Lexicale variatie in optimaliteitstheorie

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in Nederlandse Taalkunde, 1997)

Dominique Nouveau, Language acquisition, metrical theory, and optimality; A case study of Dutch word stress, proefschrift Onderzoeksinstituut voor Taal en Spraak, Utrecht. Een handelseditie is verschenen bij Led, Utrecht.

Abstract:

Nouveau (1995) discusses the theoretical implications of acquisition data of Dutch word stress. The position of primary stress in Dutch is variable and Nouveau distinguishes between 'unmarked', 'marked' and 'heavily marked' stress positions. She gives an analysis of this typology in terms of Optimality Theory, and argues that constraints are ranked differently for each of the three sets of words. This paper argues that this is not the correct way to derive these effects. It is proposed instead that there is only one constraint ranking for the whole Dutch lexicon and that marked and heavily marked forms are input to Gen with underlying prosodic material (lexical feet and catalectic syllables). It is argued that this approach is more in line with the spirit of Optimality Theory and that it accounts for both Nouveau's language acquisition data and for adult native speakers' intuitions in a more straightforward way.

1 Inleiding

Het Nederlandse klemtoonsysteem is in de afgelopen vijftien jaar het onderwerp geweest van een gestaag groeiende literatuur. Vrijwel alle auteurs die in die periode het Nederlands bestudeerden, hebben over aspecten van de metrische structuur geschreven (Booij 1981, 1995, Evers en Huybregts 1975, Fikkert 1994, Gussenhoven 1993, Hermans 1994, Van der Hulst 1984, Kager 1989, Trommelen en Zonneveld 1991, Zonneveld 1993, Van Zonneveld 1985 om slechts enkele van de vele referenties te noemen). Hiermee behoort dit terrein tot de best bestudeerde in de generatieve grammaticatheorie van het Nederlands. Het is daarmee een uitstekende proeftuin voor toepassingen van de theorie op andere aspecten van de linguïstiek -- zoals taalverwervingstheorie -- maar ook voor nieuwe stromingen binnen de generatieve grammatica -- zoals de optimaliteitstheorie van Prince en Smolensky (1993).

Het proefschrift van Dominique Nouveau -- verdedigd in Utrecht in september 1994 -- is een uitstekend voorbeeld van beide soorten toepassingen. Zoals de titel al aangeeft, is het bereik van de dissertatie nogal breed. Aan de ene kant wordt aangetoond dat de moderne theorie zoals verdedigd door de 'Utrechtse School' van onder andere Trommelen en Zonneveld (1989, 1991) en Kager (1989) ondersteund wordt door experimenteel -- door de onderzoekster uitgevoerd -- onderzoek naar de verwerving van klemtoon door Nederlandse kinderen, terwijl aan de andere kant wordt geprobeerd deze standaardtheorie op een aantal plaatsen te verbeteren met de introductie van enkele nieuwe theoretische instrumenten, zoals catalexis en optimaliteitstheorie. Het proefschrift bevat daarmee een interessante mengeling van gegevens van een geheel nieuwe soort -- de behandeling van onzinwoorden door Nederlandse kleuters -- enerzijds en theoretische beschouwingen anderzijds.

In deze bespreking ga ik met name in op enkele van de meer theoretische aspecten en implicaties van dit boek. Nouveau ontwikkelt een analyse van lexicale variatie in het kader van de zogenaamde optimaliteitstheorie, waarin gemarkeerde klemtoonpatronen beschreven worden door middel van herschikking van condities. Ik maak bezwaar tegen deze analyse en wil in dit artikel een alternatief ontwikkelen. Dit artikel is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2 geef ik een overzicht van het proefschrift. In paragraaf 3 ga ik in meer detail in op Nouveaus behandeling van lexicale variatie binnen optimaliteitstheorie. In paragraaf 4 geef ik een alternatieve analyse van de belangrijkste feiten uit Nouveaus proefschrift. De laatste paragraaf is gewijd aan een conclusie.

2 Taalvariatie en metrische theorie

Language variation, metrical theory, and optimality; A study of Dutch word stress telt vijf hoofdstukken. Na een kort inleidend hoofdstuk waarin het onderwerp wordt geïntroduceerd en geplaatst binnen de moderne taalkundige discussie, gaat Nouveau in hoofdstuk 2 over tot een nauwkeurige en heldere samenvatting van de 'Utrechtse' klemtoontheorie over Nederlandse onafgeleide woorden. De nadruk ligt hierbij op de theorie over lexicale variatie. Zoals bekend is de Nederlandse klemtoon slechts ten dele voorspelbaar. In woorden die bestaan uit drie open lettergrepen kan de klemtoon bijvoorbeeld op elk der drie lettergrepen komen te liggen (Panama, pyama, chocola). Op de een of andere manier moet in het lexicon gemarkeerd worden welk klemtoonpatroon een gegeven woord krijgt.

Nouveau laat zien dat daarvoor in de theorie drie verschillende middelen worden gebruikt: reeds in het lexicon aangebrachte voeten, een extrametricaliteitskenmerk dat woord-finale voeten kan laten overslaan en een 'anti-extrametricaliteitskenmerk' dat ervoor zorgt dat in bepaalde gevallen de laatste lettergreep van een wood klemtoon krijgt. De relatieve gemarkeerdheid van een woord wordt bepaald door het aantal uitzonderingsmarkeringen dat dit woord telt. Het woord pyama heeft geen enkele onderliggende markering en is daarmee letterlijk ongemarkeerd; het woord panama heeft een onderliggende voet en is daarmee iets gemarkeerder, terwijl chocola zowel een onderliggende voet als een anti-extrametricaliteitskenmerk heeft en daarmee de meest gemarkeerde vorm is. Omdat elk woord ten hoogste twee markeringen kan hebben, zijn er drie niveaus van gemarkeerdheid in het Nederlandse klemtoonsysteem aan te wijzen. Nouveau verwijst naar deze drie als Type A (ongemarkeerd), Type B (gemarkeerd) en Type C (zeer gemarkeerd). Daarnaast onderscheidt zij een type P (prohibited 'uitgesloten') voor niet bestaande klemtoonpatronen zoals *mákaroni, waarin klemtoon zou vallen op de vierde lettergreep geteld van achterin het woord.

In de hoofdstukken 3 en 4 toont Nouveau aan dat het soort classificatie dat deze klemtoontheorie voorspelt, wordt bevestigd door gegevens uit experimenten die zij met een groep Nederlandse kinderen met een leeftijd tussen de drie en de vier jaar heeft uitgevoerd. De kern van het belangrijkste experiment behelsde een proef waarbij de kinderen een afbeelding van een fantasie-figuur te zien kregen. Een assistent van de onderzoeker gaf de figuur hierbij een naam, die vantevoren wat segmentele inhoud betreft nauwkeurig was geselecteerd zodat hij aan de ene kant op volwassen moedertaalsprekers de indruk maakte van een mogelijk Nederlands woord, terwijl hij tegelijkertijd niet te veel leek op een werkelijk bestaand woord. Aan dit woord werd dan een klemtoonpatroon toegekend dat volgens de theorie behoorde tot een van de vier categorieën A, B, C of P. Vervolgens werd het kind enige tijd afgeleid en tenslotte werd het gevraagd de naam van de fantasie-figuur te herhalen. De hypothese was dat een klemtoonpatroon uit categorie A foutloos zou worden herhaald, terwijl de overige klemtoonpatronen door de kinderen zouden worden gecorrigeerd. Een patroon uit categorie P zou daarbij altijd worden gewijzigd, terwijl de patronen van type B en C zouden veranderen in minder gemarkeerde patronen.

In hoofdstuk 3 wordt uitgebreid ingegaan op het onderzoek van Hochberg (1988), die de verwerving van Spaanse klemtoon bestudeerde in een experiment waarop Nouveau haar eigen werk gedeeltelijk gebaseerd heeft. Hoofdstuk 4 geeft vervolgens een gedetailleerde beschrijving van opzet, uitvoering en de uitkomsten van Nouveaus eigen onderzoek. Interessant genoeg blijken de voorspellingen van de theorie voor een belangrijk gedeelte uit te komen. Woorden met een klemtoon van type A werden vrijwel altijd correct herhaald, terwijl woorden met een klemtoon van type B en C vaak, en woorden met een klemtoon van type P vrijwel altijd werden veranderd. Bovendien waren die veranderingen in bijna alle gevallen verbeteringen volgens de typologie die bepaald werd door de theorie. Er zijn enkele merkwaardige patronen in de ontwikkeling -- in sommige opzichten lijken kinderen van vier jaar het slechter te doen dan kinderen van drie -- en deze worden door Nouveau ook besproken, maar over het geheel genomen blijkt het taalverwervingsproces in dit stadium te verlopen zoals voorspeld.

