Vijftienhonderd taaladviezen op een lijn

Marc van Oostendorp

(Dit artikel verscheen in Taalschrift, 1999)

Het begint al bij de aanhef van een brief. De eerste twee woorden lukken nog wel zonder problemen -- Geachte mevrouw -- maar hoe moet het verder? Komt er een komma na het laatste woord? Wie het in een Belgisch naslagwerk opzoekt, krijgt waarschijnlijk het advies om geen leesteken te gebruiken, maar de meeste Nederlandse taaladviseurs raden aan om hier wél een komma te plaatsen.

Voor allebei de standpunten zijn argumenten te bedenken. U kunt beter wél een komma plaatsen, want dat doet u ook bij andere aansprekingen: Jan, doe de deur even dicht. U kunt beter géén komma plaatsen, want na een komma komt normaal gesproken geen hoofdletter en na de aanhef van een brief gebeurt dit wel. Het Belgische Instituut voor Normalisatie en het Nederlandse Normalisatie Instituut hebben op dit punt dan ook verschillende normen aangelegd. Daarom gelden voor de twee landen verschillende adviezen.

Wie een brief over de grens verstuurt, kan het dus per definitie nooit volgens alle regels tegelijk goed doen. Volgens prof. dr. Willy Smedts, de Leuvense taalkundige en taalbeheerser die voorzitter is van het Taaladviesoverleg van de Taalunie, waren er in dit geval twee problemen: ``Bij de besluiten van de normalisatie-instituten zijn de echte deskundigen, de taalkundigen, nauwelijks betrokken. Bovendien is er hierover jammer genoeg nooit goed overleg geweest tussen de Nederlanders en de Vlamingen.''

Aan de kommakwestie valt voorlopig misschien weinig te doen -- de beslissingen van de normalisatie-instituten zijn moeilijk terug te draaien -- maar er zijn veel meer taalvragen waarop het moeilijk is een eenduidig antwoord te vinden. Begin dit jaar hebben de uitgeverijen Sdu en Standaard daarom een `Taaladviesbank' op cd-rom uitgebracht, waarop vijfhonderd taalkwesties worden behandeld onder auspiciën van het Taaladviesoverleg. In de loop van 1999 en 2000 zullen er nog aanvullingen komen met telkens 250 nieuwe kwesties, zodat er aan het eind van het volgend jaar er een compleet overzicht is van de 1500 belangrijkste vragen over het juist gebruik van het Nederlands.
Willy Smedts: ``Dat Taaladviesoverleg is sinds de oprichting in maart 1993 zo breed mogelijk samengesteld. Er zitten taalwetenschappers in, taaladviseurs van bijvoorbeeld de Vlaamse Gemeenschap en van het Genootschap Onze Taal, journalisten van onder andere de kranten De Morgen en NRC Handelsblad en NOS Teletekst en een vertegenwoordiger van woordenboekenuitgever Van Dale. Op die manier hebben we geprobeerd de autoriteit van het overleg zo groot mogelijk te maken: als al deze mensen het met elkaar eens kunnen worden over een bepaalde kwestie, is dat hopelijk voor de gebruikers een zwaarwegende reden om zich achter het bereikte standpunt te scharen.''

Voor wie is Taaladviesbank bedoeld? ``In eerste aanleg hadden we de taaladviseurs zelf op het oog'', zegt Smedts. ``Zij hadden er behoefte aan om hun taaladviezen te coördineren, zodat de adviseur in Amsterdam geen afwijkend standpunt zou innemen van zijn collega in Den Haag of in Brussel. Maar we kwamen er al snel achter dat we de doelgroep moesten verbreden. Al was het maar om commerciële redenen: we wilden de Taaladviesbank graag bij een uitgever onderbrengen, maar die zou alleen geïnteresseerd zijn in grotere doelgroep. We hebben ons daarom ook gericht op de taalgebruiker die belangstelt in correctheid: leraren, redacteurs en tekstschrijvers bijvoorbeeld."

Volgens Smedts zaten de taaladviseurs verlegen om gecoördineerde adviezen. Roos de Bruyn was de laatste jaren betrokken bij het Taaladviesoverleg als taaladviseur van het Genootschap Onze Taal. Hoe nuttig is de Taaladviesbank voor haar dagelijks werk? ``Er zijn twee voordelen aan deze bank Ten eerste zet het voor alle belangrijke kwesties de meningen van alle naslagwerken op een rij, en ten tweede maakt het in twijfelgevallen steeds een beredeneerde keuze.'' De Bruyn tekent wel aan dat de Taaladviesdienst van Onze Taal de Taaladviesbank kritisch zal hanteren: ``Het Groene Boekje gebruiken we ook niet kritiekloos.''

