is op zijn zachtst gezegd onverwacht. Op deze kwestie zal ik uitgebreider terugkomen in paragraaf 3, waar ik probeer deze relatie indirect toch te leggen.

Bij mijn weten is Zonneveld (1978) de eerste geweest die om deze reden (en om het eerder besproken fonetische argument, met een verwijzing naar Lass 1976) de lengtetheorie expliciet heeft doen herleven in de generatieve fonologie. De autosegmentele fonologie heeft bovendien een eerder probleem voor de lengtetheorie gedeeltelijk opgelost, namelijk de vraag waarom A-klinkers zich in veel opzichten als eenheid gedragen en niet als twee korte klinkers op een rij. De representatie van bijvoorbeeld een a respectievelijk een A is in het meeste werk als volgt:#3






 (2) a. x x  b. x 

        \ /     | 

         F      F 

In deze figuur staat F voor de kenmerkinhoud van de a en A (dus consonantisch, +laag, etc.) en de x-en staan voor prosodische posities (x-slots of mora's). De lange a heeft daarom slechts één bundel kenmerken. Het is uitgesloten dat er bijvoorbeeld een umlautregel werkt op een deel van de a met uitsluiting van het andere deel.

2. Argumenten voor gespannenheid

In de vorige paragraaf hebben we gezien dat het belangrijkste argument voor de lengtetheorie verband houdt met lettergreepstructuur. Ik stel voor nu onze aandacht te richten op een aantal argumenten tegen de lengtetheorie en voor een theorie die gebruik maakt van een fonologisch kenmerk [gespannen]. Naar mijn overtuiging zijn er minstens vier van dergelijke argumenten te vinden.

2.1 Het Nederlandse klemtoonsysteem beschouwt A-klinkers als licht.

De meeste onderzoekers zijn het erover eens dat het Nederlands een zwaartegevoelig klemtoonsysteem heeft waarbij gesloten lettergrepen en lettergrepen die eindigen op een diftong gelden als zwaar, maar lettergrepen die eindigen op een A-klinker als licht (zie echter Booij 1995 voor een analyse van het Nederlandse zonder zwaartegevoeligheid). Taaltypologisch is deze situatie vanuit de lengtetheorie bezien uiterst gemarkeerd. Er zijn ons eigenlijk geen andere voorbeelden bekend van systemen waarvoor een dergelijke generalisatie opgaat. Een tamelijk algemeen geaccepteerde universale zegt dat als een taal onderscheid maakt tussen zware en lichte lettergrepen, CVV lettergrepen altijd gelden als zwaar. Voor het Nederlands geldt dit ook gedeeltelijk, maar alleen voor diftongen en de leenfonemen.

Dit probleem heeft ruime aandacht gekregen in de generatieve literatuur die uitging van de lengtetheorie. Er is een groot aantal voorstellen gedaan: Nederlandse klinkers zouden twee wortelknopen bezitten, maar slechts één prosodische positie, zodat ze toch als licht zouden gelden (Lahiri en Koreman 1989), ze zouden juist twee prosodische posities hebben voor een wortelknoop en het Nederlands zou exceptioneel zwaarte berekenen op het niveau van de wortelknopen (Kager 1989), of Nederlandse lange klinkers zouden op het niveau van klemtoontoekenning geanalyseerd worden als een korte klinker plus een sjwa waarbij de sjwa op de een of andere manier onzichtbaar is voor klemtoontoekenning (Smith et al. 1989, Hermans 1994). Technisch gezien is het dus wel mogelijk om de problemen op te lossen in een lengtetheorie. Dit staat niet in de weg dat onder al deze aanpakken taalspecifieke aannamen nodig zijn terwijl het hele probleem zich simpelweg niet voordoet in een gespannenheidstheorie omdat lettergrepen die eindigen op een Aklinker onder die theorie een CV struktuur hebben, de karakteristieke struktuur van een lichte lettergreep.

2.2 Het Nederlands heeft geen CV-lettergrepen.

Een ander breed aanvaard universale zegt dat alle talen `kernlettergrepen' hebben, dat wil zeggen lettergrepen die alleen bestaan uit een medeklinker en een klinker (Trubetzkoy 1938). Nu wil het geval dat in het Nederlands B-klinkers altijd `gedekt' moeten zijn, dat wil zeggen dat ze moeten worden gevolgd door een medeklinker. Alleen A-klinkers kunnen aan het eind van een lettergreep staan; maar als deze klinkers lang zijn heeft het Nederlands alleen CVV- en CVC-lettergrepen maar geen CV-strukturen.

Wederom heeft de gespannenheidstheorie niet een dergelijk probleem: zoals we hieronder zullen zien kunnen we zelfs aannemen dat elke A-klinker in een CV-lettergreep staat.

