Hypercorrectie als hyperoptimaliteit

Marc van Oostendorp

Dit is mijn bijdrage voor de Derde Sociolinguïstische Conferentie, maart 1999.

0. Inleiding

Hinskens, Van Hout en Wetzels (1997b) maken onderscheid tussen twee visies op taalvariatie in de optimaliteitstheorie (verder: OT) van Prince en Smolensky (1993) en veel volgend werk. De eerste visie stelt dat elke variant van een taal (bijvoorbeeld: elk register, elk lect) correspondeert met een aparte `grammatica'. Een spreker kiest in elke situatie het geschiktste deelsysteem. Dit model is gebaseerd op grammaticacompetitie. De andere visie beweert daarentegen dat er één grammatica voor elk taalsysteem en dat de variatie binnen de grammatica zit: er is een zogenaamde partiële ordening in het grammaticasysteem.

In dit artikel wil ik een argument geven voor het grammaticacompetitiemodel. Dit argument is gebaseerd op het verschijnsel hypercorrectie, dat volgens mij het best begrepen kan worden als een gedeeltelijke afbeelding van twee grammatica's op elkaar. In het kenmerkende geval zijn dit twee `grammatica's' die behoren tot hetzelfde taalsysteem, maar ik laat zien dat er ook hypercorrectie mogelijk is in een situatie van autenthieke tweedetaalverwerving (Nederlands-Duits).

Ik introduceer in dit verband het begrip hyperoptimaliteit. In de meeste formeel-theoretische literatuur, ook binnen OT, is sprake van één homogeen taalsysteem. Grammaticacompetitie relativeert dit door te stellen dat een taalsysteem kan bestaan uit een aantal grammatica's in competitie. Ik beweer daarenboven (Van Oostendorp 1997) dat deze grammatica's binnen één taalsysteem niet in een arbitraire relatie tot elkaar staan (zoals dat wel het geval is bij een tweetalige spreker van bijvoorbeeld het Chinees en het Turks). Het aldus geconstrueerde model van optimaliteitsgrammatica's plus lexica met onderlinge verbanden is wat ik aanduid met hyperoptimaliteit.

Ik probeer nu een verklaring van hypercorrectie te geven binnen het aldus geconstrueerde model. Dit is om twee redenen nuttig. Ten eerste hebben enkele van de voornaamste tegenstanders van het optimaliteitsmodel nu juist de hierboven beschreven Engelse hypercorrectie gebruikt als argument tegen dit model. Een tweede reden waarom het belangrijk is om hypercorrectie te bestuderen, is dat OT, in ieder geval in mijn ogen, een veelbelovend instrument is voor een unificerende theorie over taalvariatie: zowel voor variatie tussen talen als voor verschillende vormen van variatie binnen een taalsysteem. We kunnen stellen dat een optimaliteitsgrammatica is opgebouwd uit twee soorten krachten die respectievelijk het belang van de spreker en het belang van de hoorder representeren. Precies het soort variatie dat beschreven kan worden als een afweging tussen het belang van de hoorder versus het belang van de spreker, kan op een interessante manier beschreven worden in termen van OT (in Nederland is een extreme positie in dezen verdedigd door Boersma 1998). Hypercorrectie is echter nog een vrijwel onontgonnen terrein in dit kader. Het lijkt problematisch omdat het noch het articulatorisch belang van de spreker dient (die immers een beweging uitvoert die letterlijk tegennatuurlijk is), noch het perceptuele van de hoorder, die een hypercorrecte vorm niet beter begrijpt. Hypercorrectie is een onnatuurlijk aspect van natuurlijke taal.

Volgens de analyse die ik in dit artikel uiteenzet, dient hypercorrectie begrepen te worden als een gevolg van tweedetaalverwerving. Een spreker heeft twee (of meer) lexica en twee fonologische grammatica's in zijn hoofd: een lexicon en een grammatica voor zijn `eigen' variant, en een lexicon en een grammatica voor de prestigevariant die hij probeert te verwerven. Om deze grammatica's en vooral deze lexica zo economisch mogelijk te representeren, construeert de spreker een afbeelding van het ene taalsysteem op het andere. Dit is dan een voorbeeld van hyperoptimaliteit, dat buiten het eigenlijke optimaliteitssysteem valt.

In paragraaf 1 van dit artikel bespreek ik eerst een paar bekende voorbeelden van hypercorrectie. In paragraaf 2 ga ik in op de bezwaren die er vanuit de `traditionele' generatieve fonologie geopperd zijn tegen een optimaliteitsanalyse van de (Engelse) hypercorrectie. In paragraaf 3 bespreek ik bezwaren die aan de `traditionele' analyse zelf kleven. Paragraaf 4 geeft een eerste aanzet tot een analyse in termen van hyperoptimaliteit, en deze wordt voor het Oost-Amerikaans verder uitgewerkt in paragraaf 5. Paragraaf 6 sluit dit artikel af met een conclusie.