De verschillen tussen de twee groepen beoogde gebruikers van de Taaladviesbank zijn nogal groot. Een journalist zal doorgaans alleen snel even willen opzoeken of iets 'goed' of 'fout' is, terwijl een taaladviseur waarschijnlijk behoefte heeft aan wat meer achtergrondinformatie: waarom is ervoor gekozen de ene variant te prefereren boven de andere? En zijn alle andere naslagwerken op dit punt wel eenstemmig? Smedts: ``We hebben ervoor gekozen de informatie zo te presenteren dat iedereen snel kan vinden wat hij zoekt. Helemaal bovenaan in het venstertje staat een concrete vraag. Bijvoorbeeld: ``Moet ik als of dan gebruiken in de zin: Het tekort is groter dan/als vorig jaar?'' Daaronder staat een kort antwoord, in dit geval: ``Correct is: Het tekort is groter dan vorig jaar. Hoewel groter als door velen niet meer wordt afgekeurd, is groter dan nog steeds verzorgder, zeker in de schrijftaal.'' Wie hier genoeg aan heeft hoeft niet verder te lezen, maar anderen vinden daaronder nog een lijstje verwijzingen naar verwante kwesties, een uitgebreidere toelichting op het gegeven advies, en een opsomming van de naslagwerken die aandacht aan dezelfde kwestie besteden, zoals in dit geval de Algemene Nederlandse Spraakkunst, de Schrijfwijzer, Van Dale en de Taalbaak. Iemand die dat niet wil weten, hoeft er niet naar te kijken. Al loopt hij zo wel de kans mis er iets bij te leren.''

Smedts is zelf betrokken bij het laatste losbladige taaladviesboek, dat vorig jaar ook al op cd-rom verscheen als Digitaalbaak. Er verschenen de laatste jaren meer vergelijkbare digitale taaladviesverzamelingen, vaak op initiatief van andere bij de Taaladviesbank betrokken partijen: Sdu/Standaard gaven bijvoorbeeld ook een cd-rom uit met de Basiswoordenlijst Nederlandse taal en het boek In goed Nederlands van Jan van de Pol. Op Internet publiceert het Genootschap Onze Taal een vrijelijk toegankelijke databank met honderden taaladviezen.

Worden al deze uitgaven nu overbodig gemaakt door de Taaladviesbank? Smedts reageert verbaasd als ik het hem vraag. ``Waarom zouden ze overbodig worden? Ik hoop alleen dat de verantwoordelijke redacties de Taaladviesbaak voortaan inhoudelijk zullen volgen. Daar was het Taaladviesoverleg immers voor bedoeld. Maar in de vorm -- de formulering van de vragen, de uitwerking van de antwoorden, het aantal en het soort voorbeelden dat gegeven wordt -- blijven er nog genoeg verschillen. Bovendien kan ik me voorstellen dat er behoefte is aan taaladviesuitgaven die zich richten op kleinere doelgroepen, zoals ambtenaren. Of Vlamingen.''

Toch kan de omgekeerde vraag ook gesteld worden: maken die andere producten de Taaladviesbank niet overbodig? Die vraag werd anderhalf jaar geleden opgeworpen in een lezing door dr. Jan Renkema, de auteur van de populaire Schrijfwijzer en de bekendste Nederlandse taaladviseur die niet deelneemt aan het Taaladviesoverleg.
Ook nu toont Renkema zich nog kritisch. ``Ik heb twee bezwaren tegen dit project'', zegt hij. ``In de eerste plaats vind ik dat de overheid niet sturend moet optreden in taalgebruik. De suggestie wordt gewekt dat de overheid bepaalt dat we `een boek dat ik gisteren las' horen te zeggen in plaats van `een boek wat ik gisteren las'. Laten de taalgebruikers zelf maar aanwijzen wie ze als autoriteit in dit soort kwesties zien. Zoals dat voor de woordenschat ook min of meer is gebeurd met Van Dale.''

Renkema's tweede bezwaar heeft betrekking op de manier waarop de Taaladviesbank verspreidt wordt. ``De overheid moet niet optreden als een ondernemer. Waarom worden die adviezen via een commerciële uitgever verspreid? Waarom worden ze niet aangeboden via Internet? Of worden ze niet gratis aan de kranten aangeboden zodat die ze kunnen publiceren?''

Willy Smedts maakt zich minder zorgen. Renkema's bezwaren noemt hij zelfs ``overdreven en een beetje eigenaardig''. Volgens Smedts staat het elke taalgebruiker vrij de adviezen van de Taaladviesbank naast zich neer te leggen. ``De status is het best te vergelijken met de lijst Buitenlandse aardrijkskundige namen in het Nederlands die de Taalunie enkele jaren geleden uitgaf.

De Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie, Koen Jaspaert, zei bij zijn optreden dat hij het imago van de Taalunie wilde veranderen. Het publiek zag de Taalunie volgens hem teveel als een soort taalpolitie. Is hij niet bang dat de uitgave van de Taaladviesbank dit ongewenste imago versterkt? ``Nee. We willen met deze uitgave niemand iets dwingend opleggen. Als anderen de Taaladviesbank zien als een dwingende overheidsnorm, moeten we die anderen beter voorlichten.''

Is het nodig dat de Taalunie zich met taaladvisering bemoeit? ``Strikt noodzakelijk is het niet, maar het is wel goed dat we het hebben gedaan. U moet begrijpen dat het commercieel rendement van een product als dit nihil is. Het kost zeer veel tijd om alle betrokken taaladviseurs op een lijn te brengen. Een commerciële uitgever had dit nooit tot stand kunnen brengen.''