Een interessant aspect aan Nouveaus werk is dat zij met haar experimenten een aantal generalisaties op het spoor is gekomen die niet door de door haar gehanteerde (of enige andere bestaande) theorie beschreven zijn of verklaard kunnen worden. Deze feiten zal ik bespreken in de volgende paragraaf. Hier wil ik kort ingaan op de manier waarop deze nieuwe feiten verkregen zijn. In de meeste literatuur wordt uitgegaan van klemtoonpatronen op het bestaande lexicon. In een theorie over de competence van een taalgebruiker is er echter geen enkele reden om ons hiertoe te beperken. Ook -- of misschien zelfs juist -- de klemtoonpatronen die moedertaalsprekers leggen op voor hen compleet nieuwe woorden kunnen ons iets zeggen over de systematiek van hun klemtoonsysteem. Dit is wat het proefschrift van Nouveau aantoont. Zoals de auteur zelf opmerkt, is het niet eens nodig om daarbij speciaal de resultaten van het onderzoek met de kinderen te bekijken. In een vooronderzoek heeft zij een groep volwassenen de in het experiment gebruikte woorden laten voorlezen. Bij nauwkeurige bestudering van de resultaten van deze proef hadden we ook al de nieuwe observaties kunnen doen. Het lijkt mij methodologisch een belangrijk resultaat dat zelfs de relatief weinig omvangrijke proefnemingen van Nouveau al zo veel nieuwe observaties hebben opgeleverd op een goed onderzocht terrein als de klemtoontheorie.

In het laatste hoofdstuk gaat Nouveau in op de theoretische implicaties van de nieuwe feiten die ze in de eerdere hoofdstukken heeft gevonden. Dit hoofdstuk is getiteld A new approach to lexical variation maar feitelijk worden er twee verschillende benaderingen van het begrip variatie gepresenteerd. In de eerste twee paragrafen van dit hoofdstuk wordt een poging gedaan de traditionele analyse goeddeels te handhaven door hem uit te breiden met een extra theoretisch instrument, dat van catalexis (Kiparsky 1991, Kager 1995). Catalexis past in zekere zin binnen het rijtje lexicale markeringen zoals extrametricaliteit en lexicale voeten. Zoals er extrametrische lettergrepen en mora's worden aangenomen die wel segmenteel bestaan, maar niet prosodisch, zo zijn er ook catalectische lettergrepen en mora's, die wel een prosodische status hebben maar niet gevuld zijn met segmentele inhoud. Bovendien kunnen aan catalectische en extrametrische elementen dezelfde positionele eisen worden gesteld: beide komen alleen in woord-finale positie voor.

De catalectische analyse van Nouveau vind ik overtuigend, maar hij wordt in de tweede helft van het hoofdstuk overboord gezet. Omdat er nog steeds een aantal problematische gevallen zijn die ook de nieuwe analyse niet kan verklaren, wendt Nouveau zich tot de optimaliteitstheorie. Nouveau motiveert deze stap onder andere op de volgende manier:

A constraint-based approach expresses straightforwardly certain effects of the economy (do something only when) or the profuseness (do something except when) of derivation found in metrical accounts of Dutch stress, by ranking antagonist constraints with respect to each other. As we will see, the following statements which had to be made in the metrical account will no longer be indispensible.

(1) Final syllables are extrametrical only when they are heavy.
Final syllables may be subject to mora catalexis except when the penult is heavy.
Heavy penults may be skipped only when the final is heavy.

As a theory of 'evaluation' rather than a theory of 'operations', OT [=optimaliteitstheorie] has important consequences for the description of languages while still allowing lexical variation. Lexical exceptionality may still be the property of specific lexical items but is no longer formalised on lexical representations. Instead, marked forms require a partial re-ranking of interacting constraints.

Het is waar dat beschrijvingen zoals die in (1) op een inzichtelijke manier kunnen worden geformaliseerd in het kader van de optimaliteitstheorie. Aan de andere kant betekent dit alles volgens mij niet dat we lexicale variatie per se moeten zien als een woordafhankelijke herschikking van condities. Op deze kwestie zal ik ingaan in paragraaf 4 van dit artikel.

Behalve de vijf hoofdstukken bevat Nouveaus proefschrift nog een viertal appendices: een glossary met vertalingen van alle gebruikte Nederlandse voorbeeldwoorden in het Engels, een aantal voorbeelden van het soort afbeeldingen dat gebruikt is bij de experimenten, een aantal grafieken over de verkregen resultaten van deze experimenten en een laatste appendix waarin de consequenties van alle voorgestelde ordeningen en herordeningen van condities binnen de optimaliteitstheorie voor een aantal representatieve woorden wordt voorgerekend. Vooral de laatste appendix is zeer nuttig. Analyses binnen de optimaliteitstheorie kunnen al snel uitermate gecompliceerd worden en het is dan lastig voor de lezer om alle implicaties van een bepaalde ordening na te rekenen. Tabellen als de hier gegevene verlenen daarbij een grote dienst.

Al met al wekt Nouveaus proefschrift de indruk van grote nauwgezetheid en precisie. Ze laat zien hoe de generatieve theorie voorspellingen doet over taalverwerving en ze komt daarbij met enkele interessante nieuwe observaties en innovatieve analytische ideeën. Ze heeft daarmee een geslaagd proefschrift geschreven dat een plaats verdient in de literatuur over Nederlandse klemtoon en over taalverwerving.

3 Lexicale variatie als conditieherschikking

Na het algemene overzicht in de vorige paragraaf wil ik hier in iets meer detail ingaan op een concreet aspect van Nouveaus proefschrift: haar behandeling van lexicale variatie in het raamwerk van de optimaliteitstheorie van Prince en Smolensky (1993). Deze theorie heeft zich binnen enkele jaren een grote populariteit verworven en behoeft daarom waarschijnlijk nauwelijks nog introductie. Ik zal hier volstaan met een korte samenvatting van de belangrijkste ideeën.

In de eerste plaats spelen volgens deze theorie twee functies een rol in de grammatica. De eerste functie Gen (voor generator) neemt een onderliggende vorm als invoer en geeft als uitvoer de verzameling logisch mogelijke analyses van deze vorm. Omdat we het in dit artikel over klemtoon hebben kunnen we het ons in het eenvoudigste geval zo voorstellen dat de invoer een segmentele streng is en Gen elke logischerwijs mogelijke klemtoonpatroon over de invoerstreng genereert. Als de invoer /piama/ is, genereert Gen de verzameling {[píjama], [pijáma], [pijamá]}.

De tweede functie heet Eval. Deze neemt de verzameling analyses die Gen heeft gegenereerd als invoer en geeft als uitvoer de optimale analyse. Welke analyse als optimaal wordt beschouwd wordt bepaald door een verzameling universele condities op welgevormdheid van fonologische structuren: optimaal is de vorm die het best aan deze condities voldoet. Wat optimaliteitstheorie nu interessant maakt, is dat alle condities wel universeel zijn, maar niet als onschendbaar worden beschouwd. Sommige condities zijn met elkaar in conflict: om aan de ene conditie tegemoet te komen moet een andere conditie worden geschonden. De manier om deze conflicten op te lossen is schikking van condities. Een optimale vorm kan best een of meerdere lager gerangschikte condities schenden.

In het concrete geval van pyjama zijn in de analyse van Nouveau bijvoorbeeld twee condities aan het werk. De eerste conditie zegt dat woordklemtoon zo ver mogelijk naar rechts moet staan. Deze conditie noemt Nouveau Edgemost, hetgeen ik vrij vertaal als Rechts. De tweede conditie heet NietFinaal en zegt dat woordklemtoon niet op de laatste lettergreep van het woord mag vallen. Door nu NietFinaal hoger te ordenen dan Rechts krijgen we het juiste klemtoonpatroon. Om dit te demonstreren wordt in optimaliteitsanalyses over het algemeen een tabel getekend die er als volgt uitziet:

(2)

NietFinaal Rechts
píjama   **!
pijáma   *
pijamá *!