2.3 Er zijn meer A-klinkers dan B-klinkers.

Trubetzkoy (1938) geeft nog een derde gemarkeerdheidscriterium waarmee de lengtetheorie grote problemen heeft: de verzameling A-klinkers is in het Nederlands (en in de Germaanse talen in het algemeen) groter dan de verzameling B-klinkers. Een dergelijke verdeling wijst er in het algemeen op dat de grotere verzameling, in dit geval die van de A-klinkers, de minder gemarkeerde is. Als A-klinkers identiek zijn aan B-klinkers behalve dat ze geasocieerd zijn aan twee in plaats van aan één prosodische positie, verwachten we dat juist A-klinkers meer gemarkeerd zullen zijn dan B-klinkers. De lengtetheorie kan deze onjuiste voorspelling op geen enkele manier maken. Ook als we kijken waar het gat precies zit, stuit de lengtetheorie op een probleem. Het is een merkwaardige coïncidentie dat nu juist van de hoge klinkers de korte varianten ontbreken, terwijl de `lange' hoge klinkers fonetisch worden verkort.

De gespannenheidstheorie heeft dergelijke problemen niet, mits we aannemen dat [-gespannen] (of [lax] of [-ATR] of [+RTR]) de gemarkeerde kenmerkwaarde is voor het Nederlands. De Bklinkers kunnen dan als gemarkeerd worden beschouwd. Bovendien is de restrictie op de hoge klinkers nu een natuurlijke: het filter tegen [-gespannen,+hoog] kan fonetisch gemotiveerd worden (Archangeli en Pulleyblank 1994).

2.4 Geheimtalen beschouwen A-klinkers als eenheden.

Sinds enkele jaren staan geheimtalen en taalspelletjes (voorts uniform aan te duiden als geheimtalen) in de generatieve fonologie in de aandacht als bron van evidentie over onderliggende fonologische struktuur. McCarthy (1991) wijst er in dit verband op dat Engelse geheimtalen zoals Goat Latin en Alfalfa lange klinkers zonder uitzondering als eenheden beschouwen. In Goat Latin wordt in elke lettergreep van een woord de sequentie Vbew ingevoegd voor het rijm, waarbij de V een kopie is van de klinker uit de oorspronkelijke lettergreep. (De e staat voor een sjwa.) Een voorbeeld van een Engelse zin en de `vertaling' van die zin in Goat Latin volgt hieronder:





(5) a. This is Goat Latin 

       `Dit is Goat Latin.' 

    b. Thibewis ibewis Goabewoat Labewatibewin. 

Volgens McCarthy is het karakteristiek dat de gehele `lange' klinker in dit soort gevallen wordt gekopieerd en nooit alleen het eerste deel daarvan (in dat geval zou goat vertaald worden als gobewoat). Tegelijkertijd is het uitgesloten dat er hier sprake is van het kopiëren van een nucleus, of iets dergelijks, zoals we kunnen zien aan de vertaling van latin: labewatibewin en niet *labewatinbewin. De lengtetheorie heeft hier dus een probleem dat voor de gespannenheidstheorie wederom geen enkel probleem hoeft te zijn.

Helaas is mij geen studie van aan het Goat Latin verwante oorspronkelijke Nederlandse geheimtalen bekend. Een informeel opgezet miniatuurexperiment waarbij ik de regels van het Goat Latin aan enkele moedertaalsprekers van het Nederlands demonstreerde met een voorbeeld-zin (6) die slechts B-klinkers en sjwa bevatte en ze, na een aantal oefeningen om te testen of ze de basisregel begrepen hadden, vervolgens vroeg een aantal zinnen met ook A-klinkers en diftongen in de geheimtaal te vertalen, leerde dat ook de sprekers van het Nederlands A-klinkers als geheel kopieerden.





(6) Dit is erg simpel. 

    DIbewIt IbewIs EbewErg sIbewImpebewel. 



(7) Ik lees dat boek erg graag als het buiten regent. 

    Het is ook heel mooi. 

    Wij allen houden van lezen. 

Een woord als graag werd door al mijn informanten `vertaald' met grabewag en door niemand als grAbewag. Een complicatie is echter dat ook diftongen door alle informanten als geheel vertaald werden: wij werd nooit wEbewEi of iets dergelijks. Zie hierover echter paragraaf 4.#4 Meer diepgaand empirisch onderzoek is hier duidelijk nodig maar de conclusie lijkt gerechtvaardigd dat sprekers van het Nederlands A-klinkers meer als eenheid zien dan de lengte-theorie voorspelt; volgens Vago (1985) is het immers zo dat voor talen met echte klinkerlengte, geheimtalen wel degelijk lange klinkers behandelen als sequenties van korte klinkers.

3. Klinkerkwaliteit en lettergreepstructuur

De voorafgaande paragrafen hebben geleid tot een paradox: aan de ene kant biedt de lettergreepstructuur een sterke aanleiding om de lengtetheorie te ondersteunen maar aan de andere kant zijn er een aantal sterke argumenten tegen een dergelijke lengtetheorie. Bovendien hebben we gezien dat de lengtetheorie vooralsnog niet in staat lijkt om de paradox op een bevredigende en natuurlijke manier op te lossen. Elke poging in die richting lijkt tot op heden enkele voor het Nederlands specifieke aannamen te moeten maken.