1. Voorbeelden

Zowel in de sociolinguïstische als in de fonologische literatuur speelt het begrip `hypercorrectie' weliswaar geen prominente rol, maar wel een constante. De discussie richt zich in dit verband vaak op de zogeheten `r-intrusie' die we vinden in veel Oost-Amerikaanse en Zuid-Oost-Britse dialecten van het Engels. Vooral bekend is het New Yorks, dat beschreven werd door Labov (1966), maar in de recente fonologische literatuur spelen ook de feiten uit het verwante dialect van oostelijk Massachusetts een rol (McCarthy 1991, Halle en Idsardi 1997). (Bredere dialectologische overzichten over dit verschijnsel in het Engels zijn te vinden in Wells 1982 en Harris 1994.)

Hoewel er veel variatie is in de details zijn de feiten in de dialecten uit de genoemde groep in essentie dezelfde. Al deze dialecten zijn niet-rotisch: een onderliggende /r/ verdwijnt voor een medeklinker en aan het eind van de zin, zoals blijkt uit de zinnen in (1a), maar niet voor een klinker, zoals blijkt uit de zinnen in (1b).

(1)a.the spar ([spa]) seems broken / I am breaking the spar [spa]

b.the spar ([spar]) is broken

In RP, de (Britse) standaarduitspraak, is het verschil tussen spar en spa verdwenen in de context voor een medeklinker of aan het eind van de zin, omdat beide woorden in deze context geen [r] hebben. De zinnen in (2a) klinken daarom precies hetzelfde als die in (1a). In de context voor een klinker maakt RP echter wel degelijk verschil tussen de twee woorden. Dit is af te leiden uit de vergelijking van (1b) met (2b):

(2)a.the spa ([spa]) seems broken / I am breaking the spa [spa]

b.the spa ([spa]) is broken

In de dialecten van het Engels waar het hier om gaat is het verschil tussen spa en spar verdwenen. In deze dialecten verschijnt er namelijk wel een [r] aan het eind van het woord spa voor een klinker. Men zegt dus (1a), (1b) en (2a), maar in plaats van (2b) zegt men (2c):

(2)c.the spa ([spar]) is broken

Dit verschijnsel wordt door het Engelstalige publiek ontvangen met hetzelfde gebrek aan sympathie dat men waarschijnlijk overal op de wereld reserveert voor hypercorrectie:1. het zou een bewijs van domheid zijn, van niet weten hoe de taal `eigenlijk' in elkaar zit.2.

Hypercorrectieverschijnselen in het Nederlands zijn bij mijn weten helaas nauwelijks in detail bestudeerd. We zouden hierbij kunnen denken aan het uitspreken van slot-n na een sjwa; Van Hout en Van der Velde (1998) geven voor dit verschijnsel een eerste voorzichtige analyse. Het voorbeeld waarop ik hier echter mijn aandacht wil richten is het stemhebbend maken van fricatieven als soep, cent, fiets en fraai met een [z] of een [v] in eerste positie. Het laatste soort hypercorrectie wordt in het corpus van Van de Velde (1996) nauwelijks aangetroffen; toch zijn er (pace Van der Velde) al in de jaren vijftig observaties en analyses van, en klachten over, dit verschijnsel te vinden. De oudste verwijzing die ik tot nu toe heb kunnen traceren is Michels (1956), die meldt dat hij zich kan herinneren dat hij de stemtoevoeging als student al opmerkte bij hoogleraren. Dat zou betekenen dat het proces zich al voor de oorlog deed gelden. Recentelijk lijkt er in de pers weer een kleine hausse van aandacht voor het fenomeen; zie bijvoorbeeld Kuitebrouwer (1996) en Koenen (1998). Al deze auteurs verklaren deze stemtoevoeging (onder andere) als een vorm van hypercorrectie. Omdat in dialecten als het Amsterdams stemhebbende fricatieven worden uitgesproken als stemloos hebben sprekers van deze dialecten juist de neiging om onderliggend stemloze medeklinkers stemhebbend te maken.

Een verschil tussen de Engelse r-feiten en de Nederlandse ruisklankfeiten is dat de eerste zich in ieder geval in sommige gebieden hebben weten te vestigen als een zelfstandig sociolect. In New York spreekt men (onder bepaalde sociale condities) nu eenmaal zo en niet anders. Met de ruisklanken ligt dat vooralsnog ingewikkelder: daar is blijkens het door Van der Velde (1996) gerapporteerde nog nauwelijks een evenwicht bereikt. Iemand die het ene moment [zup] zegt kan een minuut later best [sup] zeggen. In dit artikel neem ik zowel het Engelse als het Nederlandse voorbeeld in beschouwing.3.

2. Hypercorrectie: regelgebaseerde fonologie versus OT

In de regelgebaseerde generatieve fonologie die Chomsky en Halle (1968, SPE) volgde werd hypercorrectie meestal begrepen als regelinversie. Het New-Yorks kent in die visie een fonologische regel die een /r/ onder bepaalde omstandigheden weghaalt. Deze regel is bijvoorbeeld geformuleerd als in (3a). Sommige sprekers overgeneraliseren echter: zij passen de regel toe zonder context (3b). Sprekers die zich bewust zijn van het subnormatieve karakter van deze deletie, voegen een regel aan hun fonologische 'grammatica' toe die juist weer een [r] inserteert (3c). Deze regel is de oorzaak van de hypercorrectie:

(3)a.

R deletie: r -> 0 / ___ $

`/r/ verdwijnt in een lettergreepcoda'

b.

R deletie: r -> 0

`/r/ verdwijnt'4.

c.

