Helga Humberts Abstracte Segmentfonologie

Marc van Oostendorp

Dit artikel verscheen in Nederlands Taalkunde, 1998.

Helga Humbert Phonological Segments; Their Structure and Behaviour. Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden. Den Haag, Holland Academic Graphics, 1995.

0. Inleiding

De vraag hoe abstract de fonologie is, is de laatste jaren weer actueel geworden. Een aantal, meest Amerikaanse, onderzoekers, heeft de aanval ingezet op de grondslagen van de autosegmentele en metrische fonologie van de jaren tachtig, die volgens hen te abstract zijn en een te gering verklarend vermogen hebben. Zo ontkent Padgett (1995) het belang van boomstructuren in de interne representatie van segmenten, Steriade (1995) dat van prosodische licensering en Gafos (1996) dat van aspecten van de organisatie in autosegmentele tiers. Archangeli en Pulleyblank (1994) stellen dat fonologische regels of condities gegrondvest moeten zijn in de fonetiek. 

In de Nederlands taalkunde lijkt de dominante denktrant vooralsnog een meer abstracte. Een uitstekend voorbeeld hiervan wordt geleverd door dit proefschrift, waarop Helga Humbert in juni 1995 te Leiden promoveerde. De theorie die in het boek wordt voorgesteld is geïnspireerd door ideeën uit de dependentiefonologie (zie Ewen 1995 voor een recent overzicht), de radicale CV-fonologie (Van der Hulst 1994) en de theorie over kenmerkgeometrie (Clements en Hume 1995) en is daarmee in hoge mate abstract. Dit is op zichzelf geen voor- of nadeel. Humbert werkt haar standpunt echter op een zeer originele manier uit, is erudiet en kan bogen op enkele zeer elegante analyses. Hoewel ze niet in directe discussie gaat met de concretere school -- vrijwel geen enkel van de hierboven genoemde werken was geschreven toen Humbert haar werk afrondde -- zal haar proefschrift voor elke serieuze aanhanger van die school enkele grote problemen stellen.  

nederlandse taalkunde<>heeft in ieder geval één probleem: hoeveel talen er ook besproken worden, nergens is meer dan cursorische aandacht voor de fonologie van het Nederlands. Daar staat tegenover dat Humbert een zeer algemene theorie voorstelt die ook op deze taal van toepassing zou moeten zijn. Naar mijn mening is een dergelijke toepassing daadwerkelijk mogelijk, zoals ik in het onderstaande wil laten zien. Ook enkele bezwaren tegen Humberts theorie kunnen aan de hand van het Nederlands worden aangetoond.  

1. Fonologische Segmenten

Het proefschrift bestaat uit twee delen. In het eerste deel zet Humbert haar theorie over segmentstructuur uiteen, die ze in het tweede deel toepast op enkele concrete fonologische fenomenen. Deze indeling is vanuit een retorisch oogpunt wat minder gelukkig. De lezer moet zich eerst door ongeveer 140 bladzijden met theoretische uiteenzettingen heenwerken waarvan het nut niet altijd even duidelijk is. Die duidelijkheid komt pas in de toepassing van het opgebouwde apparaat in deel II. Wanneer de beschouwingen in deel I en de analyses in deel II iets nauwer verweven waren, was dit de leesbaarheid van het boek waarschijnlijk ten goede gekomen. 

Deel I bestaat uit drie hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk geeft Humbert een verantwoording van enkele theoretische aannamen die ze gedaan heeft. Ze verdedigt onder andere haar keuze voor een kenmerksysteem dat principieel unair is maar desondanks enkele binaire trekken vertoont. In haar theorie zijn plaatsknopen afhankelijk van elkaar. De drie plaatselementen (genaamd A, I en U, zoals gebruikelijk in het dependentiekader) staan in een onderlinge afhankelijkheidsrelatie tot elkaar en tot drie ongelabelde knopen die hun interpretatie zuiver ontlenen aan een structurele positie. De structuur direct onder de klinkerplaatsknoop is bijvoorbeeld de volgende:

(1)



			 	v-pl
			    / \
			   [A] .{hoog}
			  / \
			[I] . {achter}

Het element A kan worden gelezen als 'laag'. Zijn ongelabelde zuster geldt daarom per afspraak als 'hoo'g. Op dezelfde manier wordt [I] gelezen als 'voor' en zijn zuster als 'achter'. Het heeft volgens Humbert grote theoretische voordelen om deze structuur aan te nemen in plaats van een traditioneel kenmerkgeometrisch model: (1) de structuur is strict binair vertakkend en heeft alleen unaire kenmerken.

