Enkele eigenschappen van de Nederlandse sjwa

Marc van Oostendorp

Verschenen in Nederlandse Taalkunde, 1997

1. Klinkers en lettergrepen 

Er zijn meerdere redenen om aan klinkers een bijzondere status toe te kennen binnen de lettergreep.(1) 

Zo bevat elke lettergreep in een taal als het Standaard-Nederlands in ieder geval een klinker, terwijl medeklinkerloze lettergrepen allesbehalve een uitzondering zijn; te denken valt onder meer aan de eerste lettergrepen van uniek, oma, egaal, apart. Er zijn talen en dialecten waarin de eis op klinkers ook niet absoluut is -- zoals sommige Oostnederlandse streektalen (Nijen Twilhaar 1990) en, in extremer mate, het Berber (Dell en Elmedlaoui 1985) -- maar in dergelijke gevallen kan worden aangetoond dat de eis dat elke lettergreep een klinker dient te hebben in bepaalde gevallen zijn werk doet, zij het als preferentie en niet als absolute eis (Prince en Smolensky 1993). Er zijn in ieder geval geen talen waarin de omgekeerde eis geldt: in de fonologische kartotheek is nog geen beschrijving van een taal aangetroffen waarin elke lettergreep in ieder geval een medeklinker moet bevatten, terwijl klinkers optioneel zijn. 

Een andere reden om aan klinkers een bijzondere status toe te kennen kan worden ontnomen aan de fonetiek. Fonetisch kan een lettergreep worden omschreven als een klankeenheid die bestaat uit een stijgende, gevolgd door een dalende sonoriteitscurve. Een woord kan in deze zienswijze worden verdeeld in meerdere sonoriteitstoppen; elke top correspondeert met een lettergreep; en elke top wordt in het Nederlands gevormd door een klinker. Bovendien kan worden aangetoond dat de articulatorische 'gesture' van een klinker zich uitstrekt over een hele lettergreep. De gestures van medeklinkers hebben daarentegen een veel beperkter bereik (Browman en Goldstein 1992). 

Er zijn nog enkele criteria om klinkers van medeklinkers te onderscheiden binnen een lettergreep, maar hierop zal ik nu niet ingaan. Het is nuttig om over een term te kunnen beschikken waarmee we de bijzondere status van klinkers kunnen beschrijven. Een voor de hand liggende term, zeker in het kader van de generatieve grammatica dat ik gehanteerd heb in mijn dissertatie, is hoofd (zie bijvoorbeeld Dresher en Van der Hulst 1995): We kunnen zeggen dat een klinker een (prototypisch) hoofd is van een lettergroep, zoals een categoriebepalend suffix dat is van een woord en zoals een zelfstandig naamwoord het is van een zelfstandig-naamwoordsgroep. 

De hoofdigheidsgedachte is allesbehalve nieuw, maar wordt in de literatuur verrassend zelden aangewend tot verklaring van fonologische verschijnselen. Dit is de stand van zaken die ik met mijn proefschrift heb willen veranderen. Ik ben daarbij uitgegaan van n karakteristiek van hoofden die met name bekend is uit de syntactische en morfologische literatuur: dat de eigenschappen van hoofden de aard en hoeveelheid der overigens in de groep voorkomende elementen kan bepalen. Een categoriebepalend kenmerk op een suffix bepaalt bijvoorbeeld aan welk soort stam dat suffix zich vermag te hechten en aan- of afwezigheid van een transitiviteitskenmerk op een werkwoord bepaalt (in ieder geval ten dele) aan- of afwezigheid van een direct object in de werkwoordsgroep. Op dezelfde manier zouden kenmerken van de klinker de structuur van de omringende lettergreep kunnen bepalen. Ik stel voor om de relatie tussen kenmerken van een hoofd en de structuur van de prosodie te formaliseren met behulp van twee conditieschema's, hieronder weergegeven als (1a) en (1b); 

(1) a. Project (K,P) Als een klinker V de kenmerkwaarde K heeft, vertakt de prosodische knoop P waarvan V het hoofd is 

b. Project(P,K) Als de prosodische knoop P vertakt, heeft het hoofd van P de kenmerkwaarde K 

In de meeste gevallen kunnen de twee condities worden samengeklapt tot n bidirectionele conditie: 

(1) c. Connect (K,P) 

Een klinker V de kenmerkwaarde K heeft, dan en slechts dan als de prosodische knoop P waarvan V het hoofd is vertakt. 