De volgende conventies worden in dit soort tabellen gebruikt. In de bovenste rij staan de namen van de relevante condities, van links naar rechts geordend naar sterkte. In de meest linkse kolom worden de kandidaat-analyses gemaakt. De optimale analyse is daarbij voorzien van een handje. In de velden in de tabel staat gemarkeerd hoe vaak een conditie door een vorm geschonden wordt. Een uitroepteken toont dat een schending fataal is en markeert de vorm als niet-optimaal. Grijze arcering geeft vervolgens aan dat de inhoud van een veld onbelangrijk is voor evaluatie van een vorm.

Een tabel als deze is het gemakkelijkst van links naar rechts te lezen. Eerst nemen we de conditie NietFinaal in beschouwing. Op dat moment valt de vorm pijamá af omdat het als enige deze conditie schendt. Vervolgens evalueren we de twee overgebleven kandidaatanalyses op basis van Rechts. Beide vormen schenden deze conditie omdat de klemtoon niet op de meest rechtse lettergreep valt. De vorm píjama is hier echter nog net iets slechter dan pijáma omdat in de eerste vorm de klemtoon nog net een lettergreep meer naar links is dan in de tweede. Daarom wordt deze laatste vorm aangewezen als de optimale kandidaat en dus als de uiteindelijke uitvoervorm. Hij is niet 'perfect' in de zin dat hij aan alle condities voldoet maar hij is wel de beste vorm, gegeven deze conditieschikking en deze verzameling kandidaatanalyses.

3.1 Reguliere klemtoon

Nouveaus analyse van het Nederlandse klemtoonsysteem roept nog enige andere condities aan dan de hier genoemde. De belangrijkste extra condities heb ik hieronder opgesomd in (2):(2)

(2) Clash: Twee hoofden van voeten mogen niet direct naast elkaar staan.
Binariteit: Voeten zijn binair op enig niveau van representatie (twee mora's , of twee lettergrepen)
Trochee: Voeten zijn linkshoofdig
Superzwaar: De segmenten in een 'superzware lettergreep' staan samen in een voet.
Zwaarte: Een zware lettergreep staat in de hoofdpositie in een voet.

De meeste van deze condities zijn bekend uit eerdere generatieve literatuur over klemtoon (zie de Nederlandse referenties hierboven en tevens Hayes 1981, 1995, Halle en Vergnaud 1987, Halle en Idsardi 1995). Op de conditie Superzwaar dient nog wel een nadere toelichting gegeven te worden. Nouveau accepteert een analyse van superzware lettergrepen (dat wil zeggen lettergrepen die bestaan uit een gespannen klinker gevolgd door een consonant of een ongespannen klinker gevolgd door twee consonanten) als een eenheid van twee lettergrepen. De tweede lettergreep van deze eenheid is 'gedegenereerd' en bestaat uit slechts een consonant. De fonologische lettergreepstructuur van abrikoos is dus a.bri.koo.s, met s in een gedegenereerde lettergreep; de lettergreepstructuur van ledikant is op dezelfde wijze le.di.kan.t, met de t in een gedegenereerde lettergreep. De conditie Superzwaar zegt nu dat koo en s in abrikoos en kan en t in ledikant samen een voet dienen te vormen.

Wanneer we nu de condities in (2) en de condities NietFinaal en Rechts ordenen zoals is weergegeven in (3) kunnen we de reguliere klemtoonpatronen van het Nederlands beschrijven.

(3) Clash, Binariteit, Trochee, Superzwaar Niet-Finaal Zwaarte Rechts

Het teken '' tussen twee condities A en B geeft aan dat A geordend is boven B. De reden dat er een komma is geplaatst tussen de eerste vier condities is dat er geen eenduidige ordeningsrelatie tussen de vier is vastgesteld in het kader van dit proefschrift. Deze vier condities kunnen dus praktisch worden beschouwd als ongeordend. Bovendien zijn ze alle vier zo hoog geordend dat ze in de praktijk onschendbaar zijn. Een optimale kandidaat zal in het Nederlands altijd aan deze vier condities voldoen.

Ter illustratie geef ik hieronder de tabellen die horen bij de analyses van vier ongemarkeerde vormen. Ik volg hierbij de conventie die is ingevoerd door Nouveau om de bovenste vier condities samen te nemen in een kolom die ik Top noem. Wanneer een van deze condities geschonden is, verschijnt zijn naam in de kolom.

Allereerst bestuderen we de vorm pyjama, die bestaat uit drie lichte lettergrepen (de haakjes geven voetstructuur aan):

(4)

Top
Niet-Finaal
Zwaarte
Rechts
(píja)ma       **!
pi(jáma)       *
pija(má) Bin! *
(pijá)ma Trochee! *

De analyse van deze vorm wijkt niet sterk af van de vereenvoudigde analyse die we eerder in deze paragraaf bespraken. De vorm pi(jamá) wordt nu al uitgesloten omdat hij niet aan binariteit voldoet. De lichte lettergreep ma vormt in zijn eentje een voet in deze vorm en deze voet is daarom op geen enkel niveau binair. Met de vorm (pijá)ma heb ik willen aangeven dat er logischerwijs nog een groot aantal kandidaat-analyses mogelijk zijn die bestaan uit niet-binaire of niet-trocheïsche voeten. Al deze kandidaten zullen worden uitgesloten door een van de condities in de kolom Top.

Vervolgens nemen we de vorm gibraltar in beschouwing, die bestaat uit een lichte lettergreep gevolgd door twee zware:

(5)

Top Niet-Finaal Zwaarte Rechts
(xíbrAl)tAr     **! **
xi(brÁltAr)     * *
xibrAl(tÁr)   * *  
xi(brÁl)(tÁr) Clash! *    

De eerste analyse is uitgesloten omdat hij twee keer de conditie Zwaarte schendt (er zijn twee zware lettergrepen die niet in het hoofd van een voet staan), terwijl de optimale kandidaat diezelfde conditie slechts één keer schendt. De vierde vorm laat zien wat er gebeurt in een kandidaat die Zwaarte helemaal niet zou schenden: in deze vorm zou Clash geschonden worden omdat we twee beklemtoonde lettergrepen naast elkaar zouden vinden.

Op dit punt begint de optimaliteitsanalyse naar mijn oordeel interessant te worden. Er is een duidelijke tendens om zware lettergrepen in een beklemtoonde positie in het woord te plaatsen. Een zware lettergreep die volgt op een andere zware lettergreep vormt in zekere zin een 'uitzondering' op deze tendens. De reden daarvoor is dat we nu eenmaal niet twee klemtonen naast elkaar kunnen hebben; een van de twee lettergrepen moet daarom afzien van zijn eis op klemtoon. In een optimaliteitsanalyse kunnen we deze gedachte eenvoudig formaliseren.

Een vorm die een belangrijke rol gaat spelen in de volgende discussie is agenda. Hij is van belang omdat hij een voorbeeld is van een woord met een gesloten lettergreep in de voorlaatste positie en een open lettergreep in de laatste. Woorden met een dergelijke structuur hebben in het Nederlands altijd klemtoon op de voorlaatste lettergreep. Variatie is niet mogelijk.(3) De analyse van deze vorm is nu tamelijk eenvoudig:

(6)

Top
NietFinaal
Zwaarte
Rechts
(ágen)da     *! **
a(génda)       *
agen(dá)   *! *  

De uitkomst van deze tabel is in zekere zin dezelfde als die in het geval van pyjama: klemtoon valt op de voorlaatste lettergreep. De reden hiervoor is echter een andere: bij pyjama speelde Rechts een cruciale rol om het verschil tussen voorlaatste en voorvoorlaatste klemtoon te bepalen. In het geval van agenda speelt Rechts echter hoegenaamd geen rol; het verschil tussen klemtoon op de voorlaatste en voorvoorlaatste lettergreep wordt bepaald door Zwaarte.(4)

De laatste vorm die ik kort wil bespreken is ledikant. Dit woord eindigt in een superzware lettergreep. Gegeven de fonologische lettergreepstructuur die aan dit soort sequenties wordt toegekend, kunnen we de volgende tabel voor deze vorm opstellen:

(7)

Top
NietFinaal
Zwaarte
Rechts
(lédi)kant     *! ***
le(díkan)t Superzwaar!   * **
le(díkant)     *! **
ledi(kánt)       *

In dit geval is de optimale kandidaat de laatste. Deze heeft een welgevormde voetstructruur, hij schendt NietFinaal niet -- de aanname was immers dat deze sequentie eindigde op een 'gedegenereerde' lettergreep die bestaat uit de consonant t. De beklemtoonde lettergreep is dus niet de laatste in het woord. Dat daarmee ook de conditie Rechts geschonden wordt, is irrelevant. Er is immers geen enkele andere kandidaat die aan alle condities voldoet.(5)

3.2 Lexicale variatie

Nouveau geeft dus een aantrekkelijke analyse van de reguliere Nederlandse klemtoon in termen van de optimaliteitstheorie. De vraag rijst nu echter wat we moeten doen met de klemtoonpatronen van Type B en Type C. Bijvoorbeeld veroorzaakte de relatief hoge ordening van NietFinaal dat klemtoon op de laatste lettergreep van een woord in geen enkel geval wordt toegestaan (behalve in eenlettergrepige woorden, wanneer er geen andere keus is). We moeten ons nu afvragen hoe we bijvoorbeeld chocola op een dusdanige manier kunnen markeren dat het een uitzondering op deze regelmaat kan vormen.

Ik geloof dat er in principe geen enkele reden is om het niet te blijven doen op de 'oude' manier namelijk door een lexicale markering in de vorm van een onderliggende voet of een catalectisch element in het lexicon. Integendeel, het is een van de centrale stellingen van de klassieke optimaliteitstheorie van Prince en Smolensky (1993) dat letterlijk elke fonologische structuur invoer voor de functie Gen kan zijn. Voor zover er restricties kunnen worden gesteld aan deze invoer zijn deze van een tamelijk triviale aard, zoals dat een lettergreep geen fonologisch woord mag domineren. De traditioneel generatieve gedachte dat onderliggende vormen in allerlei opzichten ondergespecificeerd zijn is echter niet langer zonder meer houdbaar.

We moeten dan wel onderscheid maken tussen onderliggende voeten en catalectische elementen aan de ene kant en extrametricaliteit en anti-extrametricaliteit aan de andere. De eerste twee elementen bestaan uit niet meer dan het instrumentarium dat we in zekere zin toch al nodig hebben. Wanneer we voeten aan de oppervlakte postuleren is er in een optimaliteitsanalyse geen principiële reden om ze op onderliggend niveau uit te sluiten -- al is het maar omdat er geen onderliggend niveau erkend wordt. Wanneer catalectische mora's slechts mora's zijn die niet aan segmentele inhoud worden gehecht, en onderliggende vormen in principe uit alle logisch mogelijke combinaties van elementen kunnen bestaan, is er eveneens geen reden om onderliggende catalectische mora's uit te sluiten. Wanneer we al dit materiaal tot onze beschikking hebben, staat niets ons dan ook in de weg om van dit soort onderliggende metrische structuur gebruik te maken.

Extrametricaliteit heeft echter een iets andere status, omdat het in zekere zin meer een uitzonderingskenmerk is. Een metrisch element als extrametrisch bestempelen betekent niet veel meer dan zeggen dat het onzichtbaar is voor klemtoontoekenningsregels. Extrametricaliteit is daarom op zichzelf niet uit te drukken in alleen maar prosodisch materiaal. Daar komt nog bij dat een belangrijk deel van het werk van het extrametricaliteitskenmerk binnen de optimaliteitstheorie wordt gedaan door de conditie NietFinaal. We zouden extrametricaliteit daarom misschien inderdaad liever uit de theorie willen bannen.

Datzelfde geldt in nog sterkere mate voor anti-extrametricaliteit, dat in zekere zin een uitzondering op een uitzondering is. Het anti-extrametricaliteitskenmerk geeft bij Trommelen en Zonneveld (1991) aan dat een lettergreep die normaal gesproken extrametrisch zou worden dat in dit geval niet doet. In termen van de optimaliteitstheorie zouden we misschien moeten zeggen dat een bepaald woord een 'uitzondering' is op NietFinaal. Dat is een minder aantrekkelijke positie.

Misschien ziet Nouveau om deze redenen af van een analyse van lexicale variatie in termen van de klassieke onderliggende metrische kenmerken. In plaats hiervan stelt zij een theorie voor waarin deze variatie wordt bepaald door lokale herschikking van condities. In woorden met een gemarkeerde klemtoonstructuur zijn bepaalde condities anders geordend dan in woorden met een minder gemarkeerde klemtoonstructuur. Hoe gemarkeerder een klemtoonpatroon, des te meer herschikkingen er nodig zijn om dat patroon te genereren.

Om deze gedachte te illustreren zal ik hier kort Nouveaus analyse van pánama en chocolá behandelen. Beide woorden bestaan uit drie lichte lettergrepen. In het ongemarkeerde geval heeft een dergelijk woord klemtoon op de voorlaatste lettergreep, zoals in pyama. Beide hier te behandelen vormen gelden dus als gemarkeerd. De vorm chocolá geldt daarbij dan als nog gemarkeerder (type C) dan Pánama (type B).

Om het woord panamá te analyseren, neemt Nouveau aan dat er twee versies van de conditie NietFinaal. De eerste versie, die we tot nu toe hebben besproken, verbiedt beklemtoonde lettergrepen op de finale positie in een woord. De tweede versie, die we in onze discussie tot nu toe hebben genegeerd, verbiedt voeten met hoofdklemtoon op die positie. In het ongemarkeerde geval is deze tweede versie van NietFinaal gerangschikt onder Rechts. Het effect van deze conditie is daarmee nihil. Om aan Rechts te voldoen zal de optimale kandidaat zo mogelijk altijd de tweede versie van NietFinaal schenden. Nouveau stelt echter voor dat in gemarkeerde gevallen de relatieve schikking van Rechts en NietFinaal kan worden omgedraaid. We krijgen dan de volgende tabel (NF 1 is de oorspronkelijke versie van NietFinaal, die refereert aan lettergrepen; NF2 is de nieuwe versie, die refereert aan voeten):

(8)

Top NF1 Zwaarte NF2 Rechts
(pána)ma         **
pa(náma)       *! *
pana(má) FtBin! *   *  

De vorm chocolá vertoont het meest gemarkeerde klemtoonpatroon van de drie. Om dit patroon te verkrijgen, moeten er dan ook meer condities van plaats verwisselen. Allereerst verdwijnt de tweede versie van NietFinaal weer naar een positie waar hij irrelevant wordt. Ook de oorspronkelijke versie van NietFinaal zakt echter naar de laagste sport van de ladder -- klemtoon valt nu immers juist wel op de laatste lettergreep. Binariteit lijkt, ten slotte, eveneens irrelevant te worden en zakt onder Rechts. Al met al krijgen we nu de volgende tabel:

(9)

Top
Zwaarte
Rechts
Bin
NietFinaal
(óko)la     **!    
o(kóla)     *!    
oko(lá)       * *

Het komt erop neer dat Rechts nu de hoogst gerangschikte conditie wordt. Deze conditie maakt daarom de dienst uit; hij bepaalt dat klemtoon op de laatste lettergreep valt.

Tegen deze analyse zijn een aantal bezwaren te maken. In de eerste plaats doen de voorgestelde herschikkingen enigszins arbitrair aan. Het is niet duidelijk waarom nu juist de herschikkingen NietFinaal 1 Rechts (voor type B) en Rechts Bin Niet-Finaal (voor type C) tot de lexicale specificaties zouden behoren en niet bijvoorbeeld Links Rechts. (Gegeven dat er talen zijn waarin klemtoon altijd woord-initieel is, moeten we besluiten dat er een conditie Links aanwezig is in de universele verzameling condities.)