Hoofdstuk 2 behandelt de representatie van obstruenten en hoofdstuk 3 de representatie van sonoranten, dat wil zeggen nasalen, liquidae, glijklanken en klinkers. Interessant is haar formalisering van de hoofdklassekenmerken. Humbert neemt aan dat klinkers een V (voor vocalic) als wortel krijgen en medeklinkers een C (voor consonantal). Fricatieven en nasalen krijgen een complexe wortel:

(2)

C
C

V

V

C

V
plosief
fricatief
nasaal
klinker/liquida

Bij complexe wortels modificeert de onderste C of V de bovenste: een fricatief is een klinkerachtige obstruent, een nasaal een sonorant met een medeklinkerachtige kwaliteit.

Het belangrijkste discussiepunt in deze hoofdstukken is complexiteit. Humbert ontwikkelt een uitgebreide theorie over welke vormen van secundaire articulatie wel of niet kunnen optreden in talen van de wereld. De verklaring die ze geeft is niet altijd vrij van stipulatie. Zo wordt er gebruik gemaakt van principes als (3) [Humberts (41)]:

(3) The Dominance of C Principle (DOC)
Where a C-component occurs in combination with other structure, it is always dominant.

Dit principe moet onder andere verklaren waarom medeklinkerkenmerken vrijwel nooit spreiden, maar het doet dit door het verschil tussen medeklinkers en klinkers (C's en V's) in de formulering in te bouwen. Een gespreid kenmerk kan namelijk niet dominant zijn: dat is de reden waarom C-componenten niet kunnen spreiden en V-componenten wel. Het probleem is dat nog steeds onverklaard blijft waarom UG wel een DOC heeft en geen parallel Dominance of V Principle. De concrete school geeft hier als verklaring dat C-gerelateerde kenmerken verwijzen naar min of meer totale obstructie in de mond. Een dergelijke obstructie kan niet spreiden, en zeker niet spreiden door klinkers die immers een minimale obstructie hebben. Omgekeerd kunnen klinkerkenmerken, die bijvoorbeeld verwijzen naar een vervorming van de achterkant van de tong of van de lippen wel degelijk spreiden over consonanten heen, zonder die consonanten articulatorisch of akoestisch op een onacceptabele wijze te vervormen. Het zou interessant zijn wat meer te weten te komen over de manier waarop Humbert het bestaan van (3) verklaart.

Het tweede deel van het proefschrift beslaat de hoofdstukken 4 tot en met 7. Aan de orde komen nasalisatie in het Guaraní, het Frans en het Sundanees, sibilantharmonie in het Chumash, retroflexie in het Sanskrit, laryngale modificatie in het Yucatec, het Grieks, het Salish en het Klamath en een relatief korte bespreking van secundaire articulatie in een aantal talen. De hier gegeven analyses getuigen stuk voor stuk van een brede kennis van de literatuur, zowel de theoretische als de descriptieve. De bespreking van het Sanskriet is een goed voorbeeld. Humbert probeert in deze bespreking een geünificeerde analyse van twee vormen van retroflexering te geven: de vorm van reftroflexspreiding naar n op lange afstand die in de literatuur bekend staat als nati en de retroflexering van coronale plosieven door een naastliggende s. Humbert laat zien dat een behandeling van het Sanskrit in de kenmerkgeometrie (Steriade 1986, Sagey 1986) op grote problemen stuit. Ik kan daarbij aantekenen dat ook een meer recente en meer concrete beschrijving als Gafos (1996) er niet in slaagt deze problemen op te lossen. Dat Humberts eigen oplossing de introductie vergt van een uiterst gemarkeerde s -- die niet vergezelt gaat van minder gemarkeerde tegenhangers zoals we misschien zouden verwachten -- neem ik daarbij op de koop toe.

2. Nasaalassimilatie

Zoals gezegd komt het Nederlands nauwelijks aan de orde in Humberts proefschrift, maar aan de hand van nasaalassimilatie in deze taal kunnen we toch een aantal voor- en nadelen van haar analyse demonstreren. Voor de bespreking hiervan kunnen we ons rechtstreeks op Humberts proefschrift richten. Het boek gaat weliswaar niet in op de feiten van het Nederlands, maar wel op die van het Engels (in paragraaf 7.3), en voor de doelstellingen van deze bespreking zijn die voldoende gelijk:

(4) ?Engels (=Humberts (22))
iN+perfect -> i[mp]erfect
iN+duction -> i[nd]uction
iN+capable -> i[nk]apable
Nederlands
iN+populair -> i[mp]opulair
iN+ductie -> i[nd]uctie
iN+competent -> i[nk]ompetent