K is hierbij een variabele die kan staan voor kenmerkwaarden als [+laag] en [+gedekt], terwijl P kan vari'ren over de prosodische knopen nucleus, rijm, lettergreep en voet. Hoe meer kenmerken van de vereiste soort een segment heeft, des te geschikter is het om op de hoofdpositie in een constituent te staan, en omgkeerd: hoe prominenter een positie, des te strikter zijn de eisen die aan het hoofd gesteld worden. Ik dien hier overigens bij aan te tekenen dat ik de condities in (1) interpreteer als condities in de optimaliteitstheorie (Prince en Smolensky 1993, McCarthy en Prince 1993 en veel volgend werk). Dat wil zeggen dat de condities geacht worden te werken op de fonologische oppervlaktestructuur en dat ze geacht worden in bepaalde, welomschreven, gevallen geschonden te kunnen worden. 

In mijn proefschrift probeer ik deze gedachten aan de hand van enkele concrete voorbeelden te illustreren. De twee belangrijkste zijn waarschijnlijk het verschil tussen gespannen en ongespannen klinkers in het Nederlands (Van Oostendorp 1995a) en de sjwa. Op de laatste fascinerende klinker wil ik hieronder kort ingaan. 

2. R-sjwa 

De sjwa is in het in de vorige paragraaf geschetste kader van bijzonder belang omdat deze klinker zowel fonetisch als fonologisch nagenoeg inhoudsloos is (Koopmans-Van Beinum 1993/1994). Ik representeer dit door (in een theorie die uitgaat van onderspecificatie) de sjwa te representeren als in (2). 

(2) [-consonantisch] 

De sjwa heeft het kenmerk [-consonantisch] omdat het immers een klinker is. Hij bezit echter geen plaats- of hoogtekenmerken en is daarmee letterlijk de minimale klinker. Een theorie die uitgaat van de condities in (1) voorspelt dan dat de prosodische structuur die op deze klinker gebouwd wordt zeer beperkt zal zijn. 

Nu is het zinnig om onderscheid te maken tussen drie vormen van sjwa in het Nederlands. De eerste sjwa varieert met volle klinkers, afhankelijk van het stijlregister waarin gesproken wordt. Dit is het soort klinker dat we vinden in de informele uitingen [fon@legie], [m@ziek], [t@jater] enzovoort. Deze sjwa noem ik r-sjwa; de r staat hierbij voor (klinker-)reductie, de meest waarschijnlijke verklaring voor het opduiken ervan. De tweede sjwa duikt eveneens op in de meer informele registers. Deze sjwa wordt in formelere stijlniveaus echter niet zozeer vervangen door een volle klinker alswel weggelaten. Voorbeelden hier zijn vormen als [ker@k] en [fIl@m]. Deze sjwa noem ik e-sjwa, waarbij de e gezien kan worden als epenthese. De derde soort sjwa, u-sjwa, tenslotte, is een restcategorie. Alle voorkomens van sjwa die stabiel zijn over de verschillende registers reken ik hiertoe. Voorbeelden hier zijn de sjwa's in mode, terrein, De u staat hier voor underlying 'onderliggend' omdat het erop lijkt dat deze klinker reeds in de onderliggende vorm aanwezig is (zie echter Zonneveld 1993 voor een andere mening). 

Wanneer we ervan uitgaan dat fonologische condities gedefinieerd zijn op oppervlaktestructuren, zoals gebruikelijk is in de optimaliteitstheorie, voorspellen we in feite dat alle drie de soorten van sjwa zich op dezelfde manier gedragen. Een sjwa aan de oppervlakte is nu eenmaal een sjwa aan de oppervlakte, wat de onderliggende bron ervan ook mag zijn. 