In deze paragraaf wil ik betogen dat de gespannenheidstheorie daarentegen een aannemelijk alternatief heeft voor de conditie op lettergreepstructuur. Dit alternatief is gebaseerd op twee aanamen die beide in ruime mate gemotiveerd zijn om redenen die weinig met het contrast tussen A- en B-klinkers te maken hebben.

3.1 Woord-finale consonanten kunnen extrasyllabisch zijn.

De observatie dat de distributie van `superzware' lettergrepen (dat wil zeggen lettergrepen met een CVCC- of CVVC-struktuur) in de meeste talen, ook in het Nederlands, beperkt is tot woordfinale positie, terwijl woordintern hoogstens CVV- of CVC-lettergrepen voorkomen, heeft een aantal onderzoekers ertoe gebracht aan te nemen dat we hier te maken hebben met een instantie van grotere verdraagzaamheid voor onvolmaakte struktuur aan de rand van een woord.#5 In het bijzonder wordt aangenomen dat ook de woordfinale lettergreep slechts zwaar (niet superzwaar) is, terwijl de laatste consonant buiten de lettergreep staat.#6

Dit idee kan op minstens twee verschillende manieren technisch worden uitgewerkt. Men kan aannemen dat de laatste consonant geheel buiten de lettergreepstructuur blijft en op een andere manier gelicenseerd wordt (Van der Hulst 1984, Trommelen 1983, Booij 1995), of men kan aannemen dat hij de onset vormt van een defecte (`gedegenereerde') lettergreep met een fonetisch lege klinker als hoofd. Een recent toepassing van dit idee voor het Nederlands vindt men in Zonneveld (1993). Een voordeel van deze methode is dat ze uitstekend kan verklaren waarom superzware lettergrepen zich in veel opzichten gedragen als bisyllabische eenheden; onder deze theorie zijn ze bisyllabisch.

De keuze voor één van deze twee voorstellen is echter arbitrair voor mijn doeleinden. Van belang is het alleen om te generaliseren dat het Nederlands slechts twee typen lettergreep heeft: CV, met V een A-klinker en CVC met V een B-klinker. De finale consonant in ziek, zien en zink staat buiten de lettergreep of vormt een lettergreep met een lege V. De laatste consonant in zin of tik is evenwel tautosyllabisch met de klinker.

3.2 [-gespannen] impliceert een gesloten lettergreep en omgekeerd.

Het grootste probleem voor de gespannenheidstheorie kan nu uit de weg worden geruimd. Dit probleem was dat we niet konden beschrijven hoe klinkerkwaliteit kon worden gerelateerd aan het toestaan van één dan wel twee niet-coronale consonanten in de coda. Dit probleem is nu gereduceerd tot het toestaan van nul of één consonant in het rijm. In andere woorden: klinkerkwaliteit heeft te maken met het open dan wel gesloten karakter van de lettergreep. Ook de A-klinker van ziek staat immers in een open lettergreep. Ik stel nu voor om deze observatie direct als een principe van de Nederlandse grammatica op te nemen:

(8) Een klinker is [-gespannen] dan en slechts dan als die klinker het hoofd is van een gesloten lettergreep (dat wil zeggen: een lettergreep met een vertakkend rijm).

De technische term 'hoofd-van' kan voor het gemak hier worden gedefinieerd als: eerste klinker van de lettergreep.

Wanneer alleen het Nederlands evidentie gaf voor (8), was het moeilijk in te zien op welke manier de gespannenheidstheorie nu eigenlijk beter is dan de lengtetheorie. Ik geloof echter dat er voldoende aanwijzingen zijn dat (8) een principe van de universele grammatica is dat ook in de analyse van talen als het Tagalog (Carrier 1979), het Oost-Javaans (Archangeli en Pulleyblank 1994), het Andalusisch Spaans (Hooper 1976), het Portugees (Redenberger 1975) en het Quebec Frans (Dumas 1976) moet worden aangewend.

In al deze talen kan er een verschil gemaakt worden tussen A- en B-klinkers op een manier die fonetisch sterk aan het Nederlands doet denken. In al die talen moet er echter sprake zijn van een kenmerk, omdat er klinkerharmonie is op precies dit punt: wanneer een bepaald affix aan een stem wordt gehecht, veranderen alle klinkers in het woord in A- dan wel B-klinkers. In een autosegmenteel model is dit alleen maar te verklaren als we te maken hebben met een kenmerk gespannenheid. De standaardanalyse van klinkerharmonie is immers kenmerkspreiding. Het is veel moeilijker, zo niet onmogelijk, in te zien hoe klinkerlengte -- het geassocieerd zijn aan twee prosodische posities -- kan harmoniëren.

Het harmonische gedrag in deze talen wijst er dus op dat we hier ondubbelzinnig te maken hebben met een kenmerk. In alle genoemde talen is er echter ook een relatie tussen klinkerkwaliteit en lettergreepstructuur die het beste uitgedrukt kan worden als in (8).