Wat vindt Jaspaert van het eveneens door Renkema geopperde bezwaar dat dit soort officiële adviezen eigenlijk niet door een commerciële uitgever gedistribueerd zouden moeten worden? Horen de taaladviezen van het Taaladviesoverleg niet thuis op Internet? ``Als we vandaag met het hele project waren begonnen hadden we die mogelijkheid zeker overwogen. Maar in de tijd dat de Taaladviesbank werd opgezet was het nog veel minder duidelijk hoe Internet zich zou ontwikkelen. De Taalunie had toen ook nog geen eigen weblocatie. Overigens is het dan nog de vraag of de overheid het financiële gewicht alleen had kunnen dragen. Nu heeft de uitgever ook behoorlijk wat geld in het project gestoken. Ik sluit overigens niet uit dat we in de nabije toekomst ook de taaladvisering op Internet zullen stimuleren.''

Technisch zou het in ieder geval geen probleem geweest zijn om de adviezen op Internet te zetten. ``We hebben gekozen voor een zogenaamd hypertekstmodel'', zegt Willy Smedts. ``Dat is hetzelfde model om verzamelingen gegevens als nu populair is geworden met de komst van het Worldwide Web op Internet: alle gegevens zijn aan elkaar gekoppeld door middel van met een muis aanklikbare links. In de tijd dat we voor dit model kozen was het Web overigens nog helemaal niet zo populair als het nu is.''

Het heeft dan ook wel wat tijd gekost voor de Taaladviesbank er was. ``De reden daarvoor is dat we de bank met grote zorgvuldigheid hebben samengesteld. Allereerst hebben we veel tijd besteed aan de opbouw van de structuur. We moesten bepalen wat de hoofdcategorieën waren: klankverschijnselen, spelling, woordsoorten, enzovoort. Die hoofdcategorieën moesten weer op een evenwichtige en verantwoorde manier in deelcategorieën worden verdeeld. En vervolgens hebben we over elke kwestie uitgebreid overlegd: in de redactie, maar ook door alle leden van het Taaladviesoverleg.''

Dr. Jan Komen van de Universiteit Utrecht coördineert de redactie sinds oktober 1997. Hij legt uit hoe de selectie van de vijftienhonderd kwesties tot stand komt: ``We gaan uit van de meestgestelde vragen en van de meestbehandelde kwesties. De meestgestelde vragen komen van lijsten die zijn opgesteld door enkele taaladviseurs, met name van het Genootschap Onze Taal. Zij beantwoorden elke dag tientallen vragen, en we kunnen er dus van uitgaan dat ze weten wat er onder taalgebruikers leeft. De meestbehandelde kwesties komen uit een vergelijking van de belangrijkste handboeken. Die twee dingen zijn niet noodzakelijkerwijs hetzelfde. Naar sommige kwesties wordt bij de taaladviesdiensten nooit gevraagd. Als mensen niet weten dat er een probleem is, vragen ze er ook niet naar.''

Hoe is men eigenlijk op het aantal van vijftienhonderd gekomen? ``Dat getal is vrij willekeurig gekozen'', zegt Willy Smedts, ``maar ik denk dat we hiermee toch een aardig eind komen. U moet ook niet vergeten dat de vijftienhonderd kwesties samen enkele tienduizenden vragen beantwoorden. Er is bijvoorbeeld een kwestie over de spelling en verbuiging van Engelse werkwoorden. Daarin is een uitgebreide lijst met dergelijke werkwoorden opgenomen: van afkicken en boycotten tot zappen en zippen. Over de verbuiging van elk van deze werkwoorden kun je een afzonderlijke vraag formuleren.''

Als alles goed gaat, is de Taaladviesbank over twee jaar klaar. Komt er daarmee dan ook een eind aan het Taaladviesoverleg? Smedts: ``In zijn huidige vorm zal het overleg zeker verdwijnen. Dat is ook goed, commissies moeten niet eeuwig blijven bestaan. Toch blijven er nog wel een paar taken over, want een een Taaladviesbank is nooit af. Taalnormen zijn nu eenmaal niet stabiel en mensen werken bijvoorbeeld ook niet meer met twintig jaar geleden samengestelde edities van Van Dale. Bovendien komen er steeds nieuwe kwesties bij. Neem nu de invoering van de euro. Hoe gaan we een honderdste euro noemen? In Nederland zal men het vrij zeker willen houden op een `cent', omdat men het daar nu ook al over heeft. Maar voor Vlaanderen is het niet zo zeker. Het zou best kunnen dat men er hier voor zou kiezen om, in navolging van de Franstaligen `centime' te gaan gebruiken. `Cent' is voor Franstaligen immers onmogelijk, want het betekent `honderd', niet `een honderdste'. Er is dus grote kans dat zelfs bij een gelijke munt de terminologie toch weer uit elkaar groeit. Nu is het nog te vroeg om er iets over te zeggen, maar we zouden daar bij een volgende editie wellicht naar moeten kijken.''