De kapitaal N staat hier voor een onderliggende plaatsloze nasaal; een cursieve [n] geeft een velaire nasaal weer. Wat betreft dit assimilatieproces rijzen nu enkele vragen. Eén vraag is specifiek voor Humberts theorie. Zij gaat ervan uit dat er twee mogelijke motivaties zijn voor spreiding: een kenmerk kan spreiden omdat het zelf moet (dit is volgens Humbert de eigenlijke spreiding), of omdat het doelsegment dat wil (dit noemt Humbert snatching, wat ik zal vertalen met 'grijpen'). De vraag is dan natuurlijk of (4) een geval is van grijpen (de plaatsloze nasaal wil een plaatskenmerk hebben) of van spreiden (het plaatskenmerk wil naar links). Humbert overweegt beide mogelijkheden en kiest uiteindelijk voor het grijpen. Haar argument is dat alleen gespreid wordt naar de plaatsloze nasaal en niet naar andere segmenten. Het is dus kennelijk een inherente eigenschap van de nasaal dat er in deze gevallen gespreid wordt; de nasaal is de feitelijke veroorzaker van de spreiding. Dat komt goed uit, omdat Humbert in het eerste deel van het boek een theorie heeft ontwikkeld waaruit volgt dat medeklinkerkenmerken nooit uit zichzelf kunnen spreiden. Ze kunnen hooguit gegrepen worden.

>Vervolgens beweert Humbert dat haar analyse een voordeel biedt boven die van anderen, omdat de feiten in (5) door haar wel, maar door anderen niet kunnen worden begrepen:

>(5) *o[bm]oxious o[bn]oxious *o[dn]oxious

Het probleem is hier dat een nasaal kennelijk niet de kenmerken grijpt van een voorafgaande medeklinker. Dit is volgens Humbert goed te begrijpen, omdat in deze gevallen de nasaal in de aanzet van de lettergreep staat, niet in de coda, zoals in (4). Uit de literatuur is bekend dat coda's de locatie bij uitstek bieden voor plaatsloosheid (Itô 1986, Trigo 1988, Kaye 1990). De plaatsloze nasalen zijn in daarom wel mogelijk maar in (5) niet. Als een nasaal niet plaatsloos is heeft hij weinig reden een plaatskenmerk te grijpen. Omdat medeklinkerplaatskenmerken niet uit zichzelf spreiden, worden de juiste voorspellingen gedaan.

Het is waar dat er weinig andere theorieën over segmentstructuur en spreiding zijn die dezelfde voorspelling maken. We kunnen hierbij nog aantekenen dat enkele Oost-Nederlandse dialecten aantonen dat de feiten in (5) niet moeten worden geweten aan een restrictie op de richting van spreiding maar inderdaad op de plaats in de lettergreep waar de nasaal staat (Jan Nijen Twilhaar, p.c.):

(6) hebm 'hebben'
makn 'maken'
etn 'eten'

In deze dialecten wordt wel degelijk gespreid, maar alleen naar syllabische sonoranten, waarvan we zouden kunnen aannemen dat ze in de coda (Ní Chiosáin en Padgett 1996) staan, of in ieder geval in het rijm. Spreiding naar een aanzetpositie komt echter ook in deze gevallen niet voor. Andere theorieën kunnen voor zover ik weet deze voorspelling niet echt aan. Ook een recente behoorlijk concrete benadering als die van Gafos (1996) gaat ervan uit dat er in principe geen bezwaar bestaat tegen de verplaatsing van medeklinkerkenmerken. De feiten in -(6) blijven daarmee onverklaard.

Toch is naar mijn overtuiging ook Humberts eigen analyse niet zonder problemen. In de eerste plaats is de veronderstelling dat medeklinkerplaatskenmerken anders dan de kenmerken van klinkers niet spreiden zoals we hierboven gezien hebben uiteindelijk niet meer dan een stipulatie. Het is weliswaar een stipulatie die Humbert ook op andere plaatsen met succes weet toe te passen, maar niet een die ze kan laten volgen uit haar formalisme. Daar komt nog bij dat (5) ook onder deze hypothese niet helemaal verklaard is. Met name geldt dit voor Humberts eigen vorm *o[dn]oxious. De vraag is hier waarom deze vorm niet zou kunnen zijn afgeleid van een sequentie van een onderliggende plaatsloze plosief, gevolgd door een coronale nasaal. Waarom zijn nu juist nasalen zo gevoelig voor spreiding van plaatskenmerken? Ik geloof niet dat er enig axioma in Humberts boek gevonden kan worden waar dit uit volgt. De onderzoekster merkt overigens dit probleem zelf in hoofdstuk 8 in het voorbijgaan op. Zolang dit echter niet is opgelost, kunnen we niet volhouden dat (5) volledig begrepen is.