Het Oost-Javaans (Schlindwein 1988, Archangeli en Pulleblank 1993) geeft misschien de meest eenvoudige illustratie van deze stelling. In een gegeven woord in deze taal zijn alle klinkers gespannen wanneer de laatste lettergreep van het woord open is. Anders zijn ze allemaal ongespannen.#7 In de onderstaande tabel geef ik gespannen klinkers weer met onderkast, ongespannen klinkers met kapitaal, zoals ik dat eerder deed voor het Nederlands; in plaats van [gespannen] gebruiken genoemde auteurs [ATR] (het teken ? geeft hieronder een zogenaamde 'glottal stop' weer):





(9) titi `voorzichtig'  nUl `nul' 

    buri `terug'        mUrIt `student' 

    ombe `drinken'      bObOt `gewicht' 

    kere `bedelaar'     gOlE? `krijgen' 

De verklaring van Archangeli en Pulleyblank (1994) verloopt als volgt. Het kenmerk [ATR] is onderliggend afwezig in Oost-Javaanse morfemen. Wanneer de laatste lettergreep gesloten is, projekteert hij een kenmerk [-ATR] volgens een regel die erg lijkt op ons principe in (8). Dit kenmerk spreidt vervolgens door het hele woord. Is de laatste lettergreep open, dan krijgen alle klinkers de `default'-waarde [+ATR]. Het belangrijkste verschil tussen het Oost-Javaans en het Nederlands is hier dus dat (8) in het Javaans alleen op de laatste lettergreep van een woord van toepassing is, terwijl de overige klinkers onderhevig zijn aan harmonie, maar in het Nederlands op elke lettergreep.

In sommige Spaanse dialecten kan een zelfde fenomeen geobserveerd worden bij meervoudsvorming van nomina. Vrijwel alle Spaanse nomina eindigen op een klinker. Het meervoudsmorfeem is s. Een van de consequenties van meervoudsvorming in het Spaans is dus dat een open lettergreep tot een gesloten lettergreep wordt. In sommige dialecten in Andalusië heeft dit tot gevolg dat het kenmerk [-gespannen] vervolgens spreidt door het hele woord (ik gebruik de standaard-orthografie van het Spaans voor de weergave van consonanten):





(10) enkelvoud meervoud glosse 

     pedazo    pEdAzOs  stuk/stukken 

     piso      pIsOs    vloer/vloeren 

     grupo     grUpOs   groep/groepen 

Ook hier gedraagt gespannenheid zich dus als autosegmenteel kenmerk en niet als lengte; en ook hier is er weer een duidelijk aanwijsbare relatie met het open of gesloten karakter van de lettergreep.

Deze voorbeelden tonen aan dat (8) een onafhankelijk van het Nederlands bestaand fonologisch principe is, een lid van de familie principes die relaties leggen tussen de kenmerkinhoud van een segment en de positie van dat segment in de prosodische structuur. Het eerder genoemde principe dat coronale obstruenten buiten de lettergreep kunnen staan zou ook lid van die familie kunnen zijn. Omdat we hiermee het enige grote bezwaar tegen een gespannenheidstheorie hebben weggenomen en er een aantal zwaarwegende bezwaren tegen de lengtetheorie nog steeds overeind staan, concludeer ik dat de balans door slaat naar een gespannenheidstheorie. Klinkerlengte is voor A-klinkers een fonetische afgeleide.

4. Diftongen, sjwa en leenfonemen

Tot slot wil ik mijn aandacht richten op drie bijzondere klassen van klinkers. Dit zijn ten eerste de diftongen ei, ui en au, ten tweede de sjwa-vocaal die een klasse op zichzelf vormt, en ten derde de `vreemde' klinkers (`leenfonemen') in serre, freule en controle. Ik stel er prijs op van te voren te waarschuwen dat de beweringen in deze paragraaf een iets speculatiever karakter dragen dan die in het voorafgaande. De literatuur heeft met name de representatie van diftongen en leenfonemen onderwerpen meer veronachtzaamd dan de controverse tussen gespannenheidstheorie en lengtetheorie. Over diftongen en leenfonemen is minder bekend.

4.1 Diftongen.

De drie Nederlandse diftongen kunnen we in zekere zin zien als sequenties van twee verschillende klinkers. In dat opzicht zijn ze niet erg interessant. We hebben echter hierboven gezien dat ze zich in sommige opzichten -- bijvoorbeeld in hun gedrag in de Nederlandse variant van Goat Latin -- gedragen als eenheden, net als de A-klinkers. Als diftongen echte sequenties zijn dan zwakt dat mijn argumenten tegen lengte enigszins af.

Mijn voorstel om dit probleem op te lossen, dat overigens in een paar opzichten verwant is aan het voorstel dat McCarthy (1991) doet om het identieke gedrag van Engelse diftongen te verklaren, is dan ook om diftongen onderliggend als enkele klinkers te beschouwen.

