Friese lettergrepen en fricatieven

Marc van Oostendorp

Geschreven voor It Beaken, het wetenschappelijk tijdschrift van de Fryske Akademy

Willem Visser, The Syllable in Frisian, Proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam, 1997. Promotor: Prof. dr. G.E. Booij. Holland Institute of Generative Linguistics Dissertations 30.

1. Inleiding

De structuur van de Nederlandse lettergreep is de afgelopen vijftien jaar een onderwerp van onderzoek geweest voor veel generatieve fonologen (zie bijvoorbeeld Trommelen 1984, Van der Hulst 1984, Kager 1989, Fikkert 1994, Booij 1995, Van Oostendorp 1995). Over verwante talen is er minder werk verschenen; voor het Duits alleen Hall (1992) en Wiese (1988), en voor het Noors Kristoffersen (1992). Aparte recente monografieën over de lettergreep in andere Scandinavische talen of het Engels zijn er bij mijn weten niet. Ook over de Friese lettergreep was tot voor kort geen gesystematiseerd materiaal voorhanden, maar Willem Visser maakt met zijn dissertatie een einde aan deze situatie. In ruim 400 bladzijden wordt een indrukwekkend aantal (grotendeels voor het eerst door Visser beschreven) feiten besproken en in een generatief kader geplaatst.

In deze recensie geef ik eerst een overzicht van Vissers proefschrift in paragraaf 2. In paragraaf 3 ga ik als illustratie van de voor- en nadelen van Vissers werkwijze kort in op een casus: de behandeling van de distributie van het kenmerk [stemhebbend] in fricatieven.

2. Overzicht van het proefschrift

De aandacht gaat bij Visser in de eerste plaats uit naar de kern van de lettergreep, dat wil zeggen naar de fonologie van klinkers en van syllabische consonanten. Na een korte algemene inleiding in de dialectsituatie in Friesland en in het Friese foneemsysteem in hoofdstuk 1, geeft Visser in hoofdstuk 2 een gedetailleerde analyse van de syllabificatie van ongelede woorden in het Fries in het generatieve (regel-gebaseerde) kader van Levin (1985). Op een gedetailleerde en rijk gedocumenteerde manier wordt ingegaan in de aard en vorm van de aanzet en het rijm van de Friese lettergreep. Hoofdstuk 5 sluit hier in zekere zin direct op aan, met een beschrijving van de complicaties die veroorzaakt worden door de interface met de morfologie.

Het echte descriptieve en theoretische werk gebeurt in de overige vier hoofdstukken. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op `complexe nuclei'. Aan de orde komen hier het verschijnsel `breking' en mogelijke andere verklaringen voor de distributie van vallende (uis `oog (van een doek)'), centraliserende (tried `draad') en stijgende (guod `goed, have') diftongen. Ook de zogenaamde triftongen (swiet `zoet') worden besproken. Breking is waarschijnlijk het best bestudeerde fenomeen van de Friese fonologie. Desalniettemin weet Visser door zijn grote nauwgezetheid en kennis van de fonologische theorie nieuw licht op deze verschijnselen te werpen.

Dit geldt in iets mindere mate ook voor hoofdstuk 4, over de sjwa en over klinkerepenthese. Het punt is hier wel dat de rol van de sjwa in het Fries niet erg sterk afwijkt van de rol van de sjwa in bijvoorbeeld het Nederlands. De feiten over de laatste zijn vrij uitvoerig beschreven in onder andere Kager en Zonneveld (1986), Kager (1989), Nijen Twilhaar (1990), Zonneveld (1993) en Van Oostendorp (1995). Afgezien van wat nuances (het Fries kent facultatieve epenthese in de aanzet van de lettergreep: brea `roggebrood' /brI@/-> [brI@],[b@rI@]) heeft de analyse van het Fries weinig aan de al bekende eigenschappen van de sjwa toe te voegen. Interessanter voor degene die al bekend is met de eerder genoemde werken is dan ook hoofdstuk 6, over syllabische consonanten (leppel [lEpl]). Dergelijke consonanten vinden we in de Nederlandse dialecten niet, althans niet in dezelfde kwantiteit en kwaliteit als in de Friese.

3. Een casus: Friese fricatieven

Visser schrijft op verschillende plaatsen dat zijn doel primair descriptief is: hij wil de feiten over het Fries op een rijtje zetten. De fonologische theorie kan daarbij echter een belangrijk instrument zijn: ``Collecting phonological data without the guidance of a general theory of phonology is blind.'' (p. 65) Toch laat Visser zich af en toe verleiden tot een puur theoretische discussie; bijvoorbeeld in paragraaf 2.7.4, waar een aantal mogelijke manieren om zogenaamde `superzware lettergrepen' te representeren. De empirische verschillen tussen deze analyses lijken gering, hoewel Visser, zoals ik hieronder hoop te laten zien, in dit geval de verkeerde keuze maakt.