Een serieuzer probleem is echter dat in Nouveaus eigen materiaal feiten zijn te vinden die zich moeilijk laten verklaren met deze herschikkingen van condities. In hoofdstuk 4 laat de auteur zien dat de hiërachie van types A, B en C twee soorten implicaties heeft. In de eerste plaats zijn patronen van type C zeldzamer in het volwassen lexicon, ze worden door volwassen proefpersonen minder vaak aan onzinwoorden toegekend en ze zijn door kinderen minder makkelijk te herhalen dan woorden van type B. Op precies dezelfde manier zijn woorden van type B moeilijker dan woorden van type A. Al deze feiten kan Nouveau verklaren in die zin dat woorden van het type A geen enkele lexicale markering kennen, terwijl woorden van het type B een tamelijk eenvoudige (Niet-Finaal 1 Rechts ) en woorden van type C een complexere (Rechts Bin Niet-Finaal ) markering hebben.

De tweede implicatie van de hiërarchie is echter dat bepaalde voorspellingen gedaan worden over regularisatie. Gemarkeerde vormen worden door zowel volwassen als taalverwervende moedertaalsprekers geregulariseerd. Dit betekent echter niet noodzakelijk dat die regularisatie onmiddellijk van type C naar type A gaat. Een verandering van type C naar type B is ook mogelijk. Volwassen sprekers kunnen moussaká maken tot moussáka, maar ook tot móússaka (p. 23). Op dezelfde manier vormden de kinderen soms het onzinwoord fenimó om tot fénimo in plaats van fenímo.

Deze feiten kunnen makkelijk verklaard worden onder een klassieke benadering van lexicale variatie. Woorden van type C hebben twee markeringen. Verliezen ze een markering, dan worden het woorden van type B. Verliezen ze allebei de markeringen, dan worden het woorden van type A. In Nouveaus model is er echter geen formele relatie tussen de markering voor moussaká en die voor móússaka. Om van de ene vorm naar de andere te gaan moeten we zelfs minimaal drie condities herschikken, terwijl voor een verandering van type C naar type A slechts twee herschikkingen nodig zijn. Waarom een regularisatie dan ooit van type C naar type B zou verlopen, kan niet worden begrepen.

3.3 Het surplus van conditieherschikking

Voordat we overgaan naar een alternatief voor Nouveaus analyse in termen van conditieherschikking, dienen we eerst een aantal feiten in beschouwing te nemen die Nouveau beschouwt als het 'surplus' van haar theorie: feiten die de klassieke metrische theorie niet kan beschrijven, zelfs niet na incorporatie van de notie catalexis. Nouveau noemt twee van zulke feiten waarvan we er hier één bespreken.(6)

Nouveau wijst erop dat uit haar materiaal een contrast blijkt tussen woorden bestaande uit een lichte lettergreep gevolgd door twee zware (talaktan) en een woord bestaande uit een lichte lettergreep gevolgd door een zware en nogmaals een lichte (agenda). In het eerste geval is klemtoon op de eerste lettergreep slechts licht gemarkeerd, terwijl het in het tweede geval uitgesloten is. Vervolgens laat ze zien dat tálaktan inderdaad met slechts één conditieherschikking verkregen kan worden, terwijl ágenda bij die herschikking nog steeds onmogelijk is.

De twee condities die herschikt moeten worden zijn de reeds bekende Zwaarte en een conditie Voeg lettergreep ('Parse syllable') die eist dat elke lettergreep is opgenomen in een voet in de uitvoerstructuur. De laatste is volgens Nouveau in de reguliere conditiehiërarchie laag geordend. Het effect ervan hebben we dan ook tot nog toe kunnen verwaarlozen. Door echter Voeg lettergreep te ordenen boven Zwaarte krijgen we het gewenste klemtoonpatroon op talaktan (in de onderstaande tabel staat VL voor Voeg Lettergreep):

(10)

Top NF 1 VL Zwaarte Rechts
ta(lAk)(tÁn) Clash! * *    
ta(lÁk)(tAn) Clash! * *   *
ta(lÁktAn)   *! * * *
(tálAk)(tAn)       * **

De vorm ágenda kan echter met deze herschikking nog steeds niet verkregen worden:

(11)

Top NF 1 VL Zwaarte Rechts
a(gEn)(dá) Bin! * *    
a(gÉn)da     **!   *
a(gÉnda)     *   *
(ágEn)da     * *! **
(ágEn)(da) Bin!     * **

De kracht van deze analyse is gelegen in het feit dat de laatste lettergreep in agenda nooit alleen een voet kan vormen zonder Binariteit te schenden, terwijl de laatste lettergreep van talaktan dat wel kan. Wanneer Binariteit een zeer hoog geordende conditie is en blijft kan verklaard worden waarom ágenda een onmogelijk Nederlands klemtoonpatroon is.

Hierbij moet echter worden opgemerkt dat het voor deze recensent onduidelijk blijft waarom we Binariteit eigenlijk niet zouden mogen herschikken, waar dat wel mocht in het geval van chocola. Weliswaar geeft Nouveau aan het eind van hoofdstuk vijf een soort gemarkeerdheidstypologie van herschikkingen waaruit dit feit zou moeten blijken, maar die typologie is zelf tamelijk descriptief. Had het Nederlands wel woorden zoals ágenda gehad, dan konden we de typologie gemakkelijk aanpassen.

3.4 Conclusie

Nouveaus analyse van het reguliere klemtoonpatroon in het Nederlands is redelijk overtuigend. Hoewel haar analyse op dit punt geen grote descriptieve successen boekt in vergelijking met eerdere benaderingen, biedt hij wel enkele conceptuele voordelen. Zo is de behandeling van de zware lettergrepen eleganter binnen een optimaliteitskader dan in eerdere benaderingen. De enige plaats waarin deze lettergrepen genoemd worden is in de conditie Zwaarte. Alle 'uitzonderingen' op dit zwaarte-beginsel worden bewerkstelligd door interactie met onafhankelijke andere condities, zoals NietFinaal.

De aanname van een optimaliteitskader impliceert -- anders dan Nouveau suggereert -- echter niet automatisch dat we ook lexicale variatie zouden moeten beschouwen als conditieherschikking. In deze paragraaf heb ik juist enkele problemen genoemd die onder een dergelijke aanname rijzen. De twee belangrijkste problemen zijn dat de aangenomen herordeningen soms enigszins arbitrair lijken, en dat veranderingen van type C naar type B in dit model niet goed begrepen kunnen worden.

Een nog niet genoemd theorie-intern bezwaar is dat Nouveaus analyse impliceert dat we bepaalde restricties op onderliggende vormen moeten maken. Conditieschikking is een zeer krachtig element. Het is onder andere om die reden gebruikelijk binnen de optimaliteitstheorie om die schikking dan ook al het werk te laten doen en geen extra kracht aan de theorie toe te voegen door bijvoorbeeld een theorie over onderliggende vormen op te stellen. Bij Nouveau is dat echter wel nodig: uit het feit dat agendá geen mogelijk woord is, moeten we concluderen dat een herschikking van de condities waarbij Rechts niet gedomineerd wordt en dus de klemtoon bepaalt, niet mag worden toegestaan. Dit kan niet worden bewerkstelligd zonder een aanvullende theorie over onderliggende vormen.

Een kleiner, maar niet onbelangrijk probleem, is dat in de analyse van de lexicale uitzonderingen twee condities worden ingevoerd die zoals we hebben gezien geen verdere rol spelen in de analyse van het standaardpatroon: Voeg Lettergreep en NietFinaal-2. Waar we de eerste conditie nog kennen uit de standaardliteratuur over optimaliteitstheorie zoals Prince en Smolensky (1993), is invoering van de laatste wat moeilijker te motiveren.

4 Lexicale variatie als prosodische markering

In de voorafgaande paragraaf heb ik betoogd dat een analyse van lexicale variatie in termen van conditieherschikking in een aantal opzichten onbevredigend is. In deze paragraaf wil ik een alternatief voor deze analyse geven die gebruik maakt van onderliggende prosodische markeringen. De kern van Nouveaus analyse -- de hiërarchie die zij voorstelt voor ongemarkeerde vormen -- laat ik daarbij ongemoeid, omdat deze voor de besproken gevallen adequaat is en omdat ik de vergelijking tussen de twee voorstellen niet nodeloos wil compliceren.