Wanneer we het klinkersysteem zoals we dat tot nu toe hebben opgezet beschouwen, dan valt op dat er een gat is. Zoals hierboven al enkele malen opgemerkt ontbreken de ongespannen hoge klinkers:





(11)      gespannen ongespannen 

     hoog i y u 

   midden e ö o     I Y O 

     laag a         E A 

Er is enige evidentie dat de I in oppositie staat tot de e. Zo wordt in Brabantse dialecten met `verkorting' de e systematisch tot I verkort. Over de precieze plaats van de E, de A en de a in dit systeem kan ik in dit bestek niet uitweiden. Het gat in het paradigma moet ergens in de theorie worden verantwoord, misschien door het filter in (12):

(12) *[+hoog, -gespannen]

Zoals eerder vermeld, heeft dit filter een fonetische motivatie, in ieder geval als we aannemen dat [-gespannen] gedefinieerd is als het terugtrekken van de tongwortel, aangezien voor het produceren van hoge klinkers en van ongespannen klinkers tegengestelde tongbewegingen nodig zijn. We kunnen nu aannemen dat (12) een beperking is op onderliggende klinkers, zoals gewoonlijk in de literatuur wordt aangenomen.

Interessanter is het echter om een ogenblik te veronderstellen dat (12) alleen een rol speelt aan de fonologische oppervlakte. Onderliggend kunnen Nederlandse klinkers elke willekeurige combinatie van geopendheids- en gespannenheidskenmerken aannemen. Met name kunnen er onderliggend ook hoge ongespannen klinkers zijn en wel voor alle drie de in het Nederlands toegestane combinaties van plaatskenmerken ([achter,rond], [-achter,+rond], [+achter,+rond]). Aan de oppervlakte is volgens (12) echter de combinatie van hoog en ongespannen in één klinker niet toegestaan.

Talen kunnen om deze ongewenste situatie te repareren, verschillende strategieën toepassen (Calabrese 1988, Archangeli en Pulleyblank 1994). Zo zou men bijvoorbeeld één van de twee conflicterende kenmerkwaarden kunnen verwijderen en vervangen door een waarde die wel in overeenstemming is met de grammatica (dus [-hoog] of [+gespannen]). Dit zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren in niet-diftongerende dialecten van het Nederlands, waar men of de lage ongespannen variant kiest (zoals bijvoorbeeld het Haags) of de hoge gespannen variant (zoals bijvoorbeeld het Achterhoeks).

Ik stel echter voor dat het Standaard Nederlands hier een andere strategie kiest en de onwelgevormde klinker in tweeën splitst: één deel is [+hoog] en krijgt automatisch de waarde [+gespannen], een ander deel is [-gespannen] en krijgt automatisch de waarde [hoog]. De twee klinkers behouden echter wel beiden de oorspronkelijke klinkerplaatskenmerken. We hebben nu dus de combinaties [E+i], [O+u], [Y+y]. De onderlinge volgorde van de twee klinkers wordt bepaald door het principe in (8): omdat ongespannen klinkers altijd de eerste klinker van een gesloten lettergreep moeten zijn, staan deze ook hier op de meest linkse plaats.

Het bijzondere gedrag van de diftongen volgt nu zonder verdere speciale aannamen. Als we accepteren dat de prosodische operaties van geheimtalen op een zeer diep fonologisch niveau ingrijpen (McCarthy 1991), kunnen we verklaren waarom diftongen zich met betrekking tot die operaties als eenheden gedragen. Aan de andere kant moeten ze zich al vrij snel splitsen omdat ze immers als twee klinkers gelden voor klemtoontoekennende regels.

Als deze aannamen correct zijn, geldt dus ook voor diftongen dat er geen noodzaak is onderliggende lengte aan te nemen.

4.2 Sjwa.

De meest frequente Nederlandse klinker, de sjwa, is in het voorafgaande enigszins veronachtzaamd. Een bespreking van deze klinker vereist ook meer ruimte dan dit artikel biedt. Toch wil ik hier kort ingaan op de plaats van de sjwa in het hierboven geschetste klinkersysteem. Het is alleszins redelijk om te vragen hoe deze klinker zich verhoudt tot het principe in (8).

Waarschijnlijk is de sjwa fonologisch zowel als fonetisch (Koopmans-Van Beinum 1993) geheel kenmerkloos (afgezien misschien van hoofdklassekenmerken zoals [-consonantisch]). De hier voorgestelde theorie voorspelt zodoende dat de sjwa zich als een A-klinker gedraagt, dat wil zeggen alleen in open lettergrepen voorkomt. Laten we immers aannemen dat 'fonologisch leeg' betekent: zonder distinctieve kenmerken. In het voorafgaande heb ik geconcludeerd dat [-gespannen] als distinctief kenmerk fungeert in het Nederlandse systeem. De sjwa heeft dit kenmerk dan per definitie niet en volgens (8) mag hij daarom alleen in open lettergrepen voorkomen.

