Het huiskamerexperiment

Taal en techniek in de twintigste eeuw

Marc van Oostendorp

Verscheen in Peter Burger en Jaap de Jong (red.) Taalboek van de eeuw. Sdu, Den Haag, 1999.

ROTTERDAM, 19 december 1919. In een brief aan de Nederlandse minister van Waterstaat schrijft de heer Grootes, directeur van de Grootes Radiotelefonieschool in Rotterdam, dat hij gegriefd is door de experimentele radiouitzendingen die Ir. H.H.S. á Steringa Idzerda sinds 6 november van dit jaar vanuit zijn Haagse huiskamer verzorgt. Grootes meent dat Idzerda ``bij herhaling radiotelefonisch (dus in het openbaar) aan mijn adres beleedigingen lanceert waartegen ik wegens seinverbod alle middelen van verweer mis.'' Zover bekend is Grootes hiermee de eerste ter wereld die zich gekwetst toont door een radiouitzending.

Soms stel ik me voor dat een kleptomaan Middelburgs dienstmeisje, een gesjeesde student uit Leiden, een knorrige Groningse boerenknecht, een vrome notarisvrouw uit Woerden en nog enkele tientallen andere lukraak gekozen Nederlanders zich in het jaar 1900 hadden laten opsluiten in een grote Hollandse huiskamer. Ze waren er van alle gemakken voorzien en ze mochten af en toe bezoek ontvangen, maar in het kader van mijn gefantaseerde huiskamerexperiment kon honderd jaar lang geen van de proefpersonen de ruimte verlaten, ook de zuigelingen niet.

Wat voor Nederlands zouden hun nakomelingen nu spreken? Hun dialecten waren vervlakt, omdat iedereen zich langzaam maar zeker aan het taalgebruik van de ander had aangepast. Ze hadden af en toe een nieuw woord en een nieuwe zinswending overgenomen van elkaar of van de televisie. Ze hadden elkaar beter leren kennen en waren begonnen elkaar op een gemeenzame toon toe te spreken -- niemand vraagt: ``zou het u schikken om een paar meter op te schuiven'' aan degene die al een jaar lang in zijn zij zit te porren. Ze waren minder gaan schrijven en als ze schreven waren ze zich er meestal van bewust dat ze ook hadden kunnen praten: hun schrijftaal was hun spreektaal steeds dichter genaderd. In de loop van die honderd jaar hadden sommige proefpersonen het soort taal gehoord waarmee zij nooit eerder in aanraking kwamen: godslasterlijke, obscene en beledigende taal. Zelfs de nakomelingen van de notarisvrouw uit Woerden waren eraan gewend geraakt. Langzaam maar zeker had zich in die huiskamer een nieuwe variant van onze taal ontwikkeld: het huiskamer-Nederlands.

Een aardige indruk van hoe dat huiskamer-Nederlands geklonken zou hebben krijg je door de radio of de televisie aan te zetten, door naar het theater te gaan of naar de bakker en daar te luisteren. Steeds meer mensen spreken in het openbaar alsof ze in de huiskamer zitten, want in de loop van de tijd is Nederland één grote huiskamer geworden.

Dat komt voor een belangrijk deel door de techniek, die het de mensen steeds makkelijker maakt om met elkaar in contact te treden. Honderd jaar geleden spraken de meeste mensen vrijwel nooit iemand van buiten hun eigen dorp of buiten hun eigen wijk van de stad. Taal voor vreemden was iets heel bijzonders, iets waar je bijzondere aandacht aan besteedde, iets dat je verzorgde. Door de techniek hoort en ziet iedereen de hele dag mensen van buiten zijn eigen wijk of dorp. De openbare taal is gemeengoed geworden, een massaproduct en daardoor van karakter veranderd op precies de manier waarop het dienstmeisje, de student, de boerenknecht en al die anderen, opgesloten in die grote huiskamer, hun taal veranderd zouden hebben. Nederland is een grote huiskamer geworden en de twintigste eeuw een groots opgezet en spannend huiskamerexperiment.