Laten we onze aandacht eerst richten op r-sjwa, een van de twee soorten van sjwa die niet voorkomen in de onderliggende vorm en die dus zijn afgeleid. In het onderstaande wil ik onderzoeken in hoeverre het gedrag van deze klinker -- alsmede dat van de u-sjwa(2) 

-- overeenkomt met onze verwachtingen wanneer we aannemen dat natuurlijke taal beschikt over condities als (1). 

Op klinkerreductie bestaan in het Nederlands vele restricties. Sommige van die restricties zijn eenvoudigweg niet te vatten in een standaard model van generatieve fonologie. De introductie van (1) heeft hierin uiteraard geen verandering gebracht. Zo is het bekend dat reductie vaker voorkomt in frequente woorden dan in minder frequente (Martin 1968). Woordfrequentie is echter niet als parameter in te bedden in een generatief kader. Dergelijke factoren heb ik dan ook helaas als onbegrepen terzijde moeten schuiven in mijn proefschrift. 

Andere factoren zijn echter zeer gemakkelijk te begrijpen. Zo wordt reductie zoals bekend alleen toegepast op onbeklemtoonde lettergrepen. Lettergrepen die primaire of zelfs secundaire klemtoon bevatten worden in het Nederlands nimmer gereduceerd. Dit feit nu valt vrij gemakkelijk te begrijpen uit de interactie tussen de instantie (3) van het conditieschema in (1c) en de conditie op respect in (4): 

(3) . Connect(K,Voet)  Een klinker V de kenmerkwaarde K heeft, dan en slechts dan als de voet waarvan V het hoofd is vertakt. 

(4) Respecteer-Kenmerken Alle onderliggende klinkerkenmerken dienen aan de oppervlakte te komen. 

De K in (3) kan staan voor elk kenmerk van klinkerplaats of klinkerhoogte. 

Indien we nu aannemen dat (3)>>(4)(3), dan voorspellen we een contrast in reduceerbaarheid tussen beklemtoonde en onbeklemtoonde klinkers. In het onderstaande tableau ga ik ervan uit dat vormen met incorrecte klemtoon al zijn uitgefilterd door andere condities: 

(5) 

/fonolox/ Connect(K,Voet) Respecteer-Kenmerken 
a. fònolóx
*!
 
b. fòn@lóx  
*
c. f`@nol´@x  
**!
d. f`@n@l´@x  
**!*

De kandidaten (5a) en (5c) schenden allebei de conditie Project: de onbeklemtoonde o heeft immers op zijn minst een plaatskenmerk (rond) die niet projecteert tot de hoofdpositie van een voet. Een dergelijke positie correspondeert immers volgens standaardaannamen met klemtoon. De enige serieuze overgebleven kandidaten zijn nu (5b) en (5d). Deze worden nu ge'valueerd in het licht van de conditie Respect. Deze conditie geeft dan de voorkeur aan (5b) omdat in deze vorm meer klinkers aan de oppervlakte trouw zijn gebleven aan hun onderliggende vorm. 

Uiteraard geldt deze tableau alleen voor het informele register.(4) 

In formele spraak is de ordening van condities waarschijnlijk omgekeerd: 

(6) 

/fonolox/ Respecteer-Kenmerken Connect(K,Voet) 
a. fònolóx  
*
b. fòn@lóx
*!
 
c. f`@nol´@x
*!*
 
d. f`@n@l´@x
*!**
 

In dit register wordt de keuze uniek bepaald door de conditie Respect. Deze bepaalt dat de beste kandidaat de meest respectvolle is. Dit is (6a) waarin alle klinkers hun onderliggende vorm behouden. 

Een andere restrictie op klinkerreductie in het Nederlands valt eveneens gemakkelijk te begrijpen. Booij (1981) observeerde dat klinkers in gesloten lettergrepen nauwelijks gereduceerd kunnen worden. Reductie lijkt alleen mogelijk voor klinkers in open lettergrepen. Alleen als de sluitende medeklinker verdwijnt, kan de klinker gereduceerd worden:(5) 

(7) benzine *[b@nzin@] [[b@zin@], [bEnzin@] 
portier *[p@rtir], [p@tir], [pOrtir] 

We kunnen deze feiten verklaren met behulp van de volgende instantie van (1): 

(8) Connect(Rijm,K) 

Een rijm R vertakt dan en slechts dan als het hoofd van R de kenmerkwaarde K heeft. 