Overigens vraagt een anonieme beoordelaar van Nederlandse Taalkunde of Humberts analyse de assimilatiefeiten in het Nederlandse diminutief kan verklaren (raam-pje, koning-kje, lepel-tje, enz.) Voor zOver ik kan zien is dit niet het geval: de richting waarop assimilatie gaat, lijkt in deze gevallen verkeerd (van de coda naar de aanzet). Ik geloof echter niet dat we dit als een groot bezwaar tegen Humberts voorstel moeten beschouwen. De interactie tussen morfologie en fonologie is bij het diminutiefsuffix notoir ingewikkeld. Ik kan me voorstellen dat Humbert voor deze gevallen zou kiezen voor een theorie van allomorfieselectie, in plaats van een fonologische analyse.

3. Conclusie

Helga Humberts dissertatie staat vol ideeën, inzichten en observaties. Ze geeft een abstracte analyse van fonologische segmentstructuur die in menig opzicht een uitdaging vormt voor degenen die een meer concreet model van de interactie tussen fonologie en fonetiek voorstaan. Het empirisch bereik van haar boek is zeer groot. In deze recensie heb ik vooral willen onderzoeken in hoeverre de inzichten uit haar proefschrift een bijdrage zouden kunnen leveren aan een beter begrip van de fonologie van het Nederlands.

Weliswaar biedt Humberts onderscheid tussen spreiden en grijpen enig houvast in een beter begrip van het onderscheid tussen nasalen in de coda en die in de aanzet, maar zolang het verschil tussen nasalen en orale obstruenten onverklaard blijft, is dit inzicht slechts relatief. Alles bij elkaar zet Humberts werk echter aan tot een hernieuwd nadenken over oude problemen. Haar proefschrift is een indrukwekkend boek.

Referenties

Archangeli, D. en D. Pulleyblank (1994) Grounded Phonology, Cambridge, Mass, The MIT Press.  
Clements, N. en E. Hume (1995) 'The Internal Organization of Speech Sounds,' in J. Goldsmith, red. The Handbook of Phonology, Cambridge, Mass. en Oxford, Blackwell Publishers. pp. 245 - 306.  
>Ewen, C. (1995) 'Dependency Relations in Phonology,' in J. Goldsmith, red. The Handbook of Phonology, Cambridge, Mass. en Oxford, Blackwell Publishers. pp. 570 - 585.  
Gafos, A. (1996) The Articulatory Basis of Locality in Phonology, Proefschrift Johns Hopkins Universiteit.  
Haas, W. de en J. Nijen Twilhaar (1989) ÎConsonant-nasaalassimilatie in Oostnederlandse Dialecten,â Tabu 19:181-195.
Hulst, H. van der (1994) 'Radical Phonology: The Location of Gesture,' UCL Working Papers in Linguistics, 6:439-477. 
Itô, J. (1986) Syllable Theory in Prosodic Phonology, Proefschrift Universiteit van Massachusetts te Amherst.
Kaye, J. (1990) "'Coda' Licensing', Phonology 7:301-331.
Kiparsky, P. (1968) 'How Abstract Is Phonology?' in: O. Fujimura, red., Three Dimensions of Linguistic Theory, Tokyo, Taikusha. pp. 1-136.  
Lombardi, L. (1991) Laryngeal Features and Laryngeal Neutralization, Proefschrift Universiteit van Massachusetts te Amherst. 
Ní Chiosáin, M. en J. Padgett, 'Implications of Strict Locality in Spreading,' manuscript University College Dublin en Universiteit van Californië te Santa Cruz.
Nijen Twilhaar, J. (1989) 'Domeinen van assimilatie en het clitisch gedrag van het lidwoord een,' GLOT 12:139151.
Padgett, J. (1995) 'Feature Classes,' in: J. Beckmann et al., red., University of Massachusetts Occasional Papers in Linguistics 18:385-419. Amherst, Mass., GSLA.  
Sagey, E. (1986) The Representation of Features and Relations in Non-Linear Phonology, Proefschrift MIT.
Steriade, D. (1986) 'A Note on Coronal,' Manuscript MIT.
Steriade, D. (1995) Positional Neutralisation, Manuscript, Universiteit van Californië te Los Angeles.  
Trigo, L. (1988) On the Phonological Derivation and Behavior of Nasal Glides, Proefschrift MIT.