Zoals hierboven opgemerkt zijn niet alle prosodische middelen die we in eerdere analyses tot onze beschikking hadden nog langer bruikbaar onder een optimaliteitsanalyse. Met name extrametricaliteit en anti-extrimetricaliteit hebben een wat problematische status in de theorie. Extrametricaliteit is voor veel gevallen vervangen door de conditie NietFinaal en we zouden daarom niet nog een extra kenmerk met een soortgelijke inhoud willen invoeren. Dat zou overigens ook neerkomen op een soort herintroductie van conditieschikking. Zeggen dat bepaalde woorden een extrametricaliteitskenmerk hebben betekent empirisch hetzelfde als zeggen dat die woorden een markering hebben dat NietFinaal hoger gerangschikt is. Omgekeerd is toekenning van een anti-extrametricaliteitskenmerk niets anders dan een manier om uit te drukken dat NietFinaal voor een woord is uitgeschakeld, of in ieder geval laag gerangschikt.

In het beste geval maken we dus in een optimaliteitsanalyse met onderliggende markeringen, alleen gebruik van elementen die we elders in de theorie ook gebruiken. Ik stel voor dat dit alleen onderliggende voeten en catalectische elementen zijn. Zoals hierboven al beargumenteerd, is de aanname van onderliggende voeten bijna onontkoombaar in optimaliteitstheorie, aangezien deze theorie geen restricties op onderliggende vormen kent. Wanneer we dit instrument nu kunnen gebruiken in onze analyse, hebben we dus al een grote winst geboekt. Hetzelfde geldt voor catalectische elementen.

De precieze aard van deze elementen is overigens nog onderhevig aan discussie. Op onafhankelijke gronden heb ik in Van Oostendorp (1995) betoogd dat woorden als chocolá in het Nederlands eindigen op een 'lege' medeklinkerknoop (die eventueel gelijk zou kunnen worden gesteld aan de h of de glottisslag). Ook hiervoor geldt weer dat, gesteld dat we aannemen dat lege medeklinkerknopen in de theorie kunnen bestaan, we geen enkele reden hebben om dit soort elementen uit te sluiten van de onderliggende representatie. Ik verwijs voor een nadere discussie van deze elementen naar Van Oostendorp (1995), maar hier wil ik deze lege medeklinkers graag gelijkstellen aan de catalectische mora's van Nouveau.(7)

In dit artikel wil ik de catalectische elementen echter graag behandelen als lettergrepen omdat dit de presentatie enigszins vereenvoudigt. Empirisch zijn de verschillen tussen de drie soorten representaties echter uitermate subtiel.

4.1 Respect voor onderliggend materiaal

We hebben dus twee instrumenten, onderliggende voeten en catalectische lettergrepen. Gezien het feit dat de klemtoon in woorden als agenda zeer weinig variabel is, kunnen deze onderliggende instrumenten echter nooit volledig het klemtoonpatroon van een woord verklaren. De grammatica moet zo worden opgezet dat ágenda en agendá nooit gegenereerd kunnen worden, hoeveel voeten en catalexis we ook aan de onderliggende representatie van dit woord zouden toevoegen.

Het middel hiervoor ligt in optimaliteitstheorie voor de hand. Onderliggend materiaal kan in sommige gevallen genegeerd en eventueel vervangen worden. Ook een onderliggende vorm, ágenda kan als optimale uitvoer agénda hebben, zij het tegen een bepaalde prijs. De prijs die betaald moet worden is dat condities geschonden worden die zeggen dat onderliggend materiaal gerespecteerd moet worden. In de Engelstalige literatuur worden deze condities aangeduid met de term Faithfulness, en ik zal hier spreken over Respect. Dit soort condities spelen een grote rol op alle plaatsen in de fonologische theorie, aangezien ze verantwoordelijk zijn voor beperkingen op spreiding, klinkerepenthese, allerlei vormen van deletie, enzovoort. In het onderhavige geval is er een conditie op Respect die we in beschouwing moeten nemen:

(12) Respecteer-Voet: Een onderliggende voet moet in de uitvoer staan.

Gezien de onmogelijkheid van *ágenda en *agendá mogen we niet te veel kracht toekennen aan deze conditie op Respect -- ze zal in ieder geval geordend moeten zijn onder Zwaarte, de conditie die ervoor zorgt dat de zware lettergreep in dit woord alle klemtoon naar zich toetrekt.

Naast onderliggende voeten hebben we ook catalexis. Dit begrip speelt in het Nederlands nauwelijks een rol van belang. Dat catalectische elementen een zeer marginale status hebben, verantwoorden we door de volgende conditie aan te nemen:

(13) Leeg: Lettergrepen zonder segmentele inhoud (dat wil zeggen: catalectische lettergrepen) zijn niet geoorloofd in de oppervlaktestructuur.

Deze conditie is hoger geordend dan de conditie op Respect in (14a), zoals aangegeven in (14b). Tezamen zijn deze twee condities zeer laag geordend, en wel onder Rechts.

(14) a. Respecteer-C: Een onderliggend catalectisch element dient gerespecteerd te worden in de oppervlakte.

b. Leeg Respecteer-C

De deelhiërarchie in (14b) sluit het aan de oppervlakte komen van catalectische elementen in bijna alle gevallen uit; de uitzondering zal hieronder aan de orde komen.

Wanneer we deze aannames combineren, krijgen we de volgende hiërarchie:

(15) Top Niet-Finaal Zwaarte Respect -V Rechts Respect-C

Ik wil staande houden dat dit de enige schikking is die nodig is om de Nederlandse primaireklemtoonfeiten te beschrijven. Om dit te bewijzen zal ik eerst de analyse geven van de drie onderliggende vormen pyjama, panama en chocola.

Het woord pyjama is ongemarkeerd, net als bij Nouveau. Dit betekent dat geen onderliggende klemtoon aan het woord hoeft te worden toegekend. Respect speelt dus geen rol en de vergelijking verloopt precies identiek als bij Nouveau.

We betrekken nu het woord panama in de beschouwing. Deze heeft een markering, te weten een lexicale voet. Het hoofd hiervan bevindt zich op de eerste lettergreep:

(16)

/(pana)ma/ Top NietFinaal Zwaarte Respect - V Rechts
(pána)ma         **
(pana)(má) Bin! *      
pa(náma)       *! *

Ik heb in deze tabellen een nieuwe conventie doorgevoerd: in de linkerbovenhoek verschijnt steeds de onderliggende vorm, inclusief voetstructuur.

De eerste twee vormen respecteren allebei de onderliggende voetstructuur. De tweede doet dit echter ten koste van zeer hoog geordende condities zoals Binariteit en Niet-Finaal en is daarom uitgesloten. De derde kandidaat, met normaal gesproken het minst gemarkeerde klemtoonpatroon, is in dit geval uitgesloten omdat de onderliggende voetstructuur onvoldoende gemarkeerd wordt.

Het is logisch mogelijk dat er woorden zijn met een onderliggende voet waarvan het hoofd op de tweede lettergreep rust (/pa(nama)/. Dit woord zou echter aan de oppervlakte komen als pyjáma, dat wil zeggen met ongemarkeerde klemtoon. Een theorie over optimalisatie van het lexicon zou vervolgens desgewenst een dergelijke 'overbodige' markering uitsluiten, maar strikt noodzakelijk is dit niet.

Een andere logische mogelijkheid is dat er woorden zijn met een onderliggende voet waarvan het hoofd op de laatste lettergreep valt. Deze voet zou echter door de Top-condities Binariteit en/of Trochee verworpen worden, ten gunste van een minder gemarkeerd klemtoonpatroon.

Ook het woord chocolá kan dus niet verkregen worden met alleen onderliggende voeten. Hiervoor hebben we ook het additionele middel van catalectische consonanten nodig. Dit woord heeft dus twee markeringen:(8)

(17)

/(choco)laC/ Top Niet-Finaal Zwaarte Respect -V Rechts *Leeg Respect-C
a (chóco)laC         **!* *  
b (chóco)la         **!   *
c (choco)(láC)         * *  
d cho(cóla.C) Bin!     * ** *  
e cho(cóla)C       *! *** *  
f cho(cóla)       *! *   *

Omdat we hier te maken hebben met twee onafhankelijke markeringen, die ieder voor zich wel of niet gerespecteerd kunnen worden, is de analyse in dit geval al iets ingewikkelder. De optimale vorm is die in (17c). Deze voldoet aan alle condities. Alleen Rechts wordt geschonden, omdat de catalectische consonant hier een eigen lettergreep vormt net als een gewone lettergreep dat zou doen. De enige manier om Rechts niet te schenden zou zijn door klemtoon te leggen op deze gedegeneerde lettergreep maar dat is in Het Nederlands door zeer hoog geordende condities ten enen male uitgesloten. De vorm in (17a) voldoet eveneens aan bijna alle condities, alleen ligt klemtoon hierin nog meer naar links. De vorm in (17b) heeft klemtoon op dezelfde plaats en schendt daarnaast nog een keer onnodig Respect door het onderliggende catalectische element te verwijderen.