Net als in het voorafgaande geval kunnen we voor de K in dit geval elk willekeurig klinkerplaats of klinkerhoogtekenmerk lezen. De sjwa heeft geen van allen. In mijn proefschrift laat ik zien dat een gesloten lettergreep altijd een vertakkend rijm heeft, terwijl het rijm van een open lettergreep niet vertakt. Ik laat daar overigens ook zien dat we in dit geval een zeer concrete aanwijzing hebben over wat K is, namelijk het kenmerk [gedekt], dat ik gelijkstel aan [Retracted Tongue Root]. 

(8) zegt nu dus dat een vertakkend rijm een hoofd moet hebben met een klinkerplaats- of klinkerhoogtekenmerk. De sjwa ontbeert beide. Indien de conditie in (8) in het Nederlands nu hoog genoeg geplaatst is, verklaren we waarom een onderliggende klinker in een gesloten lettergreep niet gereduceerd mag worden tot sjwa. 

3. U-sjwa 

We richten nu onze aandacht op de u-sjwa, de stomme e in woorden als mode en genot die niet varieert met enige andere klinker. Zoals eerder is opgemerkt verwachten we dat deze klinker een soortgelijke distributie heeft als de sjwa die het gevolg is van reductie. 

Nu zijn er inderdaad opvallende parallellen. Zo komt ook de onderliggende sjwa, net als de r-sjwa in het Nederlands niet voor in beklemtoonde positie. Dit kan in beide gevallen worden verklaard onder verwijzing naar dezelfde conditie, namelijk (3), die ik hieronder herhaal: 

(3) . Connect(K,Voet) Een klinker V de kenmerkwaarde K heeft, dan en slechts dan als de voet waarvan V het hoofd is vertakt. 

Een van de vele voorbeelden van het klemtoonontwijkend gedrag van de u-sjwa is het volgende. Er zijn in het Nederlands woorden met een uitzonderlijke klemtoon op de laatste lettergreep zoals fobie, chocola, enzovoort. Ik neem aan dat deze exceptionele klemtoon verantwoord kan worden onder aanname van een lexicale voet die op de laatste lettergreep geplaatst wordt. Een conditie van respect dwingt vervolgens af dat deze onderliggende klemtoon blijft staan (zie Van OOstendorp 1997 voor een uitwerking van dit idee). 

(9) Respecteer-Kenmerken Alle onderliggende klinkerkenmerken dienen aan de oppervlakte te komen. 

Het geval wil nu echter dat het Nederlands geen enkel woord heeft waar de hoofdklemtoon of een bijklemtoon op de sjwa ligt. Zelfs exceptionele klemtoon op een dergelijke klinker is niet toegestaan. Er moet dus een conditie zijn die geordend is boven alle andere condities op klemtoon. Mijn voorstel is dat dit wederom conditie (3) is.(6) 

Zelfs als we een vorm /mod«@/ zouden hebben met onderliggende klemtoon op de sjwa, dan zou deze nog niet aan de oppervlakte komen: 

(10) 

/mod´@/ Connect Respect
mód@   
*
mod´@ 
*!
 

 

Ook de restrictie tot open lettergrepen geldt voor u-sjwa net zo goed als voor de r-sjwa. Deze bewering behoeft enige uitwerking. In de literatuur wordt immers meestal aangenomen dat sjwa in principe gevolgd kan worden door elke combinatie van medeklinkers die ook andere klinkers kan volgen. Kager en Zonneveld (1986) geven bijvoorbeeld de volgende lijst:(7) 

(11) 