Zoals gezegd gaat Visser in zijn proefschrift vooral in op de fonologie van klinkers in het Fries. Dit is niet meer dan logisch: lettergreepstructuur wordt in de eerste plaats bepaald door klinkerstructuur. Ook de fonologie van medeklinkers kan echter wel degelijk op zijn minst gedeeltelijk bepaald worden door lettergreepvorm.

Eén geval van medeklinkerfonologie wil ik hier behandelen, omdat het gaat over tamelijk eenvoudige feiten en het mij bovendien de gelegenheid biedt in te gaan op de problemen van Vissers benadering van de relatie tussen theorie en descriptie: het kenmerk [stemhebbend] in Friese fricatieven. Ik beperk me in deze recensie tot /s/ en /z/ omdat Vissers observaties voor deze fricatieven het minst problematisch zijn.

Bij nadere beschouwing blijken stemloze en stemhebbende fricatieven in het Fries vrijwel overal in complementaire distributie te staan. In de aanzet van de eerste lettergreep van een woord vinden we bijvoorbeeld wel een /s/, maar geen /z/: swel `zwaluw' [swEl] is wél, *[zwEl] is geen mogelijk Fries woord. Overigens werd dit al geobserveerd in Cohen et al. (1959).

Ook aan het eind van een lettergreep is er aan de oppervlakte uiteraard geen oppositie, want het Fries kent net als de andere continentale Germaanse talen een regel van Syllable Final Obstruent Devoicing (SFOD, p. 180). Een mogelijk onderliggend verschil tussen /hI@z/ (heas `paard') en */hI@s/ zou daardoor aan de oppervlakte geneutraliseerd worden tot [hI@s] aan het eind van een woord. Omdat het Fries verder nog een regel van Regressive Voice Assimilation kent (RVA, p. 51), kunnen /s/ en */z/ voor een sonorant of stemhebbende obstruent overigens wel aan de oppervlakte komen (hy mei dat hea[z n]et lije `hij kan dat paard niet uitstaan'). Maar ook hier wordt een eventueel contrast geneutraliseerd.

Het lijkt er al met al op dat het stemcontrast voor de Friese fricatieven (in ieder geval voor [s]-[z]) niet fonemisch is. Toch postuleert Visser een dergelijk contrast, en stelt de volgende distributie voor (p. 51):

(1) a. a voiced fricative occupies the third rhyme position
b. a voiceless fricative occupies the second rhyme position

Volgens (1) komt een stemhebbende fricatief na een lange klinker of een diftong (ui/z/) of na een korte klinker gevolgd door een medeklinker (hal/z/). Een stemloze fricatief volgt onmiddellijk op een korte klinker (ta/s/). De aanname dat rijmen drie posities kunnen hebben is controversieel, en wordt aangevochten door Zonneveld (1993) en, in diens voetspoor, door Van Oostendorp (1995). Volgens Visser (p. 180) is (1) nu juist een argument voor deze aanname.

Het is mij niet helemaal duidelijk wat de status van de distributionele observaties in (1) is. Ze zijn niet geldig aan de fonetische oppervlakte omdat SFOD en RVA daar hun effect hebben verduisterd (ui[s], hal[s], ta[s]; het contrast tussen stemhebbende en stemloze fricatieven is opgeheven). Ze kunnen ook niet waar zijn in de onderliggende vorm, want een centrale aanname in Vissers proefschrift is dat syllabestructuur algoritmisch wordt toegekend (p. 76 e.v.). (1) moet dus gelden op een bepaald tussenliggend niveau van de derivatie. Deze conclusie is interessant omdat ze in strijd lijkt met een populaire (niet door Visser behandelde) theorie over fonologie: optimaliteitstheorie (Prince en Smolensky 1993). Deze theorie postuleert immers dat er geen tussenliggende niveaus van derivatie zijn, sterker nog dat condities alleen op de oppervlaktestructuur gesteld kunnen worden.

Het is dus van belang om te zien wat de evidentie voor Vissers aanname is. Deze lijkt vooral gebaseerd op de geïnflecteerde vormen van de genoemde woorden; in het geval van zelfstandig naamwoorden bijvoorbeeld op de meervoudsvormen: ui[z]en, hal[z]en, ta[s]en. Nu is de lettergreepstructuur aan de oppervlakte in deze gevallen een andere dan de in (1) gestelde: de [z] en de [s] zitten in de aanzet van de volgende lettergreep. (De [s] is waarschijnlijk ambisyllabisch: hij is tegelijkertijd aan de coda van tas en aan de aanzet van sen gehecht.) Wie (1) wil volhouden, zal moeten aannemen dat deze restrictie geldt vóórdat /s/ en /z/ gehersyllabificeerd worden in de aanzet.