BEGINOPSTELLING: DE TELEFOON

Hoe klonk het Nederlands voor ons experiment begon? Aan het eind van de negentiende eeuw was Nederland nog niet één grote huiskamer, maar een eilandenrijk van honderdduizenden particuliere huiskamers, over het hele land verspreid. Er was weinig contact tussen al deze huiskamers. Natuurlijk gingen de mensen wel bij elkaar op visite, maar dat waren dan toch meestal visites in de buurt, waar je een taal hoorde die niet bijzonder afweek van de taal in je eigen huiskamer.

De taal in die huiskamer zal niet eens zo heel erg anders hebben geklonken dan ze nu doet. We beschikken jammer genoeg niet over bandopnamen, maar gelukkig begonnen sommige schrijvers in de tweede helft van de negentiende eeuw op te schrijven wat ze om zich heen hoorden. In Woutertje Pieterse noteerde Multatuli bijvoorbeeld flarden Amsterdamse huiskamerconversatie zoals deze: ``Skenkerissin, Trui! — Ja, fre Stotter, nou je hier bent, mô-je meedrinken, 't wort je f'n harte gegunt, mens! -- Och, juffre Mabel, 't is zo'n chedoe mettie kindere... en hoe faart uwe's Sientje mette kinkhoest? — We hebbe d'r nou 'n machenetisseur bycheroepe, m'r 't wil nie vatte.'' Dergelijke gesprekken zijn zo alledaags, zo vertrouwelijk en zo informeel, dat het niemand zou verbazen als hij ze nu nog ergens op zou vangen; in een huiskamer of bij het televisieprogramma Koffietijd.

Het huiskamer-Nederlands is in sommige opzichten nauwelijks veranderd. De veranderingen hebben veel meer gezeten in de openbare taal: als iemand zich honderd jaar geleden al een televisietoestel had kunnen voorstellen, had hij daarbij nooit aan een babbelprogramma als Koffietijd gedacht. Wie honderd jaar geleden in het openbaar sprak, sprak vanaf de kansel, vanachter de katheder, op een podium, of tijdens een huisbezoek van de ouderlingen. Zo iemand deed een net pak aan en probeerde zoveel mogelijk op zijn taalgebruik te letten. Hij probeerde zo duidelijk en zo beschaafd mogelijk te zijn, hij probeerde aan niemand aanstoot te geven en hij probeerde zich te houden aan de regels van de meest officiële taal die hij kende -- de schrijftaal, in het beste geval de taal van de Statenvertaling van de bijbel. Zo spreekt niemand meer: werd de taal van de huiskamer langzaam ook tot de taal van de katheder.

Aan het begin van deze eeuw kondigden zich langzaam maar zeker de eerste technologische vernieuwingen aan, die dit allemaal ongemerkt zouden veranderen. Het huiskamerexperiment in de Nederlandse taal kunnen we laten beginnen bij de doorbraak van de interlokale telefonie in 1897, toen de staat de exploitatie van de interlokale netten op zich nam om deze krachtig uit te breiden en te verbeteren. Weliswaar is de invloed van de telefoon moeilijk te peilen en ze is minder spectaculair dan de kortstondige invloed van televisiesterren. Maar langzaam en geruisloos, van het ene individu naar het andere, heeft ze wel degelijk het huiskamer-Nederlands verspreid. Aan het begin van de twintigste eeuw was het telefoonnet in Nederlands nog nauwelijks ontwikkeld. De steden hadden wel allemaal een eigen stedelijk net, zodat de fabriekseigenaar met de bank kon bellen, maar van interlokaal verkeer was nauwelijks sprake. Wie in 1900 van Leiden naar Utrecht wilde bellen, moest eerst een dergelijk gesprek aanvragen bij een telefoniste en dan soms anderhalf uur wachten tot hij verbinding kreeg. Dat was vaak een verbinding van een kwaliteit waarmee een moderne astronaut nog geen genoegen zou nemen als hij vanuit een ruimtestation zijn vrouw zou bellen. Bovendien was de prijs van een interlokaal gesprek in die tijd nog enorm hoog -- je betaalde al snel één gulden vijftig voor een telefoontje van Amsterdam naar Haarlem. Daarvoor kon je ook een loopjongen sturen met het openbaar vervoer. Naar Brabant en Limburg kon je helemaal niet bellen; de steden daar waren niet op het interlokale net aangesloten.