-@n
wapen
baken
zegen
oefen
-@m
bezem
bodem
bliksem
goochem
-@s
gratis
vonnis
kermis
dreumes 
 -@k
havik
monnik
perzik
hinnik
 -uw
schaduw
zwaluw
zenuw
peluw
-@CC
wereld
arend 
mosterd
mieters
-@t 
lemmet
pocket
racket 
ticket 
-@f/-@p 
tinnef
sherrif
hennep 
-@l 
dubbel
koppel
wikkel
tokkel 

Bij nadere beschouwing blijkt echter dat we een groot aantal van deze categorie'n terzijde kunnen schuiven. Allereerst zijn alle consonantclusters van een zeer bijzonder soort: ze eindigen altijd op een cluster van een sonorant en coronale obstruent. Woorden als *ademp, *dubbelk, *aderf of zelfs *monnikt (als ongelede vorm) worden niet aangetroffen. 

In de restrictie dat de tweede consonant alleen een coronaal mag zijn, lijkt de sjwa op de gespannen klinkers van het Nederlands. Ook deze komen immers wel voor in woorden als paars, zwoerd, steels en beeld, maar hypothetische tegenhangers als *paarf, *zwoerk, *steelp of *roemp zijn in deze taal niet welgevormd. Ik stel in mijn proefschrift voor dat rijmclusters met een niet-coronaal aan het eind een bijzondere structuur hebben die alleen is toegestaan wanneer het hoofd van de lettergreep het kenmerk [gedekt] draagt. Ook de conditie die hiervoor verantwoordelijk is kan weer worden gezien als een invulling van (1c). Het punt is nu dat zowel gespannen klinkers als de sjwa geen kenmerk [gedekt] hebben en dus de benodigde structuur niet kunnen dragen. 

Voor woordfinale coronale consonanten is daarentegen geen speciale structuur nodig; deze kunnen zelfs buiten de eigenlijke lettergreep staan en komen zelfs voor in vormen als herfst en angst. Omdat deze consonanten per hypothese niet in een lettergreep hoeven te staan, vereisen ze ook geen kenmerken. Ze kunnen daarom zelfs na een sjwa staan. 

Ook de groep vormen die eindigen op -ep en -ef wil ik hier terzijde schuiven; ten eerste betreft het een zeer kleine groep met voornamelijk leenwoorden en ten tweede is er reden om aan te nemen dat deze klinkers niet werkelijk onderliggend zijn, maar zijn afgeleid via epenthese of mogelijk zelfs een vorm van reductie. 

Dat laatste wil ik in ieder geval beweren voor de groep woorden op -ek en -ech.(8) 

In mijn proefschrift betoog ik dat deze vormen fonologisch geen sjwa hebben maar een /I/, die in sommige dialecten fonetisch wordt gereduceerd in de richting van een sjwa onder invloed van de naastliggende velaire obstruent. Ik geef meerdere argumenten voor deze stelling in mijn proefschrift. Zo lijken adjectieven waarvan de laatste lettergreep een sjwa bevat geen inflectie te ondergaan (*het houtene deurtje, *het opene poortje) terwijl adjectieven op -ig dat nu juist wel doen (het aardige meisje). Ook de keuze van de allomorfen -er en -aar van het agentieve suffix is gevoelig voor de kwaliteit van de klinker in de laatste lettergreep. Is deze een sjwa, dan wordt de voorkeur gegeven aan -aar boven -er, getuige vormen als beoefenaar, wandelaar, luisteraar enzovoort versus spreker, bezetter, enzovoort. Werkwoorden die eindigen op -ik kiezen echter juist alle de vorm -er: prediker, punniker, zaniker, frunniker

Op dit moment heb ik de vormen die eindigen in een coronale, labiale of velaire obstruent terzijde geschoven en een andere analyse gegeven. Er blijft nu echter een zeer grote klasse woorden over die eindigen op de combinatie van sjwa met een sonorant, eventueel gevolgd door een extrasyllabische coronaal. De vraag is nu hoe we deze vormen (ader, adem, adel en dergelijke, alsmede wereld, mosterd enzovoort) analyseren. Ik stel voor dat we ook in deze gevallen niet te maken hebben met een onderliggende sjwa. In de lexicale fonologie hebben deze woorden een syllabische sonorant. De fonologische vorm van deze woorden is dus [adr], [adm], [adl], enzovoort. Pas in de postlexicale fonologie wordt een sjwa genserteerd. We hoeven niet ver af te wijken van standaardaannamen om te kunnen geloven dat het Standaard-Nederlands syllabische sonorante consonanten heeft. Per slot van rekening hebben verwante talen als het Duits en het Nedersaksisch ook van dergelijke consonanten en kunnen we zelfs op sommige plaatsen in de standaardtaal aanwijzingen vinden voor deze aanname. Te denken valt dan aan paren als filter-filtreer, theater-theatraal, etc. (Booij 1995). 

