De elektronische culturele ambassade van het Nederlands

Marc van Oostendorp

Geschreven voor Taalschrift, 1998.

Er zijn geen grenzen meer voor het Nederlands. Wie een computer heeft en een aansluiting op Internet, kan vierentwintig uur per dag in het Nederlands communiceren. Waar ter wereld die computer ook staat. Ook voor de studie van de Nederlandse taal en literatuur bestaan er nauwelijks nog grenzen. Bij Europese studenten groeit de belangstelling voor onze taal en onze cultuur nog steeds. Onder andere door de nieuwe media wordt het steeds gemakkelijker voor die studenten om kennis te nemen van onze taal en cultuur.

Maar dan moet er wel iets te beleven zijn. Dat is helaas nu net wat er aan schort. Er is nog weinig infrastructuur voor het Nederlands op de elektronische snelweg. Er zijn nog niet veel studiecentra op het Internet ingericht voor onze taal en cultuur: noch bij de instituten in Nederland en Vlaanderen, noch bij de instituten buiten de grenzen van het eigenlijke taalgebied.

Als het aan prof. dr. Herbert Van Uffelen ligt, gaat daar snel wat aan veranderen. Van Uffelen is als 'Gastprofessor' voor de neerlandistiek verbonden aan het Institut für Germanistik van de Universiteit van Wenen. De groep rond Van Uffelen is officieel nog experimenteel, maar is nu al veel actiever dan veel grotere, meer gevestigde groepen. Nu al biedt ze een schat aan informatie over allerlei onderwerpen, en de plannen en ambities zijn nog veel groter.

'In 1994 zijn we zelf begonnen met een elektronisch documentatiecentrum voor de elektronische literatuur,' vertelt Van Uffelen. 'Dat we in de loop van de afgelopen jaren sterk hebben uitgebreid. In 1995 hadden we een eerste prototype, dat nu al een tijdje via het World Wide Web -- het grafische deel van Internet -- toegankelijk is. Dit najaar leveren we een nieuw prototype op, dat gebruikersvriendelijker zal zijn, mooier, sneller, groter. Als alles goed gaat.'

Nu al is het documentatiecentrum voor de Nederlandse literatuur een van de grootste die er op het Internet te vinden is. De (Nederlands- en Duitstalige) informatie is gegroepeerd rond twee thema's: 'de Nederlandstalige literatuur in het buitenland', en 'het Nederlandse taalgebied en Midden-Europa'. Allebei de onderwerpen kunnen op verschillende manieren bestudeerd worden. De gemakkelijkste manier is om een artikel op te vragen dat een overzicht geeft over een deel het thema. Dat kan bijvoorbeeld een artikel zijn over de relaties tussen Nederland en Oostenrijk. Op sommige steekwoorden in dat artikel kan de lezer drukken met zijn computermuis. Vervolgens zoekt een computer ergens in Wenen meer informatie over dat steekwoord in een grote databank met recensies, biografietjes, geluidsfragmenten, bibliografieën, foto's en andersoortige informatie.

'Het is mooi, maar we zijn nog lang niet tevreden,' zegt Van Uffelen. 'We willen nog veel meer materiaal toevoegen, en we zijn ook van plan daarvoor samen te werken met anderen. Bijvoorbeeld met de redactie van het Schrijversnet, een grote weblocatie van uitgeverij Bulkboek. Als zij al biografietjes van schrijvers maken en op Internet plaatsen, waarom zouden wij dat dan nog eens overdoen?' Datzelfde geldt ook voor andere potentiële partners, zoals de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, of het Nederlandse Productiefonds voor literaire vertalingen.

Met veel partners heeft Van Uffelen zelf contact gezocht. Ze zitten overal. Zo heeft het rekencentrum van de Universiteit van Keulen indertijd meegeholpen aan de implementatie van het eerste prototype. In het voorjaar van 1997 zijn er contacten gelegd met instituten voor de neerlandistiek in alle landen van Europa om het onderdeel 'de Nederlandstalige literatuur in het buitenland' sterk uit te breiden.

Voor het Duitse taalgebied is er in Wenen nu al een aardig overzicht ontstaan. Als het goed is komt er in alle andere landen van Europa een eigen, onafhankelijke redactie die materiaal verzamelt over de Nederlandstalige literatuur in hun eigen land. 'Mensen bij Nederlands in Londen verzamelen materiaal over de vertalingen die er naar het Engels gemaakt zijn, in Praag verzamelen ze materiaal over het Tsjechisch,' vertelt Van Uffelen enthousiast. 'Op die manier krijgen we binnen enkele jaren een groot overzicht van de rol die Nederlandstalige auteurs in de Europese cultuur spelen.'

Als het systeem er over een paar jaar is, kunnen alle Europese lezers er terecht. De Nederlandse of Vlaamse lezer kan er een indruk krijgen van de ontvangst die zijn lievelingsschrijver in het buitenland ten deel is gevallen. De buitenlandse lezer kan er vinden welke boeken van zijn favoriete Nederlandstalige auteur er nog meer vertaald zijn. Ook kan hij er meer informatie vinden over de Nederlandse literatuur in het algemeen. Vanuit het centrale punt in Wenen zal iedereen met belangstelling voor de Nederlandse letteren met een paar muisklikken de informatie kunnen bereiken die in heel Europa verzameld is.