R insertie: 0 -> r / [-high, -cons] ___ [- cons]

`/r/ verschijnt om de hiaat te delgen tussen een niet-hoge klinker en een volgende klinker.'

De grammatica van een `hypercorrecte' spreker is al met al behoorlijk ingewikkeld. De reden hiervoor is een (min of meer impliciet) dogma van de SPE-fonologie, namelijk dat de dialecten van een taal niet verschillen in hun onderliggende vormen maar alleen in hun fonologische regels. Ook de New Yorkse sprekers worden daarom verondersteld wel onderliggend verschil te maken tussen /spa/ en /spar/, ook al doen ze dit aan de oppervlakte nooit.

Langs dezelfde lijnen zouden we ook een beschrijving van de Nederlandse s/z-hypercorrectie kunnen maken: we nemen aan dat in het mentale lexicon van deze sprekers wel degelijk een verschil gemaakt wordt tussen zend en cent, zeven en saven, zussen en sussen, maar dat de spreker in eerste instantie een regel van verstemlozing (4b) toepast. (Deze regel kan misschien begrepen worden als een `overgeneralisatie' van de regel Verscherping in (4a) die in het standaard-Nederlands alleen in de coda werkt; dit zou de parallel met het Engels compleet maken.) Vervolgens zouden sprekers die zich bewust werden van de lage acceptabiliteit van hun stemloze fricatieven een regel (4c) toevoegen aan het eind van hun grammatica die niet alleen de effecten van de eerdere verstemlozing ongedaan maakt, maar ook de onderliggende stemloze ruisklank /s/ in /sup/ in een [z] verandert:

(4)a.

Verscherping: [-sonorant] -> [-stem] / ____ $

`Obstruenten worden stemloos aan het eind van een lettergreep'

b.

Verstemlozing: [-sonorant, + continuant] -> [-stem]

`Fricatieven worden stemloos'

c.

Stemtoevoeging: [-sonorant, + continuant] -> [+ stem] / $ ___

`Fricatieven worden stemhebbend aan het begin van een lettergreep'

In OT is geen plaats voor het soort herschrijfregels als in (3) en (4). In plaats hiervan bestaat de grammatica uit een verzameling condities op de oppervlaktestructuur van een vorm. Het proces van verstemlozing zou bijvoorbeeld niet meer beschreven worden met behulp van de regel in (4a), maar in plaats daarvan met een conditie als (5) die zegt dat ruisklanken niet stemhebbend mogen zijn.

(5)*[+continuant, +stem]

Interactie met een zogenaamde conditie op respect (`faithfulness constraint') zorgt voor verstemlozing. Een dergelijke conditie stelt dat segmenten niet onnodig hun specificatie voor stem verliezen. Alleen wanneer dit wordt afgedwongen (bijvoorbeeld door (5)) kan er iets met zo'n specificatie gebeuren. Dit is niet de plaats om een inleiding te geven in de voor- en nadelen van OT; hiervoor zij de lezer verwezen naar Archangeli en Langendoen (1997) en, in het Nederlands, Zonneveld (1996).

Veel artikels in Hinskens, Van Hout en Wetzels (1997a) laten zien dat OT interessante nieuwe aanknopingspunten biedt voor een kruisbestuiving tussen fonologische theorie en onderzoek naar taalvariatie (sommige bijdragen in Arnold e.a. 1996 hebben overigens dezelfde bedoeling). Volgens Halle en Idsardi (1997, verder aan te duiden als H&I) zou echter juist hypercorrectie een probleem zijn voor een OT-gebaseerde analyse van de grammatica: omdat er geen regels zijn, kan er ook geen regelinversie bestaan, en dus dus geen natuurlijke beschrijving van hypercorrectie. Aangenomen dat (5) actief is in de grammatica van een taal, is er geen enkele reden te bedenken waarom een spreker het effect van (4b) zou vertonen. Iets soortgelijks geldt voor het New Yorks:5. volgens H&I is een regelgebaseerde analyse van dit verschijnsel superieur aan een analyse gebaseerd op OT-condities.

Om het standpunt van H&I te begrijpen is het nuttig om kort te bezien welke OT-analyse zij precies bekritiseren. Het gaat hier om McCarthy (1993) (dat overigens gebaseerd is op McCarthy (1991) waarin een regelanalyse van dit verschijnsel werd voorgesteld, zij het een andere dan de hierboven gepresenteerde.) Voor McCarthy (1993) is r-deletie een natuurlijk proces en te beschrijven in termen van een conditie die [r] in de coda verbiedt, *r]. Interactie met andere condities beregelt nu onder andere dat de /r/ niet verdwijnt als hij in de onset van een andere lettergreep geplaatst is. (1a), (1b) en (2a) volgen aldus op een min of meer natuurlijke manier uit de werking van het optimaliteitssysteem, en dit wordt door H&I ook erkend.

Het probleem is gelegen in voorbeeld (2c). Het feit dat hier een medeklinker geïnserteerd moet worden kan op zichzelf begrepen worden, namelijk aan de hand van een conditie zoals NoHiatus:

(6)NoHiatus: Twee klinkers mogen niet naast elkaar staan.