Aan het begin van de eeuw kwam daar zoals gezegd langzaam maar zeker verandering in toen de overheid het heft in handen nam. Tot die tijd was het interlokale netwerk in handen geweest van een bedrijf dat de zaken weinig voortvarend had aangepakt, omdat het eigenlijk alleen abonnees die waren aangesloten bij eigen lokale netwerken wilde verbinden. Pas nadat het telefoonnet genationaliseerd was, werd het sterk verbeterd en konden mensen elkaar makkelijker bellen -- hoewel het in bijvoorbeeld 1920 nog steeds wel eens 20 minuten kon duren voor je verbinding had voor een `dringend' gesprek van de ene stad naar de andere. Van of naar het platteland kon je nog helemaal niet bellen; zeker niet op zondag, wanneer ook de telefonistes in grote delen van het land de zondagsrust in acht namen.

Om het huiskamer-Nederlands te kunnen laten doorbreken moest de telefoon overigens nog een verandering ondergaan: hij moest letterlijk de huiskamer in. Tot ver in de jaren veertig van de twintigste eeuw hing bij de meeste huisgezinnen het toestel nog aan de muur in de gang: een symbool voor de gedachte dat je dat toestel alleen voor korte, zakelijke gesprekjes met bijvoorbeeld de middenstand en dat het voeren van lange persoonlijke gesprekken via dat apparaat `misbruik' was. Sommige huisvrouwen die deze tijd hebben meegemaakt doen nog steeds hun schort af voor ze de telefoon aannemen. Pas toen de telefoon op de salontafel kwam te staan, waren de Nederlandse huiskamers voorgoed en permanent met elkaar verbonden en kon het huiskamer-Nederlands permanent doorbreken: pas toen kon Multatuli's juffrouw Mabel persoonlijk verslag doen van de kinkhoest van haar dochtertje aan haar oudtante in Zeist.

HET INSTRUMENTARIUM

Welk instrumentarium is er behalve de telefoon nog meer gebruikt bij het huiskamerexperiment? Sommige mensen denken dat de massamedia -- de film, de radio en de televisie -- de meeste invloed hebben gehad op ons moderne taalgebruik. Ik geloof er niets van. De taal van Nederlanders en Vlamingen is enorm veranderd tussen 1900 en 2000, net zoals hij in elke andere eeuw enorm veranderde, maar de media hebben daar part noch deel in gehad. In de bioscoopzaal en de huiskamer hebben we honderd jaar lang allerlei merkwaardige taaltjes en talen kunnen horen en ze daardoor leren verstaan; maar niemand is daar ook zelf echt anders door gaan praten. In de massamedia is de invloed denk ik andersom geweest. Het huiskamer-Nederlands is niet verspreid door de taal van de media; de media hebben zich langzaam maar zeker aangepast aan het huiskamer-Nederlands.

Waarom zou de taal die wij privé gebruiken ook beïnvloed zijn door de komst van de media? Afgezien van kleine, onvolledige en gestileerde inkijkjes zoals Multatuli ons geeft, weten we bijna niets over de manier waarop onze overgrootouders aan het begin van deze eeuw precies spraken als ze met elkaar aan de keukentafel zaten of in bed lagen. We weten wél hoe de mensen tegenwoordig met elkaar praten in dergelijke omstandigheden. Daar komen geen microfoontjes en geen toetsenborden aan te pas.

Dat de media eenzijdig zijn, was nu juist het probleem van de directeur van Grootes Radiotelefoniescholen. Idzerda mocht als eerste in Nederland vanuit zijn huiskamer experimentele radio-uitzendingen maken. Hij benutte zijn zendtijd om vanuit zijn huiskamer muziek uit te zenden -- van grammofoonplaten en van levende muzikanten -- maar ook om zelf af en toe achter de microfoon plaats te nemen en daar teksten uit te spreken. Helaas is er van die teksten niets meer over, behalve die ene brief van Grootes waaruit bleek dat hij zich beledigd voelde, vooral doordat hij niets terug kon zeggen. Maar het feit dat de luisteraar nooit iets terug kon zeggen tegen zijn radiotoestel, heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat de invloed van dat toestel minimaal bleef.