Deze voorspelling voor onderliggende sjwa lijkt gerechtvaardigd. Volgens nagenoeg alle criteria is de sjwa eerder onder de A-klinkers dan onder de B-klinkers in te delen. Zo kan de sjwa bijvoorbeeld in een open lettergreep voorkomen (13a). Aan woordeinde kan eventueel nog een medeklinker volgen (13b), maar ook hierin onderscheid de sjwa zich niet van de A-klinkers. Ook een sjwa mag in deze visie gevolgd worden door een defecte lettergreep. Van cruciaal belang is dat de sjwa niet gevolgd worden door clusters van consonanten (13c), tenzij de tweede consonant een coronale obstruent is (13d). Ook hier verschilt de sjwa in generlei opzicht van de A-klinkers.





(13) a. mode, lade, etc.  c. *ademp, *aderk, etc. 

     b. adem, vogel, etc. d. anders, wereld, etc. 

De rijmstructuur rondom de sjwa verschilt dus niet van die rondom de A-klinkers. Dit wordt door de gespannenheidstheorie ook voorspeld. Merk overigens op dat de lengtetheorie meer problemen heeft met het maken van deze voorspelling. Men kan bijvoorbeeld stipuleren dat de sjwa fonologisch lang is (Trommelen 1983, Booij 1995), maar een dergelijke stipulatie lijkt niet door evidentie buiten de lettergreeptheorie ondersteund te worden. Integendeel, men moet in dat geval de theorie uitbreiden om bijvoorbeeld te verantwoorden waarom de sjwa fonetisch de kortste klinker is en waarom een dergelijke lange klinker zich in het klemtoonsysteem als 'superlicht' gedraagt.

Ook de sjwa lijkt dus prima facie evidentie te leveren voor een gespannenheidstheorie. Over deze fascinerende klinker is hiermee echter het laatste woord nog niet gezegd. Ik verwijs naar Van Oostendorp (in voorbereiding) voor een meer uitgebreide analyse van deze klinker binnen de gespannenheidstheorie.

4.3 Leenfonemen.

De klinkers in serre, controle, freule (en in mindere mate die in team, centrifuge en rouge) hebben in de literatuur altijd een enigszins dubbelzinnige rol gespeeld. Enerzijds worden ze sinds De Groot (1931) door vrijwel alle auteurs genoemd maar anderzijds worden ze eveneens door vrijwel alle auteurs meteen als leenfoneem terzijde geschoven. In de generatieve literatuur is mij nauwelijks enige discussie over deze klinkers bekend. Op de uitzondering kom ik hieronder terug.

Al vrij vroeg hebben auteurs als Overdiep (1938) en Van Wijk (1939) er echter op gewezen dat men ze met het label `leenfoneem' niet zonder meer kan afdoen. De volgende argumenten (verzameld uit het werk van beide genoemde auteurs en Moulton 1962) zijn naar mijn mening voldoende steekhoudend om genoemde klinkers als echte onderdelen van het Nederlandse klinkersysteem te beschouwen:

1. Vooral [E:] en [O:] zijn vrij veel voorkomende klinkers die in meer dan slechts een `handvol' woorden voorkomen. Frequentie is een lastig criterium maar woorden als controle lijken voldoende Nederlands om te veronderstellen dat de samenstellende segmenten behoren tot de Nederlandse segmentinventaris.

2. Bovendien vinden we dit soort klinkers in een overweldigend aantal (niet-Hollandse) Nederlandse dialecten (Weijnen 1991), die voor het overige een systeem hebben dat zeer nauw verwant is aan dat van het Standaard-Nederlands. Zelfs als we de problemen voor het Standaard-Nederlands als triviaal terzijde zouden schuiven, blijven we dus het probleem houden hoe de dialecten te verantwoorden.

3. Het is niet waar dat de klinkers ongewijzigd in de vreemde uitspraak zijn overgenomen. Moulton (1962) wijst bijvoorbeeld op het verschil tussen de Nederlandse ([O:]) en de Franse ([o:]) uitspraak van rose, Rhône, contrôle en zone. Desondanks is de lengte behouden. Deze is kennelijk niet `vreemd' genoeg geweest om met de kwaliteit mee te veranderen.

4. Tenslotte kunnen we bijna 65 jaar na De Groot constateren dat deze klinkers zeer stabiel zijn. Er is in deze periode van alles aan het Nederlands veranderd maar de uitspraak van de lange klinkers is gelijkgebleven.

Dit alles staat natuurlijk niet in de weg dat deze klinkers in ieder geval in het Standaard-Nederlands een enigszins uitzonderlijke status hebben. Fonetisch is het enige verschil tussen [E] en [E:] er echt één van lengte, zodat we gedwongen zijn aan te nemen dat het Nederlands in ieder geval voor deze klinkers een echt lengtecontrast heeft.