De aanname dat deze vormen lexicaal een syllabische sonorant hebben, kan ook een gat in ons paradigma verklaren dat anders een raadsel zou blijven: de sjwa kan niet worden gevolgd en voorafgegaan door instanties van dezelfde consonant (behalve als die consonant n is): 

(12) 

-r@l
kerel
korrel
-r@N
toren
koren
-r@m
harem
-r@r-- 
-m@l
stamel
rammel
-m@n
samen
-m@m
--
-m@r
emmer
-n@l
panel
-n@n
binnen
-n@m
ponem
-n@r
toner
-l@l
--
-l@n
molen
-l@m
golem
-l@r
trailer
propeller

 Het is op dit moment niet van belang waarom de n een uitzondering vormt op de hier gegeven regelmaat. Het is wel van belang in te zien dat het verbod op gelijke consonanten voor en na sjwa ook geldt in afgeleide vormen. Het ongemarkeerde comparatiefsuffix van het Nederlands is bijvoorbeeld -er (kwaad-er, mooi-er, etc.). Wanneer een stam op /r/ eindigt, wordt echter gekozen voor -der (zwaar-der). Helaas zijn er geen Nederlandse achtervoegsels -el of -em, zodat we het gedrag van de sjwa in die conteksten niet kunnen observeren.(9) 

Deze merkwaardige conditie op het voorkomen van sjwa kan uitstekend begrepen worden als we aannemen dat in deze gevallen sprake is van een syllabische consonant. In dat geval is er immers in het lexicon sprake van een configuratie CiCi, waarbij de eerste consonan in de aanzet van de lettergreep staat en de tweede de nucleus vormt. Het Nederlands kent echter een zeer sterke conditie op combinaties van aanzet en nucleus: deze mogen niet te veel op elkaar lijken. Deze conditie (ontleend aan Noske 1992) heb ik Contour gedoopt: 

(13) Contour *XX, waarbij X in de aanzet staat en X in de nucleus en X en X dezelfde segmentele inhoud hebben. 

De conditie in (13) heeft een groot empirisch bereik. Ze kan bijvoorbeeld verklaren waarom het Nederlandse lexicon geen woorden heeft met een lettergreep [ji] (terwijl er wel enkele woorden zijn met [jI], zoals jiddisch en jicht). De standaard-aanname is immers dat j en i dezelfde segmentele inhoud hebben en alleen verschillen in syllabische positie. Volgens (13) is de gewraakte lettergreep dan uitgesloten. 

Ook het ontbreken van lettergrepen van de vorm *[h@] in het Nederlands kan worden verklaard aan de hand van (13), als we aannemen dat de /h/ net als /@/ een vrijwel kenmerkloos segment is. Het verbod op deze combinatie is in het Nederlands absoluut, zodat de e in helaas bijvoorbeeld niet gereduceerd kan worden. 

We kunnen nu ook het verbod op *-l@l, *-m@m en *-r@r uit deze conditie laten volgen, maar alleen als we aannemen dat de sjwa niet in de relevante fonologische representatie aanwezig is. 

De enige woorden waar we nu nog een onderliggende sjwa aannemen, zijn mode, vrede, adelaar en hun gelijken. In al deze vormen staat de sjwa in een open lettergreep. Dit is nu juist hetgeen ik moest aantonen. De u-sjwa mist immers net als de r-sjwa de nodige klinkerkenmerken. Volgens (8), hieronder herhaald, kan hij daarom geen gesloten lettergreep ondersteunen. 