Als het taalgebruik van de gemiddelde Nederlander al beïnvloed werd, kwam dat door de technieken die het soort communicatie mogelijk maakten dat we tegenwoordig interactief zouden noemen. Dat zijn de technieken die ervoor zorgen dat je iets terug zeggen kan. Behalve de telefoon (en, sinds kort, het Internet) zijn dat bijvoorbeeld het Dafje, de verhuiswagen, de brommer, en al die andere transportmiddelen waardoor je je gemakkelijker van de ene plaats naar de andere kon bewegen. Om een nieuwe taal echt te leren moet je hem ook met je eigen mond kunnen uitproberen en moet je aan je gesprekspartner kunnen merken of je het zo goed zegt. Als je lang luistert naar een vreemde taal of naar een nieuw soort taalgebruik, leer je die taal of dat taalgebruik weliswaar wel na verloop van tijd te verstaan. Maar je gaat hem niet ook gebruiken.

We hadden in ons land al eeuwenlang de kerk voordat we het televisiejournaal hadden. In de tijd dat er nog geen nieuwslezers bestonden, las vader in veel Nederlandse gezinnen elke dag uit de bijbel voor. Hij deed dat ongetwijfeld met een zwaar accent, maar die kan de standaard-Nederlandse woordenschat en de zinsbouw van de bijbel niet hebben veranderd. Hoewel deze praktijk de Nederlandse taal heeft verrijkt met veel uitdrukkingen en gezegden, heeft ze er niet voor gezorgd dat de luisteraars hun accent of dialectwoorden en -uitdrukkingen kwijtraakten. Ook luisterden de gelovigen elke week in de kerk naar een dominee die meestal een heel ander Nederlands sprak dan zij gewend waren, of een pastoor die een taal sprak die ze helemaal niet verstonden, het Latijn. Ook dat heeft uiteindelijk nauwelijks invloed gehad op de taal van de kerkgangers. Maar als al de dominees en pastoors in honderden jaren niet in staat waren geweest om iets wezenlijk te veranderen aan het taalgebruik van de meerderheid van de Nederlanders, waarom zou Harmen Siezen dat dan wel kunnen?

Nee — de invloed is alleen de andere kant opgegaan. De taal van de straat en de huiskamer is tot de katheder van de media doorgedrongen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de keuze tussen standaardtaal en streektaal: doordat het steeds goedkoper wordt om radio- en televisie-uitzendingen te maken, hebben bijna alle provincies en een groot aantal gemeenten een eigen lokale omroep, waar meestal met een accent en vaak ook in het dialect gesproken wordt. Doordat het steeds goedkoper wordt om cd's te maken, kunnen steeds meer kleine muziekgroepen hun liedjes opnemen -- ook als ze in hun streektaal zingen.

Maar ook in andere opzichten kwamen de omroepen steeds dichterbij het oor van de luisteraar. Waar een radiopresentator in de jaren dertig nog sprak alsof hij een zaal vol notarisvrouwen voor zich had, proberen veel moderne presentatoren te klinken alsof de luisteraar in hun armen op de bank ligt. De taal van de luisteraar veranderde daarmee niet. En zelfs de presentator paste in de eerste plaats zijn toon aan. Ook in de jaren dertig zal menig omroeper toch wel eens met iemand in zijn armen op de bank hebben gelegen; en hij zal dan heel anders gesproken hebben dan voor de microfoon.

Niet-interactieve technieken zoals de radio en de televisie hebben dus niet zozeer de manier veranderd waarop wij in het dagelijks leven en in onze eigen huiskamer praten, maar ze hebben misschien wel onze kijk veranderd op de taal die je in het openbaar gebruikt. Ze hebben meegeholpen om de huiskamertaal te maken tot de officiële omgangstaal.