Volgens NoHiatus is (2c) beter dan (2b) omdat in de laatste de sequentie [ai] voorkomt, die in de eerste ontbreekt. Wat we echter nog steeds niet begrijpen is waarom het nu uitgerekend een [r] is die hier ingevoegd wordt. Er is weinig natuurlijk aan die keuze: het `gewone' epenthetische segment is [r] allerminst. We zouden eerder een glottisslag of eventueel een [s] of een [t] verwachten. Die segmenten zijn immers allebei veel minder gemarkeerd dan de [r]. Optimaliteitscondities op de gemarkeerdheid van ingevoegd materiaal zouden dus voorkomen dat (2c) aan de oppervlakte kwam, en in plaats daarvan zou gekozen worden voor *The spat is broken of iets dergelijks.

McCarthy (1993) erkent op zijn beurt dit probleem. Als oplossing ervan stelt hij voor dat de r het resultaat is van een regel. Deze regel valt uiteraard buiten het optimaliteitssysteem, dat immers per definitie geen regels kent. Dit is nu precies het bezwaar dat H&I tegen deze aanpak hebben: dat hij gebruik moet maken van middelen die buiten het eigenlijke formele systeem vallen. Als er toch regels nodig zijn om hypercorrectie te beschrijven, kunnen we volgens H&I net zo goed regels gebruiken voor de rest van de fonologie.

3. Niet alle dialecten hebben dezelfde onderliggende vorm

De vraag of H&I gelijk hebben, is niet gemakkelijk empirisch te beantwoorden. Hun bezwaar is er vooral één van theoretische elegantie. Voor ik op het door hen aangeroerde probleem in kan gaan, wil ik eerst opmerken dat hun eigen regelgebaseerde analyse ook niet zonder problemen is.6. Ze veronderstelt bijvoorbeeld dat een spreker van het New-Yorks altijd weet dat spar onderliggend op een /r/ eindigt en spa niet. (Gedeeltelijk is deze aanname overigens gebaseerd op argumenten die ik in paragraaf 5 bespreek.) Een min of meer impliciete aanname van deze analyse is dat verwante dialecten alleen in hun grammatica's verschillen: in de aan- of afwezigheid van regels en mogelijkerwijs in de manier waarop die regels met betrekking tot elkaar geordend zijn.

Bij hypercorrectie is er altijd sprake van twee taalvarianten, een prestigieuze variant die ik P noem en een minder prestigieuze die ik M noem. De analyse van hypercorrectie nu is bij H&I tamelijk ingewikkeld. Ze gaat ervan uit dat M altijd een regel heeft die ontbreekt in P; in het New Yorks is dit r-deletie (3b), in de Nederlandse dialecten verstemlozing (4b). Ook dit is volgens mij een problematisch punt: waarom zouden de dialecten met een kleiner aantal regels altijd als prestigieus gelden? In een regelgebaseerd kader is de relatie tussen de vorm van de grammatica en het prestige dat aan deze vorm wordt toegekend inherent arbitrair (Van Oostendorp 1997).

Deze problemen komen volgens mij voort uit de veronderstelling dat verwante dialecten van een taal dezelfde onderliggende vorm moeten hebben. Die aanname is in sommige gevallen evident onjuist. Ik neem aan dat niemand zal willen beweren dat bijvoorbeeld de fonologische vormen ajuin en ui, die in verschillende dialecten van het Nederlands gebruikt worden voor dezelfde bolsoort, telkens van dezelfde onderliggende vorm zijn afgeleid. We zouden dan dus moeten aannemen dat dialecten alleen dan dezelfde onderliggende vormen hebben als hun oppervlaktevormen voldoende op elkaar lijken. De vragen waarom dit zo zou zijn, en hoe we in dit verband de notie `voldoende op elkaar lijken' zouden moeten definiëren, blijven we echter onbeantwoord: als het mogelijk is dat een dialect de lexicale vorm ajuin heeft in plaats van ui, waarom zou het dan niet mogelijk zijn dat een dialect de onderliggende vorm see heeft in plaats van zee of ca in plaats van car?

Ik denk daarom dat deze aanname moet worden verlaten. Ik denk dat lecten op twee manieren van elkaar kunnen verschillen zoals elke twee talen van elkaar kunnen verschillen, namelijk in hun lexicon én in hun grammatica. Als door een speling van het lot het Nederlands beschouwd zou worden als een dialectgroep van het Duits, zouden we per slot van rekening ook niet willen dat er fonologische regels waren die paard afleidden van Pferd.

Er is al met al geen enkele aanwijzing dat een spreker van het New-Yorks zich op het moment dat hij dialect gebruikt bewust is van het verschil tussen spa en spar. Aan de andere kant weet hij waarschijnlijk wel dat dit soort onderscheid in de prestigieuzere variant wel gemaakt wordt. Volgens mij heeft de gemiddelde spreker van het New-Yorks dus twee deelsystemen in zijn hoofd: één waarin het concept `auto' wordt autogedrukt door het woord ca, en één waarin datzelfde concept wordt uitgedrukt door het woord car, net zoals een gemiddelde moderne spreker van het Brabants zowel het woord ajuin als het woord ui in zijn hoofd heeft. De sleutel tot hypercorrectie is volgens mij gelegen in deze bilexicaliteit, die ik uitdruk met behulp van hyperoptimaliteit.