Ook fonologisch lijken deze klinkers, anders dan de A-klinkers, echt lang te zijn. Zo gelden ze in het klemtoonsysteem als zwaar. Het is nog iets sterker want de lange klinkers lijken alleen voor te komen op plaatsen waar ze primaire woordklemtoon kunnen dragen. Dit kan bijvoorbeeld geobserveerd worden in paren als controle-controleur en expert-expertise. Na toevoeging van het suffix verandert de lange klinker in de naastbij liggende A-klinker (Trommelen en Zonneveld 1991).#8 In een gespannenheidstheorie kunnen we dit fenomeen verklaren onder verwijzing naar een metrisch principe dat zegt: `lange klinkers mogen alleen voorkomen in de primaire-klemtoonpositie van een woord.' Een dergelijke generalisatie kan niet -- of veel moeilijker -- gemaakt worden onder een lengtetheorie voor de oppositie tussen A-klinkers en B-klinkers.

Het is overigens opvallend dat alle echt lange klinkers in het Standaard Nederlands ongespannen zijn. Dit wordt voorspeld door een theorie die een principe als in (8) omsluit: een lange lettergreep impliceert per definitie een vertakkend rijm. Het hoofd van dit raam zal altijd ongespannen moeten zijn. We hebben nu een enigszins verassend resultaat bereikt. Gespannen klinkers kunnen niet fonologisch lang zijn in een taal die, zoals het Nederlands, gebruik maakt van het principe in (8). Overigens zijn er een aantal Nederlandse dialecten wél een paar lange gespannen klinkers; deze klinkers zijn dan echter altijd hoog en zoals we eerder op een aantal plaatsen hebben gezien, gedragen de hoge klinkers zich in meer opzichten als ongespannen. Ik verwijs in dit verband ook graag nog een keer naar het werk van Trommelen (1987).

5 Conclusie

In dit artikel heb ik betoogd dat volgens de huidige stand van kennis de oppositie tussen zogenaamde A- en B-klinkers in het Nederlands het best beschreven kan worden als een gespannenheidsoppositie en niet in termen voor lengte. De argumenten voor lengte zijn weerlegd of hebben een heranalyse gekregen terwijl enkele zwaarwegende argumenten voor gespannenheid zijn blijven staan. Tot slot heb ik me afgevraagd of klinkerlengte elders in de Nederlandse grammatica kan worden aangetroffen.

Bibliografie

Archangeli, D. en D. Pulleyblank (1994) Grounded Phonology, MIT Press, Cambridge, Mass.
Berg, B. van den (1958) Foniek van het Nederlands, Van Goor Zonen, Den Haag.
Booij, G. (1995) The Phonology of Dutch. Oxford University Press, Oxford.
Calabrese, A. (1988) Towards a Theory of Phonological Alphabets, Proefschrift Massachussetts Institute of Technology.
Carrier, J. (1979) The Interaction of Morphological and Phonological Rules in Tagalog: A Study in the Relationship between Rule Components in Grammar. PhD Dissertation, MIT.
Cohen, A., C.L. Ebeling, K. Fokkema, A.G.F. van Holk (1958) Fonologie van het Nederlands en het Fries; Inleiding tot de Moderne Klankleer, Nijhoff, Den Haag.
Dumas, D. (1976) `Québec French High Vowel Harmony'. Chicago Linguistic Society 12:161-168.
Ginneken, J. van (1934) `De Phonologie van het Algemeen Nederlands', Onze taaltuin 11, 321-340.
Groot, A.W. de (1931) `De Wetten der Phonologie en hun Betekenis voor de Studie van het Nederlands', Nieuwe Taalgids 25, 225-239.
Haeringen, C. van (1962), 'De plaats van ie, oe en uu in het Nederlandse klinkerstelsel', Gramarie. Assen, van Gorkum, 280287.
Heeroma, K. (1959), 'De plaats van ie, oe en uu in het Nederandse klinkersysteem', Nieuwe Taalgids 52, 297304.
Hermans, B.J.H. (1994) The Composite Nature of Accent: With Case studies of the Limburgian and Serbo-Croatian Pitch Accent, Proefschrift, Vrije Universiteit Amsterdam.
Hooper, J. (1976) An Introduction to Natural Generative Phonology, New York, Academic Press.
Hulst, H. van der (1984) Syllable Structure and Stress in Dutch, Foris, Dordrecht.
Hulst, H. van der (1985) `Ambisyllabicity in Dutch', in H. Bennis en F. Beukema, red., Linguistics in the Netherlands 1985, Foris, Dordrecht.
Hulst, H. van der (1994) `Radical CV Phonology', ms., Leiden.
Kager, R. (1989) A Metrical Theory of Stress and Destressing in English and Dutch, Foris, Dordrecht.
Lahiri, A. en J. Koreman (1989) `Syllable Weight and Quantity in Dutch' Proceedings of the West Coast Conference in Formal Linguistics 7, 217-228.
Lass, R. (1976) English Phonology and Phonological Theory, Cambridge University Press, Cambridge (GB).
Moulton, W. (1962) `The Vowels of Dutch: Phonetic and Distributional Classes', Lingua 11, 294-312.
Oostendorp, M. van (in voorber.) Vowel Quality and Syllable Projection. Proefschrift, Katholieke Universiteit Brabant.
Overdiep, G. (1938) Moderne Nederlandsche Grammatica, Tjeenk-Willink, Zwolle.
Redenberger, W. (1975) `Lusitian Portuguese [A] is [+ATR] and [+CP]', in M.P. Hawigara, ed., Studies in Romance linguistics; Proceedings of the fifth symposium on Romance languages. Newbury House, Rowley, Mass.
Rijen, H. van (1993) Mèn Tilbörgs Wôordeboek, Gianotten, Tilburg.
Schlindwein, D. (1988) The phonological geometry of morpheme concatenation. Proefschrift University of Southern California.
Smith, N., R. Bolognesi, F. van der Leeuw en H. de Wit (1989) `Apropos of the Dutch vowel system 21 years on', in H. Bennis en A. van Kemenade, red., Linguistics in the Netherlands 1989, Foris, Dordrecht.
Trommelen, M. (1983) The Syllable in Dutch; With Special Reference to Diminutive Formation, Foris, Dordrecht.
Trommelen, M. (1987) `On ie, uu and oe: Dutch Vowel Length Reexamined', in Ger de Haan en W. Zonneveld, red., Formal Parameters of Generative Grammar III, OTS, Utrecht.
Trommelen, M. en W. Zonneveld (1989) `Stress, Diphthongs, r in Dutch', in H. Bennis en A. van Kemenade, red. Linguistics in the Netherlands 1989. Dordrecht, Foris.
Trommelen, M. en Zonneveld, W. (1991) Klemtoon en Metrische Fonologie, Coutinho, Muiderberg.
Trubetzkoy, N. (1938) Grundzüge der Phonologie, Travaux du Cercle Linguistique de Prague 7, Praag.
Weijnen, A. (1991) Vergelijkende klankleer der Nederlandse dialecten, SDU, Den Haag. Aan het woord 5.
Wijk, N. van (1939) Phonologie: Een Hoofdstuk uit de Structurele Taalwetenschap, Nijhoff, Den Haag.
Zonneveld, W. (1978) A Formal Theory of Exceptions in Generative Grammar, Coutinho, Muiderberg.
Zonneveld, W. (1993) `Schwa, superheavies, stress and syllables in Dutch', The Linguistic Review 10, 61-110.