SNELWEG, WATERVERF EN GOEIESMORGENS

Als het gaat over de invloed van techniek op de taal, gaat het vaak over nieuwewoorden. Inderdaad heeft waarschijnlijk niets de Nederlandse woordenschat in de twintigste eeuw zo hard doen groeien als de technologie: praatprogramma, opbellen, muisarm, doorschakelen en snelweg zijn maar enkele van de vele voorbeelden.

Daar komt dan nog bij dat vooral cabaretiers via de radio en de tv veel nieuwe woorden hebben geïntroduceerd -- woorden die overigens vaak ook weer snel verdwenen. Er zijn wel tijden geweest dat iedereen `waterverf' en `niet op reageren, Lena' riep omdat Willem Parel, een typetje van de cabaretier Wim Sonneveld, dat op de radio deed en andere tijden waarin op elk kantoor `goeiesmorgens' werd geroepen nadat dit door de makers van Jiskefet geïntroduceerd was. Maar die tijden lijken alweer voorbij. In zijn boekje Jemig de pemig! beschreef de taalbeschouwer Ewoud Sanders in 1999 de invloed die Van Kooten en De Bie op het Nederlands gehad hadden. ``Van maar liefst vijftig woorden, uitdrukkingen en figuren kon worden aangetoond dat ze door Van Kooten en De Bie in onze taal zijn geïntroduceerd of een nieuwe impuls hebben gekregen'', schreef Sanders en volgens hem was dit een ``ongeëvenaarde prestatie''. Nu is het natuurlijk maar de vraag, zoals Sanders ook schrijft, hoeveel mensen er over vijftig jaar nog weten wie professor Akkermans is, wat een positivo is, hoe je pruimen op sap zet en waar Juinen ligt. Net zoals we ook helemaal niet zeker weten hoeveel woordenen uitdrukkingen er in de negentiende eeuw de ronde deden die ontleend waren aan immens populaire schrijvers als Jacob Cats (Al draagt een aap een gouden ring, 't is een blijft een lelijk ding) en Nicolaas Beets (Hoe warm het was en hoe ver). Terwijl er in ieder geval van die populariteit weinig meer over is.

DE ONDERGANG VAN HET HAARLEMMERDIJKS

We hebben nu het uitgangsmateriaal voor ons experiment vastgesteld -- een Nederland dat bestond uit tienduizenden huiskamers met tienduizenden soorten huiskamer-Nederlands plus een enigszins kunstmatige kanseltaal voor officiële gelegenheden -- en vastgesteld welk technisch instrumentarium er deze eeuw gebruikt is om het experiment uit te voeren. Het wordt tijd om te bepalen wat de techniek nu precies met de taal gedaan heeft. Dat zijn, ik heb het hierboven al een keer gezegd, drie dingen: de techniek heeft de dialectverschillen verzwakt, ze heeft de openbare taal informeler gemaakt en ook anderszins meer doen lijken op de taal van de huiskamer en ze heeft de schrijftaal dichter bij de spreektaal gebracht.

Over dat eerste verschil kunnen we kort zijn. In de negentiende eeuw waren er meer dialecten dan nu. Doordat er zo weinig contact was tussen de Nederlandse huiskamers, waren de taalverschillen groter en subtiele. In 1874 verscheen er een boek met voorbeelden van Nederlandse dialecten. De schrijver van dat boek, J. Winkler, maakte alleen in Amsterdam al onderscheid tussen negentien verschillende dialecten, waaronder het Leidsebuurts, het Jordaans, het Haarlemmerdijks en het Kalverstraats. Tegenwoordig is er hooguit één algemeen-Amsterdams over. In een stad die toen enkele malen kleiner was dan nu werden dus veel meer verschillende soorten Nederlands gesproken.

Neem de uitspraak. Onmiskenbaar zijn Nederlanders in de twintigste eeuw steeds meer op dezelfde manier gaan klinken. Honderd jaar geleden sprak slechts een paar procent van alle inwoners van ons land het soort standaard-Nederlands dat toen nog ABN werd genoemd: Algemeen Beschaafd Nederlands, het Nederlands waaraan je niet kon horen waar iemand vandaan kwam. Het ABN was toen nog met recht de taal van een elite. Ze werd voornamelijk gesproken door mensen die bijvoorbeeld in Leiden, Utrecht of Groningen hadden kunnen studeren en daar hun avonden op studentenkamers hadden doorgebracht in gesprek met sprekers uit andere delen van het land.