4. De relatie tussen lexicons in tweedetaalverwerving

Om het hierboven kort geïntroduceerde begrip hyperoptimaliteit inhoud te geven, is het zinnig naar tweedetaalverwervingsfonologie te kijken, al is het cursorisch (zie Archibald 1998 voor een recent overzicht). Onder de Nederlandse middelbareschooljeugd doet waarschijnlijk al vele decennia het volgende grapje de ronde:

(7)Das macht kein Flaus aus.

De grap zit hem er natuurlijk in de eerste plaats in dat een Nederlandse uitdrukking woord voor woord vertaald is, maar er is ook iets aan de hand met het woord Flaus, dat hier uiteraard ten onrechte gepresenteerd wordt als het Duitse equivalent voor fluit. Aan deze vertaling ligt een vergelijking ten grondslag, die we zouden kunnen noteren als: uit: aus = fluit: Flaus.

Zoals gezegd is (7) een grapje, maar het is wel een grapje dat een mechanisme blootlegt dat waarschijnlijk ten grondslag ligt aan `echte' vergissingen van tweedetaalverwervers. Dit geldt in het bijzonder voor de klinker. De Nederlandse diftong ui is afwezig in het Duits. De moedertaalspreker van het Nederlands observeert dat een groot aantal woorden die in zijn moedertaal een [/\y] bevatten, in de nieuwe doeltaal in plaats daarvan een [au] heeft:

(8)

Nederlands

 

Duits

muis
huid
vuist
muil
fluit

 

ui-> au

maus
haut
faust
maul
??

Respect >>
*/\y

herordening

*/\y >>
Respect

(8) is een eenvoudige vorm van een hyperoptimaliteitsmodel, waarin sprake is van twee optimaliteitssystemen die ieder voor zich bestaan uit een lexicon met onderliggende vormen en een grammatica. Omdat het Nederlands en het Duits betrekkelijk dicht in elkaars buurt liggen, is het mogelijk een dergelijk systeem op te stellen. Bij vergevorderde taalleerders worden de twee systemen waarschijnlijk weer losgekoppeld, zodat er geen interferentie meer is.

De eerste rij onder de taalnaam geeft het lexicon van de taal in kwestie, dat wil zeggen de lijst met onderliggende vormen. De tweede rij geeft het relevante deel van de optimaliteitsgrammatica. In dit geval zijn die grammatica's enigszins ad hoc opgesteld, omdat ze alleen dienen ter illustratie. Ze maken gebruik van een conditie die niet meer zegt dan `de diftong ui mag niet'. In het Duits is deze conditie ongeschonden, in het Nederlands is hij onderhevig aan respectcondities: onderliggende sequenties ui worden gerespecteerd.

Er zijn natuurlijk woordparen die niet of niet zo mooi in dit rijtje passen zoals duits-deutsch en natuurlijk fluit-Flöte, maar zij zijn waarschijnlijk niet in de meerderheid.8. Het is nu heel wel mogelijk om een correspondentie op te zetten: Nl. ui -> Du. au. Iemand die een redelijk omvangrijke Nederlandse woordenschat heeft en bezig is een Duits lexicon te verwerven, zou deze generalisatie op zeker moment kunnen opstellen, waarmee hij of zij zijn Duitse woordenschat aanzienlijk kan uitbreiden. Nu is deze generalisatie inderdaad te lezen als een herschrijfregel, net zoals de stemtoevoegende regel in (4b) en de r-invoegende regel in (1c) dat zijn. Het is dan wel een regel van een merkwaardig type, namelijk één die tussen twee lexica figureert, en alleen van toepassing is op die gevallen waarvan het Nederlandse woord wel bekend is, en het Duitse niet: iemand die het woord deutsch al kent, zal dit niet uitspreken als dautsch. De regel valt volgens mij inderdaad buiten de eigenlijke fonologische grammatica: het is een afbeelding tussen twee lexica die kenmerkend is voor tweedetaalverwerving. Ik beweer dat het juist wenselijk is om de verklaring van dit verschijnsel dan ook buiten de `eigenlijke' formele grammatica te zoeken, die immers is opgezet om de feiten van een natuurlijk, door eerstetaalverwervers opgezet systeem te verantwoorden, niet om de shortcuts te verantwoorden die een tweedetaalverwerver al dan niet terecht voor zichzelf opstelt. De verklaring van dit fenomeen valt volgens mij dan ook buiten het eigenlijke optimaliteitssysteem. Het is in plaats daarvan een voorbeeld van hyperoptimaliteit.

Hetzelfde is denk ik aan de hand in het geval van de Nederlandse hypercorrecte v en de New-Yorkse hypercorrecte r. In een optimaliteitsanalyse is de New-Yorkse grammatica zo geconstrueerd dat een woord-finale (of zinsfinale) r geen kans heeft om aan de oppervlakte te komen. Er is een belangrijke conditie aanwezig in de grammatica van dit dialect dat dit tot gevolg heeft; om concreet te zijn noem ik deze conditie *r], hoewel er ongetwijfeld (uit een fonetisch oogpunt) meer over te zeggen valt.

Na verloop van tijd verliest car zijn onderliggende /r/. Nieuwe taalverwervers hebben immers geen reden meer om deze consonant onderliggend aan te nemen. Als een New-Yorkse spreker de prestigevariant verwerft, moet hij een nieuwe fonologische lexicon construeren, dat ik hier even 'het prestigelexicon' noem. Hij observeert daarbij dat car (soms) wordt uitgesproken met een [r] en postuleert dus in zijn nieuwe lexicon een vorm car.