Voetnoten

0
In dit artikel wordt gerapporteerd over een gedeelte van de resultaten die behaald zijn in het kader van mijn dissertatieonderzoek. Voor commentaar ben ik dank verschuldigd aan Geert Booij, Ben Hermans, Harry van der Hulst en Henk van Riemsdijk en een recensent van Spektator. De verantwoordelijkheid voor alle fouten berust geheel bij de auteur.

1
In dit artikel wordt de sjwa buiten beschouwing wordt gelaten. In paragraaf 4 zal ik wel kort de Nederlandse diftongen en `echt lange' klinkers (zoals de e in serre en de o in controle) bespreken.

2
In Smith et al. (1989) en in Hermans (1994) wordt aangenomen dat gespannenheid weliswaar onderliggend is maar dat klinkerlengte al in de fonologie van die eigenschap wordt afgeleid. Die lengte speelt vervolgens een vergelijkbare rol als in `pure' lengte-theorieën zoals Zonneveld (1978), Trommelen (1983), Van der Hulst (1984), Kager (1989), en anderen. Een positie die in sommige opzichten vergelijkbaar is met die van dit artikel wordt verdedigd in Van der Hulst (1994).

3
Een dissident geluid wordt geleverd in Lahiri en Koreman (1989), waarin wordt aangenomen dat lange klinkers juist twee wortelknopen beslaan en slechts één plaats op de skeletlijn.

4
Eén informant liet zelfs de semidiftong ooi intakt.

5
Er is een klasse van woorden zoals aalmoes die, in ieder geval onder de lengtetheorie, een uitzondering op deze regel lijken. Op basis van onder andere het klemtoongedrag van deze woorden kan men echter concluderen dat deze vormen prosodische composita zijn (Zonneveld en Trommelen 1989, Van der Hulst 1994) die op een bepaald niveau van representatie uit twee woorden bestaan: aal en moes.

6
Dit moet onder elke theorie worden gezien als een ander soort extrasyllabiciteit dan die van coronale obstruenten die hierboven is aangestipt.

7
De feiten zijn feitelijk iets ingewikkelder omdat er alleen gespannenheidsharmonie plaats vindt tussen klinkers die overeenstemmen in de hoogtekenmerken ([hoog] en [laag]). Bovendien gedragen de lage klinkers zich als neutraal voor harmonie.

8
Er is één suffix dat een probleem oplevert in dit opzicht, namelijk -isch. We vinden namelijk ook een afwisseling tussen lange klinker en A-klinker in vormen zoals hygiëne-hygiënisch, ook al verschuift de klemtoon in dit paar niet. Ik wordt gedwongen dit te beschouwen als één van de idiosyncratische eigenschappen van het suffix -isch..