Tegenwoordig spreken veel meer mensen een soort Nederlands dat op ABN lijkt, al wordt de term niet vaak meer gebruikt en al zijn er natuurlijk meer verschillen tussen de miljoenen sprekers van tegenwoordig dan tussen de paar honderdduizend uit de tijd dat iedereen die ABN sprak zich nog min of meer in hetzelfde milieu bewoog. Het gaat met het standaard-Nederlands een stuk beter dan met de Nederlandse streektalen en dialecten. De schaatser Erik Hulzebosch geldt als een curiosum: een jonge man die een Nederlands spreekt dat vrijwel onverstaanbaar is voor mensen die meer dan tien kilometer afwonen van de boerderij waar hij geboren is. Maar nog niet eens zo heel lang geleden was bijna elke Nederlander een Erik Hulzebosch.

Zonder de techniek waren we allemaal Hulzeboschen gebleven. Wie aan het begin van de eeuw van Rotterdam naar Dordrecht reisde, ruilde de ene wereld in voor de andere. Tegenwoordig draaien veel mensen voor een verhuizing van de ene kant van het land naar de andere hun hand niet meer om. Veel jongeren beginnen te grinniken als je ze vraagt waar ze vandaan komen, en vertellen dan een ingewikkeld verhaal: ``Nou, ik ben geboren in Zoetermeer, maar toen ik drie was verhuisden mijn ouders naar Leeuwarden en toen ik twaalf was zijn ze gescheiden en ging ik met mijn moeder naar Eindhoven. Ik heb gestudeerd in Utrecht maar woon nu alweer tien jaar in Amsterdam.'' Zo iemand heeft niet eens de tijd gehad om zich een specifieke streektaal eigen te maken. Dat is de reden waarom ik denk dat transporttechnieken uiteindelijk misschien de grootste invloed hebben gehad op de dagelijkse omgangstaal.

Radiouitzendingen, filmvoorstellingen en telefoonlijnen stoppen natuurlijk niet bij de landsgrenzen. Behalve met vreemde accenten zijn de Nederlanders ook steeds meer in steeds rechtstreekser contact gekomen met vreemde talen. Een goed opgeleide Nederlander kon aan het begin van deze eeuw misschien uitstekend Frans, Duits en Engels lezen en schrijven, maar meestal zal hij zelden of nooit die talen hebben gehoord -- behalve als hij behalve hoog opgeleid ook nog voldoende bemiddeld was om te reizen. Wie wil kan tegenwoordig de hele dag de fraaiste exotische klanken horen: op straat waar natuurlijk veel meer vreemde talen gesproken worden dan ooit eerder het geval was, maar ook in de beslotenheid van zijn eigen huiskamer. Toch zijn er nog maar weinig tekenen die erop wijzen dat deze internationalisering de houding van de gemiddelde Nederlander tegenover zijn taal diepgaand beïnvloedt. Natuurlijk, is er een vloed van leenwoorden over onze taal uitgestort. En natuurlijk, er hoeft zich maar één buitenlander bij een groepje Nederlanders te voegen, of het hele groepje schakelt over op het Engels. Maar zodra die buitenlander weggaat, schakelt het hele groepje onmiddellijk terug naar het Nederlands. De wereld wordt steeds internationaler, maar is voorlopig kennelijk nog niet internationaal genoeg om het Nederlands de richting op te laten gaan van het Haarlemmerdijks. Al zal het er misschien nog wel van komen.