(9)

New-Yorks

 

`Prestigevariant'

ca
spa
idea

a-> ar

car
spar
??

*r] >>
Onset

herordening

Onset >>
*r]

Omdat de twee taalsystemen in deze figuur zeer dicht bij elkaar liggen, is een hyperoptimaliteitsconstructie in dit geval waarschijnlijker dan in dat van het Nederlands en het Duits. Tegelijkertijd moet de spreker ook een nieuwe fonologische grammatica verwerven voor de prestigevariant. Omdat de r ook daar nog niet in alle omstandigheden wordt uitgesproken, moet de New-Yorker ervan uitgaan dat de conditie *r] ook in die variant blijft gelden. Hij is alleen in die variant geordend onder enkele andere condities, zodat een woordfinale r wel aan de oppervlakte komt. Anders dan in de regelanalyse is de aanpassing in de grammatica dus minimaal. In plaats daarvan zien we een herstructurering van het lexicon. Interessant is dat de onderliggende vormen die voor de prestigevariant gepostuleerd worden, in theorie ook onderliggend zouden kunnen zijn. Ze zouden hier echter niet aan de oppervlakte komen. Dit zet de taalverandering die ik in paragraaf 5 bespreek in gang.

Voor de stemtoevoeging in het Nederlands zou hetzelfde kunnen gelden: ook hier is sprake van een overgeneralisatie van een afbeelding van het ene lexicon op het andere:

(10)

Stemloos Nederlands

 

Standaard-Nederlands

sie
sal
soep

s-> z

zie
zal
??

*[+cont, +stem] >>
Respect

herordening

Respect >>
*[+cont, +stem]

Tegelijkertijd blijven er beperkingen op de distributie van stemhebbende fricatieven: in de lettergreepcoda zullen ze nooit overleven, omdat in het standaard-Nederlands de condities op verscherping (Auslautverhärtung, final devoicing) precies even sterk zijn als in willekeurig welke variant van het Nederlands. Zelfs als een spreker deze vormen zou postuleren als odnerliggend in de standaardtaal, zouden ze nooit aan de oppervlakte komen in deze variant.

5. Het New Yorks als hypercorrect dialect

In deze paragraaf geef ik een nadere uitwerking aan de hierboven al geschetste analyse van het New Yorks. Ik herhaal de relevante feiten uit (1) en (2) in (13) en (14) hieronder:

(11)a.the spar ([spa]) seems broken / I am breaking the spar [spa]

b.the spar ([spar]) is broken

(12)a.the spa ([spa]) seems broken / I am breaking the spa [spa]

b.the spa ([spar]) is broken

Net als McCarthy (1991, 1993) en H&I neem ik aan dat de [r] in (13b) en (14b) ambisyllabisch is: hij sluit de voorafgaande lettergreep af en vult de aanzet van de volgende lettergreep.8. De lettergreepstructuur van de relevante onderdelen van deze twee zinnen is daarmee:

(13)

s

 

s

 

//|

\/

|\

 

spa

r

is

Ik ga hier uit van een spreker die de prestigevariant probeert te benaderen. In de zinnen in (11a) moet de als onderliggend gepostuleerde r verdwijnen. De reden hiervoor is de al genoemde conditie op oppervlaktestructuur *r], die de zogenaamde respectconditie die zegt dat onderliggende segmenten aan de oppervlakte moeten komen domineert:

(14)

/sparsims/

*r]

Respect

sparsims

*!

 

spasims

 

*

In het voorbeeld the spar is broken is er iets anders aan de hand. Als we de r daar zouden verwijderen, zouden we een lettergreep zonder medeklinker in de aanzet creëren (is). Kennelijk is dat nog minder gewenst dan het behouden van de r in de coda.9. Dit wordt geïllustreerd in het volgende tableau:

(15)

/sparIs/

Onset

*r]

Respect

sparIs

 

*

 

spaIs

*!

 

*

Het punt is nu dat we precies dezelfde tableaus kunnen geven voor de zinnen met het woord spa. Ook hiervoor wordt door de hypercorrecte spreker een onderliggende vorm spar gepostuleerd.

Deze visie op de Oost-Amerikaanse hypercorrectie is technisch niet zo erg anders dan wat door McCarthy (1993) is voorgesteld, maar het lost naar mijn overtuiging wel enkele conceptuele problemen op die aan McCarthy's benadering kleven. Het belangrijkst is daarbij dat we ons niet meer hoeven af te vragen waarom de epenthetische consonant een r is en niet een eenvoudiger medeklinker zoals de t: de consonant in kwestie is namelijk helemaal niet epenthetisch, maar onderliggend.

Toch blijven er nog twee kwesties open. In de eerste plaats kunnen we ons afvragen of we hier nog wel te maken hebben met hypercorrectie; r-insertie en r-deletie lijken veeleer beide deel uit te maken van de grammatica van een dialect: het New Yorks. In de tweede plaats beweren H&I dat er ook in het New-Yorkse dialect van het Amerikaans Engels wel degelijk fonologische evidentie is om aan te nemen dat sommige woorden wel en andere niet onderliggend al een klinker hebben.