(8) Connect(Rijm,K) 

Een rijm R vertakt dan en slechts dan als het hoofd van R de kenmerkwaarde K heeft. 

4. Conclusie 

In dit korte artikel heb ik slechts enkele van de vele eigenschappen van de Nederlandse sjwa kunnen behandelen. De twee belangrijkste zijn: sjwa staat exclusief in onbeklemtoonde posities, en sjwa staat bij voorkeur niet in een gesloten lettergreep. Deze eigenschappen worden gedeeld door r-sjwa en u-sjwa. Het dient opgemerkt dat dit soort fenomenen pleit voor een aanpak van de fonologie die gebruik maakt van condities op oppervlaktestructuur zoals (3) en (8) en niet op transformatie- en herschrijfregels. die hetzelfde effect zouden hebben. We zouden bijvoorbeeld onze klemtoonregels zo moeten formuleren dat ze onderliggende sjwa altijd zouden overslaan. Deze regels zouden dan geordend moeten worden voor een set reductieregels die onbeklemtoonde klinkers zouden reduceren. Op deze manier zouden we de generalisatie dat er een belangrijke relatie is tussen klemtoon en klinkerkwaliteit missen. 

Bibliografie 

Booij. G., 1981, Generatieve Fonologie van het Nederlands, Spectrum, Utrecht & Antwerpen. 

Booij, G., 1995, The Phonology of Dutch, Oxford University Press, Oxford. 

Booij, G., 1996, 'Cliticization as Prosodic Integration: The Case of Dutch,' The Linguistic Review 13:219-242. 

Browman, C. en L. Goldstein, red., '"Targetless Schwa": an Articulatory Analysis,' in G. Docherty en R Ladd, red., Papers in Laboratory Phonology II: Gesture, Segment, Prosody, Cambridge University Press, Camabridge, UK, pp. 22-56. 

Dell, F. en M. Elmedlaoui, 1985, 'Syllabic Consonants and Syllabification in Imdlawn Tashliyt Berber', JALL 7:105-130. 

Dresher, E. en H. van der Hulst, 1995, 'Head-Dependent Asymmetries in Phonology,' in H. van der Hulst en J. van de Weijer, red., Leiden in Last; HIL Phonology Papers I, Holland Academic Graphics, Den Haag. pp. 401-431. 

Kager, R. (1989) A Metrical Theory of Stress and Destressing in English and Dutch, Foris, Dordrecht. 

Kager, R. en W. Zonneveld, 1986, 'Schwa, Syllables and Extrametricality in Dutch,' The Linguistic Review 5:197-221. 

Koopmans-Van Beinum, F., 1993/1994, 'What's in a Schwa?' IFA Proceedingss 1992, 16:53-62. Ook verschenen in Phonetics 5. 

Martin, A., 1968, 'Klinkerreductie: Een Casus,', Manuscript Universiteit Utrecht. 

McCarthy, J. en A. Prince, 1993, Prosodic Morphology I, Manuscript University of Massachusetts at Amherst en Rutgers. 

Nijen Twilhaar, J., 1990, Generatieve Fonologie en de Studie van Oostnederlandse Dialecten, P.J. Meertensinstituut, Amsterdam. 

Noske, R., 1992, A Theory of Syllabification and Segmental Alternation; With Studies on the Phonology of French, German, Tonkawa and Yawelmani, Proefschrift Katholieke Universiteit Brabant, Tilburg. 

Oostendorp, M. van, 1995a, 'Klinkerkwaliteit en Rijmstructuur in het Nederlands,' Spektator 

Oostendorp, M. van, 1995b. Vowel Quality and Phonological Projection, Proefschrift Katholieke Universiteit Brabant, Tilburg. 

Oostendorp, M. van, 1997, 'Lexicale Variatie in Optimaliteitstheorie,' ingezonden voor publikatie in Nederlandse Taalkunde

Prince, A. en P. Smolensky, Optimality Theory, manuscript Rutgers en Colorado. 

Trommelen, M., 1983, The Syllable in Dutch, Foris, Dordrecht. 