HET ZELFBEWUSTZIJN VERSLAPT

De eerste geluidsfilms die in de jaren twintig in de Nederlandse bioscopen vertoond werden, waren in het Duits of in het Engels omdat het te duur was om films in de eigen taal te maken. In die tijd moet bijna niemand in de bioscoopzalen iets verstaan hebben van wat er op het witte doek werd gezegd: weinig mensen zullen eerder ooit de kans hebben gehad om een Amerikaans accent te horen. De komst van de geluidsfilm had de Europese filmmakers even nieuwe moed doen vatten. Eindelijk zou de macht van Hollywood met zijn immens populaire stomme films doorbroken worden, omdat niemand natuurlijk Engels kon verstaan. Eindelijk zou elk Europees land zonder noemenswaardige concurrentie een eigen filmindustrie kunnen opbouwen.

Die hoop was van korte duur. Al snel bleek het de meeste mensen weinig te kunnen schelen dat ze geen woord konden verstaan dat op het doek gesproken werd. Zeker de Amerikaanse films, met titels als Show Boat, Hollywood Revue en Fox Follies -- boden genoeg zang, dans en spektakel om je ook te amuseren als je niet begreep wat er precies werd gezegd. Er waren wel mensen die zich zorgen maakten. Een clubje met de naam `Dietsche Bond' stuurde bijvoorbeeld een brief aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, waarin het schreef dat de komst van de geluidsfilm ``in hoge mate ongewenst en schadelijk voor de belangen der Nederlandse beschaving'' was: ``Wij denken hierbij aan het gevaar dat het zelfbewustzijn van ons volk wordt verslapt, als [...] de eigen taal wordt uitgesloten; wij denken ook aan het gevaar, dat de zuiverheid onzer taal bedreigt, als voortdurend Nederlanders [...] deze talen horen spreken.''

In die tijd is de belangrijke beslissing genomen om buitenlandse films te ondertitelen en niet na te synchroniseren, zoals het in de meeste andere landen wel gebeurde. Dat lag minder voor de hand dan het nu lijkt. In eerste instantie was nasynchroniseren technisch makkelijker dan ondertitelen: voor het eerste hoefde je niets anders te doen dan de ene geluidsband te vervangen door de andere. Om te ondertitelen moest je lettertjes toevoegen aan het oorspronkelijke beeld. Kennelijk waren de Nederlanders al zo gewend geraakt aan de vreemde talen in de film dat ze niets anders meer willen. En zo leven we nu in een cultuur waarin vrijwel iedereen neerziet op de Duitse televisie omdat die alle Amerikaanse films nasynchroniseert. ``Sei doch vernünftig, Johnny, würf' die Kanone weg!'' Zo'n zin wil men in Nederland niet horen, maar lezen.

POPULAIRE PRAATJES

Behalve dat ze de verschillen tussen Nederlanders heeft doen vervagen, heeft de techniek als gezegd ook de huiskamertaal tot de algemeen aanvaardde omgangstaal gemaakt. Dat ging niet zonder ergernis: de eerste radiouitzendingen waren al het onderwerp van kritiek toen de directeur van Grootes Radiotelefonieschool ineens in zijn eigen huiskamer kon horen wat zijn concurrent Idserda in zíjn huiskamer over Grootes zei.

Maar vooral ook de vorm van de taal was een voortdurend onderwerp van zorg en kritiek. In 1938 schreef P.J. Meertens -- de geleerde die beroemd zou worden als Beerta in de roman Het Bureau van J.J. Voskuil, en die zijn naam zou geven aan het Meertens Instituut, waar onder andere de Nederlandse dialecten bestudeerd worden -- bijvoorbeeld: ``Met de uitspraak van het Nederlands voor onze omroep-microfoon is het werkelijk heel erg gesteld.'' En de redactie van het tijdschrift Onze Taal schreef in 1958: ``De radio moet het miljoenen naar de zin maken. Toch geloven wij dat het aantal populaire praatjes in onbeschaafd Nederlands zo klein mogelijk gehouden moet worden. Worden ze geheel afgeschaft, dan zullen wij daarover niet treuren.' Dat de Nederlanders thuis al eeuwen lang in dergelijk `onbeschaafd Nederlands' converseerden, ja zich misschien soms wel eens een `populair praatje' lieten ontvallen in die taal, zag de redactie niet als een argument: er moest een verschil zijn tussen huiskamertaal en radiotaal.