Ik begin met de eerste kwestie. Hierboven heb ik beweerd dat hypercorrectie beschreven moet worden als een voorbeeld van tweedetaalverwervingsfonologie. Nu is het onwaarschijnlijk dat het New Yorkse dialect beschreven kan worden als permanente en door alle sprekers gedeelde tweedetaalverwerving. Minstens voor een deel van de sprekers van dit dialect zal het New Yorkse systeem toch het eerste systeem zijn dat ze verwerven, terwijl ze het prestigieuzere lexicon pas later aanleren. Wat hier dan echter gebeurd is, is dat deze sprekers het linkersysteem in (11) verworven hebben als hun moedertaal. Dit systeem komt niet overeen met de `echte' prestigevariant, maar met de `hypercorrecte' variant zoals die door hun ouders indertijd geprojecteerd is. Van hyperoptimaliteit is bij deze kinderen niet langer noodzakelijkerwijs sprake: zij kunnen toe met een lexicon en een grammatica; al zullen veel kinderen ongetwijfeld hun best doen om nog dichter in de buurt van de prestigevariant te komen.

Dat brengt me bij de tweede hierboven aangeroerde kwestie. Volgens H&I is er wel degelijk aanleiding om te veronderstellen dat ook de Oost-Amerikaanse dialecten verschil maken tussen woorden met en woorden zonder tussenliggende r. Ik citeer enkele van hun voorbeelden in (16):

(16)Volt[ej]icalt[@r]ation

algebr[ej]icHom[er]ic

Het betreft hier zogenaamde `Niveau I'-suffixen zoals -ic en -ation in de zin van de Lexicale Fonologie. Voor suffixen van Niveau II zoals -ing wordt het verschil -- net als op de grenzen van woorden -- volledig opgeheven:

(17)draw[r]-ingrumba[r]-ing

draw[r] Annrumba[r] acts

Het punt is hier dat suffixen van Niveau I als -ic en -ation over het algemeen tamelijk `geleerde' suffixen zijn en bovendien weinig productief. Het is tamelijk onwaarschijnlijk dat er in het soort tweetalige situaties waar we het hier over hebben veel gebruik gemaakt wordt van dialect om te spreken over voltaïsch en algebraïsch.10. Voor zover dit gebeurt zou hier dan ook nog eens sprake kunnen zijn van leenvormen uit de prestigevariant, die in hun geheel en zonder r geleend worden. Omdat de relevante generalisaties alleen gaan over de r aan het eind van een woord, worden de vormen in (16) hierdoor niet aangetast, net zo min als bijvoorbeeld de vorm Aida (*[arida]) die H&I ook noemen.

6. Conclusie

Zoals in de inleiding gemeld, maken Hinskens, Van Hout en Wetzels (1997b) onderscheid tussen twee modellen van taalvariatie: grammaticacompetitie en partiële ordening. Naar mijn mening biedt een grammaticacompetitiemodel de beste vooruitzichten op een adequate beschrijving, mits deze wordt aangevuld met een goede theorie over de mogelijke relaties tussen grammatica's binnen één systeem, tot een model dat ik hyperoptimaliteit gedoopt heb. Hypercorrectie is een van de argumenten voor deze voorkeur. Het verschijnsel toont aan dat sprekers zich bewust kunnen zijn of worden van de grammaticale én lexicale verschillen tussen taalsystemen. Dit kan volgens mij vrij eenvoudig beschreven worden met hyperoptimaliteit, maar dit begrip veronderstelt dat er inderdaad sprake is van onafhankelijke en intern invariabele systemen. Het is moeilijker een dergelijke betrekkelijk eenvoudige oplossing voor een fenomeen als hypercorrectie te vinden als we uitgaan van partiële ordening. Dat laatste model loopt tegen precies het soort problemen aan waar H&I tegen waarschuwen -- het is onduidelijk wat het verband is tussen het feit dat je in een bepaalde variant geneigd bent een r te verwijderen en tegelijkertijd eenzelfde r tussenvoegt -- terwijl hyperoptimaliteit uitzicht biedt op een volwaardig model van taalvariatie, waarin fonologische en sociolinguïstische theorie elkaar raken en aanvullen.

Noten

1. Ik wil overigens niet suggereren dat het in deze gevallen noodzakelijkerwijs altijd RP is dat door de norm wordt aangehouden door degenen die hypercorrect spreken en/of door hun critici.

2. Harris (1994) citeert bijvoorbeeld een artikel in The Guardian van 3 oktober 1990 (Edward Pearce, `Unspoken shifts in the spoken word') waarin wordt gesteld: ``there is one recent development which needs hitting on the head. It is the revanchist expansion of our old enemy, the intrusive``r'',... now pitching for end-vowels. This gives us most hideously the perversion of draw into dror and the subsequent scream-inducing droring.''

3. Sommige schrijvers rapporteren een intuïtie dat de hypercorrectie ouder en persistenter is bij s/z dan bij f/v. Van der Velde (1996) geeft naar mijn smaak overtuigende argumenten om deze rapportages met enige scepsis te bezien. Hij wijst erop dat de /s/ nu eenmaal veel frequenter is dan de /f/ en dat hypercorrecties daarom bij het eerste segment waarschijnlijker zijn dan bij het tweede. Bovendien wijst hij erop dat de fonetische afstand tussen [f] en [v] kleiner is dan die tussen [s] en [z]: een eventuele hypercorrectie valt daarom in het tweede paar sneller op dan in het tweede.