Noten

1. 

 Dit artikel is op uitnodiging van de redactie van Nederlandse Taalkunde geschreven nadat mij de dissertatieprijs van de AVT en de Anéla was toegekend. Ik voel me zeer vereerd door deze toekenning en de erop volgende uitnodiging. De bedoeling van dit artikel is een deel van mijn proefschrift (Van Oostendorp 1995b) samen te vatten. Deze publicatie geeft me de gelegenheid nogmaals in geschrifte mijn dank uit te spreken voor mijn promotor en compromotoren Ben Hermans, Harry van der Hulst en Henk van Riemsdijk, alsmede voor de overige leden van mijn promotiecommissie Geert Booij, Roeland van Hout, René Kager en Craig Thiersch. Uiteraard is geen van hen verantwoordelijk voor enige fout of slordigheid in dit artikel. 

2. 

Ik heb ervoor gekozen de e-sjwa in dit korte artikel buiten beschouwing te laten omdat het in gedrag enigszins afwijkt van de andere twee. Bespreking ervan zou daarom meer ruimte vereisen dan mij hier gegeven is. Ik verwijs de lezer graag naar mijn proefschrift voor een uitgebreide bespreking. 

3. 

Ik verwijs de genteresseerde lezer naar Prince en Smolensky 1993 voor een uitleg van de hier gebruikte notatie van optimaliteitstheoretische concepten. 

4. 

Het is een bekend feit dat er een verschil is tussen de twee onbeklemtoonde klinkers in een woord als fonologie. Er zijn registers waarin men [fon@logi] zegt, en andere waarin men [fonologi] zegt. De uitspraak [fonol@gi] wordt echter niet aangetroffen. De verklaring voor dit verschil wordt gegeven in Van Oostendorp (1995b); uitwerking ervan voert hier te ver. 

5. 

Hierbij moet worden aangetekend dat de hier gegeven feiten worden aangevochten door Kager (1989) voor wie [b@nzin@], [p@rtir], etc. even welgevormd zijn als de tegenhangers zonder consonant. In een optimaliteitskader is dit wat we verwachten. Door een minimale herschikking van de conditie die reductie begunstigst kunnen we de grammatica van Kagert relateren aan die van Booij. Overigens komen mijn eigen oordelen op dit punt overeen met die van Booij. 

6. 

Men kan zich afvragen waarom er in dit geval geen stijlafhankelijke herschikking van condities mogelijk is, zoals in het geval van de r-sjwa. Een dergelijke herschikking zou tot gevolg hebben dat in meer formele stijlen op sommige woorden een onderliggende klemtoon op de sjwa zou opduiken. Het antwoord zou in dit geval kunnen verwijzen naar het verschil tussen lexicale en postlexicale fonologie, dat we ook in het kader van de optimaliteitstheorie nog kunnen maken (Booij 1996). Reductie is duidelijk een geval van postlexicale, de plaatsing van woordklemtoon van lexicale fonologie. Het is vrij onomstreden dan stijlgevoelige fonologische processen hun domein hebben in het lexicon (Kiparsky 1985). 

7. 

Om onbegrepen redenen zijn er nauwelijks woorden die uitgaan op -@t. Met betrekking tot de woorden op -uw wordt door Kager en Zonneveld (in navolging van Trommelen 1983) aangenomen dat deze zijn afgeleid van onderliggend /@w/. Ik ga hier verder niet op in. 

8. 

Van de laatste klasse geven Kager en Zonneveld (1986) geen voorbeelden in hun tabel, vermoedelijk omdat er weinig vormen zijn die oncontroversieel monomorfemisch zijn. Het dichtst in de buurt komen woorden als korzelig, overhandig, en heftig

9. 

Er is uiteraard wel een achtervoegsel -ing dat zich gemakkelijk laat combineren met stammen die eindigen op een velaire nasaal: verdringing. Ik neem echter aan dat dit achtervoegsel fonologisch geen sjwa heeft maar een /I/ die mogelijk fonetisch gereduceerd wordt in de richting van sjwa, net als dat het geval was bij /I/ voor andere velaire consonanten.