De vormen (17d), (17e) en (17f) demonstreren pogingen om ongemarkeerde klemtoon op chocola aan te brengen. Al deze pogingen vallen in ieder geval af door gebrek aan respect: de onderliggende voet wordt veranderd. Daarnaast wordt in (17d) een voet gebouwd die bestaat uit drie lettergrepen (co, la en de catalectische lettergreep), en is er in (17f) nog een extra schending van respect doordat ook het onderliggende catalectische element verdwijnt.

Dat alleen een catalectische lettergreep niet voldoende is om dit resultaat te verkrijgen, blijkt uit de volgende tabel:

(18)

/chocolaC/ Top Niet-Finaal Respect -V Rechts *Leeg Respect-C
a (chóco)laC       **!* *  
b (chóco)la       **!   *
c (choco)(lá.C)       * *!  
d cho(cóla.C) Bin!     **! *  
e cho(cóla.C)       **! *  
f cho(cóla)       *   *

In de vorige tabel werd verwijdering van de lege lettergreep als het ware tegengehouden door respect voor de onderliggende voet. Wanneer het catalectische element verwijderd wordt kon ofwel alleen een voet op de lettergreep la worden gebouwd, hetgeen een schending van de Top-conditie Binariteit zou betekenen, ofwel een voet op cola, hetgeen de onderliggende voet zou moeten verwijderen. Wanneer er echter geen onderliggende voet aanwezig is, komt het ongemarkeerde klemtoonpatroon op de voorlaatste lettergreep weer aan de oppervlakte.

Voor de afleiding van chocolá zijn dus twee markeringen nodig: alleen een onderliggend catalectisch element zou chocóla opleveren, alleen een onderliggende voet chocóla. De feiten die ik hierboven heb aangehaald als problematisch voor Nouveaus analyse zijn nu wel te begrijpen. Een regularisatie van type C naar type B is verlies van een onderliggend catalectisch element. Regularisatie van type B naar type A is verlies van een onderliggende voet.

Een ander bezwaar dat ik hierboven tegen Nouveaus analyse heb genoemd is dat haar herordeningen soms wat arbitrair lijken. Het feit dat de condities die verantwoordelijk zijn voor het venster van drie lettergrepen aan het eind van het woord nooit zo geherschikt kunnen worden dat klemtoon in sommige gevallen buiten dit venster zou vallen, blijft onverklaard. De hierboven genoemde herschikking LinksRechts zou dit effect kunnen hebben: wanneer de conditie Links in bepaalde woorden voldoende hoog geordend was, zouden deze het klemtoonpatroon van *mákaroni moeten kunnen vertonen.

In de huidge analyse geldt dat probleem niet. Het woord mákaroni kan met het huidige instrumentarium niet gegenereerd worden. Een onderliggende voet bijvoorbeeld kan de klemtoon nooit buiten het venster laten vallen:(9)

(19)

/(maka)roni/ Top NietFinaal Zwaarte Respect -V Rechts
a (máka)(roni)         **!*
b (maka)(róni)         *
c (mákaro)ni Bin!     * ***

4.2 Het surplus van conditieherschikking opnieuw bekeken

De meest interessante vraag is hoe we nu de recalcitrante feiten kunnen analyseren die Nouveau tot haar positie hebben gebracht. Zoals ik in paragraaf 3 heb laten zien kon Nouveau een groot deel van de door haar gepresenteerde feiten verklaren in een klassiek 'Utrechts' model van klemtoon, met de extensie van catalexis. Met name het contrast tussen mogelijk tálaktan en onmogelijk *ágenda bracht haar er echter toe om dit klassieke model te verwerpen ten gunste van een model waarin ten eerste het traditionele begrip van een metrische voetafleiding werd geformaliseerd in optimaliteitstheorie en ten tweede lexicale variatie werd beschouwd als een vorm van conditieherschikking. Ik wil nu laten zien dat deze tweede stap niet nodig was.

Het woord talaktan kan in het hier gepresenteerde model tamelijk gemakkelijk worden afgeleid, namelijk door de plaatsing van een lexicale voet op de eerste twee lettergrepen:

(20)

/(talak)tan/ Top NietFinaal Zwaarte Respect -V Rechts
a (tálak)(tan)     *   **
b (ta)(láktan) Bin!   *   *
c ta(láktan)     * *! *
d ta(lák)tan     * *! *
e talak(tán)   *! * *  
f (talak)(tán)   *! *    
g (tálak)tan     **!   ***

Kandidaat (20c) zou normaal gesproken aan de oppervlakte komen als de ideale kandidaat-analyse -- zie de bespreking van gibraltar hierboven -- ware het niet dat deze analyse Respect-V schendt en er een andere kandidaat is, (20a), die dat niet doet en die bovendien precies evenveel schendingen heeft voor hoger gerangschikte condities. Met name is van belang dat beide kandidaten precies een keer Zwaarte schenden. Er is ook geen enkele manier om aan deze schending te ontsnappen, zonder tegelijkertijd de Top-conditie Clash te schenden.

In het geval van agenda wordt de toestand iets anders. Wanneer we uitgaan van de veronderstelling dat dit woord een zelfde markering heeft als talaktan hierboven, krijgen we nog steeds een klemtoonpatroon dat gelijk is aan het ongemarkeerde:

(21)

/(agen)da/
Top
Niet-Finaal Zwaarte Respect -V Rechts
a (ágen)(da) Bin!   *   **
b (a)(génda) Bin!     * *
c a(gén)da       * *
d agen(dá)   *! * *  
e (agen)(dá)   *! *    
f (ágen)da     *!   **

In dit geval worden de twee condities Binariteit en Zwaarte weer belangrijk. Samen sluiten zij de kandidaat-analyses uit waarin klemtoon op de eerste lettergreep valt, zoals vereist zou zijn bij een respectvolle uitvoer. Omdat de onderliggende voet hiermee niet gerespecteerd kan worden, komt de ongemarkeerde uitvoer weer naar boven en ligt klemtoon op de voorlaatste lettergreep.

Voor de volledigheid vermeld ik hier dat ook de toevoeging van een catalectisch element in woorden als agenda geen verandering kan brengen in het klemtoonpatroon:

(22)

/(agen)daC/ Top Niet-Finaal Zwaarte Respect -V Rechts *Leeg Respect-C
a (ágen)(da.C)     *!   *** *  
b a(gén)da       * *   *
c (agen)(dá.C)     *!   * *  
d agen(dá)   *! * *     *
e (agen)(dá)   *! *       *
f (ágen)da     *!   ***   *

Binariteit verliest in deze analyses zijn belang (de lettergreep da kan desgewenst altijd een binaire voet vormen met het catalectisch element, net zoals dit mogelijk was in chocolá) maar de rol van Zwaarte wordt hiermee des te sterker. Feitelijk bepaalt deze conditie in dit woord alleen het klemtoonpatroon. De condities op respect voor onderliggend materiaal zijn te laag geordend om hier iets tegen te kunnen doen. Hoe we agenda ook onderliggend markeren, het kan nooit aan de oppervlakte komen met ofwel woord-initiële ofwel woord-finale klemtoon. Dit komt precies overeen met de feiten die Nouveau in haar proefschrift heeft neergelegd.

5. Conclusie

Hoewel het in het bestek van dit artikel niet mogelijk is geweest recht te doen aan alle aspecten van Nouveaus proefschrift, en zelfs niet aan het theoretisch fonologische gedeelte ervan, kunnen we toch de volgende conclusies trekken. In de eerste plaats biedt de door deze onderzoeker gepresenteerde optimaliteitstheoretische analyse enkele voordelen van conceptuele aard, vooral waar het gaat om de behandeling van zware lettergrepen die in het Nederlands soms wel en soms absoluut niet in een onbeklemtoonde positie kunnen staan. De ideeën over lexicale variatie die deze onderzoekster aan haar analyse koppelt heb ik echter in dit artikel vervangen door een alternatieve analyse. Deze laatste heeft als voordeel dat het enkele van Nouveaus feiten beter beschrijft en dat het geen stipulaties hoeft te doen over mogelijke onderliggende vormen in het Nederlandse lexicon. De analyse maakt echter wel gebruik van het instrumentarium dat Nouveau zelf in een ander gedeelte van het proefschrift aanreikt.