4. Strikt genomen is deze regel weer iets te algemeen geformuleerd: in geen enkel dialect verdwijnt een /r/ uit de woord-initiële onset (geen enkele spreker van enige variant van het Engels zegt [ed] in plaats van [red]. Ik ga hier in het vervolg van mijn betoog aan voorbij.

5. Eigenlijk schrijven Halle en Idsardi over het dialect van Boston maar de verschillen tussen de twee dialecten zijn in dit verband te verwaarlozen.

6.Ik ga hier voorbij aan enkele technische problemen die Halle & Idsardi zelf opmerken en die te maken hebben met de theorie van regelordening en het zogenaamde Elsewhere Principle.

7. Deze conclusie zouden we in ieder geval kunnen trekken uit een steekproef van 39 mono- en bisyllabische Nederlandse woorden met uit of uid die ik heb gehouden. Ik ontleende deze woorden aan Bakker (1996). Uit de lijst een- en tweelettergrepige woorden die Bakker geeft, verwijderde ik alle rechtstreekse afleidingen van het voorzetsel uit en bovendien alle termen die duidelijk waren afgeleid van al bestaande woorden (geduid van duid). Zo hield ik het genoemde aantal van 39 woorden over; van deze zocht ik de Duitse equivalent op in Cox (1986). Overigens correspondeerde de finale stop in de Nederlandse vorm in slechts weinig gevallen met een finale fricatief in de Duitse vorm. Deze hypercorrectie moet daarom waarschijnlijk alleen worden toegeschreven aan de directe nabijheid van aus.

8. Volgens McCarthy (1993) is er ook fonetische evidentie voor deze veronderstelling: ``the r in `sawr eels' is considerably more vocalic [than the r in `saw reels'], with more energy at all frequencies.'

9. Om de discussie niet onnodig te compliceren, heb ik de analyse van McCarthy (1993) enigszins vereenvoudigd. Ik verwijs naar dat artikel voor meer details.

10.Een punt is dan weer wel dat vormen als algebra[r] is difficult weer wel worden aangetroffen en het niet meteen duidelijk is dat algebra tot een ander register hoort dan algebraic. Merk echter op dat in de laatste vorm de kwaliteit van de klinker ook anders is, namelijk [e] in plaats van [a]. Het verschil in medeklinkerepenthese zou hieraan kunnen worden toegeschreven.

Bibliografie

Archangeli, D. & D.T. Langendoen (1997), Optimality theory: an overview. Oxford: Blackwell.

Archibald, J. (1998), Second language phonology. Amsterdam: John Benjamins

Arnold, J., R. Blake, B. Davidson, S. Schwenter and J. Solomon (eds.) (1996), Sociolinguistic variation: data, theory, and analysis; selected papers from NWAV23 at Stanford. Stanford: CSLI.

Bakker, J. (1996) Nederlands rijmwoordenboek. Amsterdam: Bert Bakker. Vijfde herziene druk. Eerste druk verscheen 1986.

Boersma, P. (1998), Functional phonology. Den Haag: HAG.

Chomsky, N. & M. Halle (1968), The sound pattern of English. Cambridge (MA): The MIT Press.

Cox, H.L. (ed.) (1986), Van Dale Groot Woordenboek Nederlands-Duits. Utrecht: Van Dale Lexicografie.

Hamans, C., (1984), Zuiker en zoep. In NRC Handelsblad 2 juli.

Halle, M. & W. Idsardi (1997), R, hypercorrection, and the Elsewhere Condition, in I. Roca (ed.) Derivations and constraints in phonology. Oxford: Clarendon.

Harris, J. (1994), English sound structure. Oxford (UK) en Cambridge (Massachusetts): Blackwell.

Hinskens, F., R. van Hout, & L. Wetzels (eds.) (1997a), Variation, change and phonological theory. Amsterdam: John Benjamins.

Hinskens, F., R. van Hout, & L. Wetzels (1997b), Balancing data and theory in the study of phonological variation and change, in F. Hinskens, R. van Hout, en L. Wetzels (1997a).

Koenen, L. (1998), Prettige zweer, NRC Handelsblad 14 september.

Kuitebrouwer, J. (1996) Hedenlands: Klein lexicon van het gaande en komende taaljaar. Amsterdam: Prometheus.

Labov, W. (1966), The social stratification of English in New York City. Washington: Center for applied linguistics.

McCarthy, J. (1991), Synchronic rule inversion, Proceedings of the Annual Meeting of the Berkeley Linguistics Society 17: 192-207.

McCarthy, J. (1993), A case of surface constraint violation, Canadian Journal of Linguistics 38: 169-195.

Michels, L.C. (1956), Een geleerd germanisme, Onze taal 25.5: 18-19.

Oostendorp, M. van. (1997), Style levels in conflict resolution, in F. Hinskens, R. van Hout en L. Wetzels (1997a).

Prince, A. en P. Smolensky. (1993), Optimality theory: constraint interaction and satisfaction in generative grammar. Manuscript.

Wells, J. (1982), Accents of English. Cambridge: Cambridge University Press. 3 delen.

Zonneveld, W. (1996), Optimaliteittheorie: vanwaar waarheen?, Nederlandse taalkunde 1.2: 89-125.