Het merkwaardige is echter dat we hetzelfde patroon van distributie vinden voor (sjwa-)klinkers die deel uitmaken van de wortel en niet van een suffix (p. 242): di/:z/e `mist' met een stemhebbende /z/ na een lange klinker, ri/x/el met een stemloze /z/ na een korte klinker. Voor Visser is dit het voornaamste argument om te veronderstellen dat er een derivatieniveau is waarop volle klinkers wel, maar de sjwa nog niet gesyllabificeerd is.

Al met al doet Visser een hele constellatie van aannames die in zekere zin allemaal op elkaar steunen:

(2) a. Het stemcontrast is fonemisch voor fricatieven.
b. Friese rijmen bevatten drie posities.

c. De distributie van [stem] in het rijm is onderhevig aan (1)
d. (1) is operatief op een tussenliggende stap in de derivatie.

e. Er is geen ambisyllabiciteit in het Fries.

Alle drie deze aannames hangen samen en gelden als belangrijkste argument voor de andere aannames; als een van de aannames wegvalt, verliezen de anderen hun kracht. Het probleem is echter dat elk van deze assumpties op zichzelf controversieel is: voor (2a) is weinig empirische evidentie; (2b) is in strijd met sommige ideeën over universele lettergreepstructuur (bijvoorbeeld van Kaye and Lowenstamm 1982, aangehaald door Visser op p. 177); (2c) is gebaseerd op (1), maar (1) is zelf moeilijk te verklaren in een fonologische theorie over [stem] (waarom hebben stemloze fricatieven een voorkeur voor de ene en stemhebbende voor de andere positie?); (2d) is zoals gezegd in strijd met gangbare ideeën over de plaats van condities in de derivatie; (2e) maakt het Fries tot de enig bekende Germaanse taal zonder ambisyllabische consonanten of geminaten.

In weerwil van zijn stelling dat het hem in de eerste plaats te doen is om een descriptie, is Visser hier volgens mij gevangen in zijn eigen theoretische assumpties. Volgens mij heeft een analyse van de Friese fricatieven die gebaseerd is op de omgekeerde veronderstellingen dan ook meer kans op succes.

(3) a. Het kenmerk [stem] is niet fonemisch voor fricatieven.

b. Friese rijmen bevatten maximaal twee posities.

c. Niet-ambisyllabische fricatieven tussen twee sonoranten krijgen allofonisch [stem].
d. (3c) is operatief op de oppervlaktestructuur

e. Het Fries kent ambisyllabische consonanten.

(3a), (3b), (3d) en (3e) zeggen niet veel meer dan dat het Fries een typologisch ongemarkeerde (Germaanse) taal is. Ook (3c), die in de plaats komt van (1), is niet vreemd: hij doet bijvoorbeeld sterk denken aan de condities op Intervocalische s-Stemgeving (ISS, Nespor en Vogel 1986) in sommige Italiaanse dialecten: de /s/ wordt een [z] tussen twee klinkers, tenzij de /s/ een geminaat (dat wil zeggen: ambisyllabisch) is.

Volgens een analyse die gebaseerd is op (3) is de [z] in ui[z]en niet afgeleid van een onderliggende /z/, maar van een onderliggende /s/ (of eventueel van een archifoneem /S/) door middel van (3c). De /s/ (/S/) in tassen is niet gevoelig voor (3c) omdat ze ambisyllabisch is. Aan de andere kant komen de onderliggende /s/-en in uis en tas zonder mankeren aan de oppervlakte: zij zijn immers niet intervocalisch.

Voor de volledigheid dient overigens opgemerkt te worden dat er een aantal gevallen zijn die problematisch zijn voor zowel Vissers analyse als voor de minitheorie in (3): dit zijn woorden als hazze `haas' met een stemhebbende [z] na een korte [a] en tafel met een stemloze [z] na een lange [a:]. Er is dus ook nog een theorie over uitzonderingen nodig.

4. Conclusie

Vissers proefschrift is een uiterst waardevolle bijdrage aan onze kennis van de fonologie. Het boek geeft een schat aan informatie en veel waardevolle analyses. Die analyses zijn niet allemaal oncontroversieel, zoals ik in het bovenstaande heb willen laten zien. Dit doet echter niets af aan de waarde van Vissers werk. Niemand die in de komende jaren iets zal willen beweren over de structuur van de lettergreep in de Germaanse talen zal om The syllable in Frisian heenkunnen.

Bibliografie

Wiese, R. (1988) Silbische und Lexikalische Phonologie; Studien zum Chinesischen und Deutschen, Tübingen, Niemeyer.