De plannen houden niet op bij deze gegevensbank. Nu al heeft de Weense weblocatie veel meer te bieden dan alleen een Documentatiecentrum Nederlandse literatuur. Zo brengt de vakgroep een serie Wiener Broschueren -- een reeks Duitstalige brochures die de Nederlandse en Vlaamse taal, literatuur en cultuur meer bekendheid moeten geven in het Duitse taalgebied, en die integraal op het Internet worden geplaatst. De lezingen die schrijver Stefan Hertmans dit voorjaar in Wenen hield, zijn bijvoorbeeld te raadplegen in een Duitse vertaling.

Daarnaast wordt er een grote doorzoekbare database aangeboden met de complete adressen van alle vakgroepen Nederlands over de hele wereld. Bovendien heeft een groep studenten onder leiding van neerlandicus Matthias Huening, een drijvende kracht achter de Weense weblocatie, een fraai interactief overzicht gemaakt van de geschiedenis van het Nederlands. Al deze informatie kan zowel in het Nederlands als in het Duits geraadpleegd worden.

Er is geen tijd om op de lauweren te rusten, want er zijn nog meer plannen. Het Documentatiecentrum en alle andere Weense projecten moeten deel gaan uitmaken van een grote overkoepelende webdienst voor de 'internationale neerlandistiek', die men in Wenen NedWeb genoemd heeft. Vanuit NedWeb moet alle informatie die er op het Internet over de Nederlandse en Vlaamse taal en cultuur te vinden is, geïndexeerd worden.

Ook is men bezig diensten aan te bieden die meer op de eigen regio gericht zijn. Zo wordt er gewerkt aan een 'Midden-Europahoek' waarin uitgebreide aandacht zal worden gegeven aan de activiteiten van de verschillende vakgroepen in naburige vakgroepen zoals die in Olomouc, Bratislava, Praag en Budapest. Een ander 'regionaal' project is een on-line cursus 'Zakelijk Nederlands', waarmee Duitstaligen met moderne middelen kunnen leren in onze taal zaken te doen.

Welke wensen heeft Van Uffelen nog? 'We zouden wel wat meer continuïteit willen,' zegt hij. De eerste opzet van ons Documentatiecentrum werd gefinancierd door het Oostenrijkse Ministerie voor Onderwijs en de Vlaamse regering. Op dit moment krijgen we geld van de Nederlandse ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Buitenlandse Zaken. Ook die financiering houdt in 1998 alweer op. Het zou goed zijn als we een wat langere aaneengesloten periode geld kregen. Ik ben nu veel te veel tijd kwijt met het opstellen en verdedigen van steeds nieuwe kleine subsidieaanvragen.'

Van Uffelens ideaal is dat er een internationale groep mensen voor een aantal jaar kunnen samenwerken om een wat groter project op te zetten. 'Dat zouden er bijvoorbeeld een paar in Nederland kunnen zijn, en een paar in Vlaanderen. Plus een groepje hier, in Wenen.' Die groep zou een stevig Nederlandstalig deel van het Internet moeten opzetten en tegelijkertijd een model ontwikkelen waarmee anderen aan het werk kunnen.

Het blijkt moeilijk om zo'n project van de grond te krijgen. De subsidiegevers zijn vaak nog sceptisch over het nut van elektronische media. Bovendien blijkt het moeilijk om een weg te vinden in de warwinkel van subsidieregelingen van onder meer de Nederlandse, Vlaamse en Oostenrijkse overheid, de Nederlandse Taalunie en de Europese Unie. En volgens Van Uffelen is er nog een probleem: er is te weinig communicatie tussen alle verschillende instellingen voor de Nederlandse taal en literatuur, die allemaal wel iets op Internet zouden willen doen.

Het gevolg daarvan is dat men elkaar niet altijd even goed begrijpt. Er ontstaan wel eens misverstanden, omdat wij al het soort informatie over schrijvers op Internet zetten dat andere instanties zelf van plan waren ooit nog eens te publiceren. Maar ik wil helemaal niemand tegenwerken of beconcurreren. Als die mensen die taken van ons over willen nemen, vind ik het prima. Ik breng wel een koppeling aan.'

Er zou een bijeenkomst moeten worden belegd waar zoveel mogelijk betrokken partijen bij elkaar kwamen. Uitgevers, subsidiegevers, onderzoeksinstituten, particuliere instellingen voor taal en literatuur en andere belanghebbenden zouden daar moeten bespreken hoe het verder moet met de Nederlandse taal en literatuur op Internet. 'Ik wil mijn projecten daar best laten zien,' zegt Van Uffelen. 'Laten anderen dat dan ook doen. Daarna kunnen we samen proberen iets op te zetten.'

Het is belangrijk dat de belanghebbenden zich samen sterk marken voor een sterke positie van het Nederlands in de digitale media. De grenzen mogen dan vervagen, het blijft belangrijk dat kleinere culturen een ambassadegebouw hebben staan langs de digitale snelweg. Eén zo'n ambassade voor het Nederlands staat er al -- op een Internet-computer te Wenen.

Alle pagina's van de vakgroep Nederlandistik van de Universiteit van Wenen zijn te bereiken via http://www.univie.ac.at/Nederlandistik/
De andere genoemde adressen op Internet:
http://www.schrijversnet.nl/
http://www.konbib.nl/