Bibliografie

Booij, G., 1981. Generatieve fonologie van het Nederlands. Utrecht & Antwerpen: Spectrum.

Booij, G., 1995. The phonology of Dutch. Oxford: Oxford University Press.

Evers, A. en R. Huybregts, 1975. The Cycle in Dutch: Its Relevance to the Theory of Grammar. In A. Kraak (red.) Linguistics in the Netherlands 1972-1973. Assen:Van Gorcum, 25-33.

Fikkert, P., 1994. On the acquisition of prosodic structure. Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden/Holland Institute of Linguistics.

Gussenhoven, C., 1993. The Dutch foot and the chanted call. Journal of Linguistics 29, 37-63.

Halle, M. en W. Idsardi, 1995. General properties of stress and metrical structure. In J. Goldsmith (red.) The Handbook of Phonological Theory. Oxford/Cambridge:Blackwell.

Halle, M. en J.-R. Vergnaud, 1987. An essay on stress. Cambridge, Mass: The MIT Press.

Hayes, B., 1981. A metrical theory of stress rules. Proefschrift MIT, Cambridge, Mass.

Hayes, B., 1995. Metrical stress theory: Principles and case studies. Chicago: University of Chicago Press.

Hermans, B., 1994. The composite nature of zccent; With case studies of the Limburgian and Serbo-Croatian pitch accent. Proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam.

Hochberg, J., 1988. Learning Spanish stress: Developmental and theoretical perspectives. Language 64, 683-706.

Hulst, H. van der, 1984. Syllable structure and stress in Dutch. Dordrecht: Foris.

Kager, R., 1989. A metrical theory of stress and destressing in English and Dutch. Dordrecht: Foris.

Kager, R., 1995. Consequences of catalexis. In H. van der Hulst en J. van de Weije ( red.) Leiden in Last (= HIL Phonology Papers I). Den Haag: Holland Academic Graphics, 269-298.

Kager, R. en E. Visch, 1983. Een metrische analyse van ritmische klemtoonverschijnselen. Afstudeerscriptie Rijksuniversiteit Utrecht.

Kiparsky, P., 1991. Catalexis. Manuscript Stanford University/Wissenschaftskolleg zu Berlin.

Oostendorp, M. van, 1995. Vowel quality and phonological projection. Proefschrift Katholieke Universiteit Brabant Tilburg.

Prince, A. en P. Smolensky, 1993. Optimality theory; Constraint interaction and satisfaction in generative grammar.Manuscript, Rutgers en Colorado.

Trommelen, M. en W. Zonneveld, 1991. Klemtoon en metrische fonologie. Muiderberg: Coutinho.

Trommelen, M. en W. Zonneveld, 1993. Stress, diphthongs, r in Dutch. In H. Bennis en A. van Kemenade (red.) Linguistics in the Netherlands 1989. Dordrecht: Foris.

Zonneveld, R. van, 1985. Word rhythm and the Janus syllable. In H. van der Hulst en N. Smith (red.) The Structure of Phonological Representations II. Dordrecht: Foris.

Zonneveld, W., 1993. Schwa, superheavies, stress and syllables in Dutch. The Lingusitic Review 10, 59-110.

Voetnoten

1.

Dit artikel is grotendeels geschreven tijdens mijn verblijf aan de Universiteit van Massachusetts te Amherst, die bekostigd werd met een Talentbeurs van NWO. Dank aan de redactie van Nederlandse Taalkunde, aan John Alderete, Harry van der Hulst en Dominique Nouveau voor opmerkinen en discussie. Speciale dank aan Ben Hermans voor de uigebreide discussie en het gedetailleerde commentaar.

2.

De formulering van sommige condities is ietwat vereenvoudigd ten opzichte van Nouveau om de discussie niet onnodig ingewikkeld te maken: de precieze vorm van de condities staat hier niet ter discussie, van belang is alleen de manier waarop ze op elkaar inwerken.

3.

Nouveau neemt aan dat woorden als frikando extreem gemarkeerd zijn. Die aanname volg ik hier.

4.

Merk op dat dit impliceert dat klemtoon ook ongemarkeerd zou zijn op de zware lettergreep in woorden bestaande uit een zware lettergreep gevolgd door twee lichte (eskimo), of een lichte en een zware (alfabet). Ik ga hierop verder niet in.

5.

Afgezien van de kandidaat (lèdi)(kánt). In zekere zin is dit ook de optimale kandidaat, in die zin dat de eerste lettergreep een secundaire klemtoon draagt. De voetstructuur van deze vorm is te prefereren boven ledi(kant) omdat de laatste onnodig veel lettergrepen heeft die niet in een voet zijn opgenomen. Daarboven is dan nog een apart conditie nodig die zegt dat de meest rechtse klemtoon in een woord de primaire is. De overige klemtonen zijn dan secundair. Op het verschil tussen primaire en secondaire klemtoon gaat Nouveau niet echt in -- de woorden die ze bestudeert zijn over het algemeen ook zo kort dat er hooguit één klemtoondragende positie kan zijn. Ook wij zullen dit verschil laten voor wat het is.

6.

Het niet in de tekst behandelde feit betreft een contrast tussen woorden bestaande uit drie lichte lettergrepen gevolgd door een zware (catamaran) en woorden die bestaan uit twee lichte lettergrepen gevolgd door een zware (bariton). In het eerste geval blijkt prefinale klemtoon ongemarkeerd, terwijl klemtoon op de voorlaatste lettergreep in het laatste geval slechts incidenteel lijkt voor te komen. Nouveau geeft echter slechts een gedeeltelijke verklaring voor deze feiten: catamaran is in haar analyse van type B, terwijl uit haar feiten blijkt dat het als type A moet worden geclassificeerd. Verder haalt ze met instemming Kager en Visch (1983) aan die betoogden dat de ongemarkeerdheid van prefinale klemtoon in langere woorden waarschijnlijk moet worden toegeschreven aan ritmische condities, maar deze intuitie komt in haar formalisatie verder niet tot uitdrukking. Een verklaring in termen van hoog geordende ritmische condities lijkt hier zeker aannemelijk, maar conditieherschikking is dan denkelijk niet meer nodig: de ritmische condities zouden zo geformuleerd moeten zijn dat ze wel van toepassing zijn op 'lange' woorden als catamaran en niet op kortere als Celebes.

7.

Er zijn weliswaar enkele potentiële verschillen tussen Nouveaus catalectische mora's en de hier gepresenteerde lege medeklinkers, maar deze liggen voor zover ik kan zien buiten het hier gepresenteerde. Zo zijn lege mora's van nature meer klinkerachtig dan lege medeklinkers en we zouden daaruit wellicht empirische verschillen tussen de twee kunnen halen (lege mora-plaatsen worden gemakkelijker gevuld door klinkerverlenging, lege consonant-plaatsen door geminatie). Deze overwegingen hebben echter weinig met klemtoon te maken en ik ben ervan overtuigd dat de onderstaande analyse herschreven zou kunnen worden naar een die gebruik maakt van catalectische mora's. Een voordeel van de in de tekst gemaakte keuze is echter dat hij neutraal is met betrekking tot de interne structuur van lettergrepen. Of een lettergreep bestaat uit mora's of uit aanzet- en rijmconstituenten maakt voor de hier gepresenteerde analyse geen verschil.

8.

De precies even complexe markering /choco(la.C)/ geeft een identieke uitvoer.

9.

De situatie zou veranderen als we onderliggend niet alleen voetstructuur konden toekennen maar ook de primaire klemtoon konden aanwijzen. Er is inderdaad geen reden om dit niet ook te doen. We kunnen dan echter aannemen dat de relevante conditie Respecteer Primaire Klemtoon voldoende laag te ordenen (onder Rechts) zodat nog steeds (b) boven (a) verkozen wordt.