Die opvatting heeft lang stand gehouden. In 1960 beweerde S. Witteboom, de hoofdredacteur van de radionieuwsdienst nog: ``Ik ben tegenstander van leze, schrijve en rekene voor de microfoon. Ik voel niets voor mense, diere en dinge voor de microfoon. Ik vind het bedroevend te horen hoe mensen met een feilloze uitspraak zich ertoe laten brengen, hun spraakbeeld op deze manier te bederven. Ik hoop dat de neerlandici, die onze mensen in Hilversum hardnekkig ertoe willen bewegen, de slot-n af te kappen, hun energie anders willen gaan besteden.'' De neerlandici hebben zich deze raad niet ter harte genomen. Integendeel, onderwijzers en leraren is die zich niet zoveel mogelijk moeite getroost om zijn leerlingen te leren de slot-n die er wél staat toch vooral níét uit te spreken. Ook in 1960 had waarschijnlijk niemand veel energie nodig om ``onze mensen in Hilversum'' te bewegen de slot-n niet uit te spreken. Dat deden ze ook toen al van nature. De slot-n uitspreken -- behalve in het noorden en het oosten van het land -- al eeuwenlang nogal onnatuurlijk.

Makkelijk om spontaan en gezellig te praten is het met mense voor de microfoon overigens nog steeds niet. Een gezellig kletspraatje houden in een lege radiostudio, of tegen een kleine grijze camera is niet iedereen gegeven. Sinds het midden van de jaren tachtig wordt daarom op de Nederlandse en de Vlaamse televisie op ruime schaal een truc gebruikt die op de Amerikaanse televisie al veel langer gangbaar was. De presentator krijgt een ander mens naast zich in de studio: een weerman, of een duopresentator, of een deskundige gast die hem uitlegt hoe de wereld in elkaar zit. ``Op taalgebied betekent dat,'' schreef de Leuvense hoogleraar Ludo Beheydt, ``dat de televisie nu een soort praatbarak geworden is die in de huiskamer gezellige conversatie oplevert.''

Zoals ook het toneel dat werd, ook alweer door de techniek, onder andere door de zendmicrofoon. Waar een acteur in vroeger dagen met zware stem en machtige gebaren zijn teksten moest declameren zodat ook de achterste rijen hem konden volgen, hangen ze tegenwoordig een zendmicrofoontje aan hun revers. Dat zorgt overigens meteen weer voor nieuwe problemen. De actrice Betty Schuurman vertelde begin 1999 aan het tijdschrift De Theatermaker: ``Als je acteert met een zendmicrofoon is het alsof je stem onder een microscoop wordt gelegd. Je stem is dan als een stofvezel die onder de loep verandert in een grote kabel waarin je elk detail ziet zitten. Het maakt je extreem kwetsbaar, alsof iedereen tot in het diepst van je ziel kan kijken. Het liefst had ik met mijn rug naar het publiek gespeeld. Jullie zien zo al genoeg van mij, dacht ik.'' Ook het theater is door de techniek een huiskamer geworden -- een huiskamer waar gasten komen die een acteur misschien nooit bij zichzelf zou uitnodigen.

SCHRIJFTAAL EN SPREEKTAAL

Er is nog een manier waarop de techniek de taal heeft veranderd: ze heeft schrijftaal en spreektaal behoorlijk door elkaar laten lopen. Op de Nederlandse radio en televisie wordt van oudsher veel voorgelezen. Tot ver in de jaren dertig was dat een noodzaak: er was preventieve censuur die alle teksten wilde lezen voor ze werden uitgezonden. Maar nog steeds worden voor zover bekend de teksten van vrijwel alle nieuwsuitzendingen uitgeschreven, en ook de spontane praatjes van presentators en presentatrices van praatprogramma's en spelletjes worden meestal niet geïmproviseerd maar opgelezen van een beeldschermpje met tekst dat onder de camera bevestigd is, de zogenaamde autocue. Omdat die autocue toch spontane praatjes moet bevatten, worden de teksten ervoor in spreektaal geschreven.

Maar door de computer en het Internet wordt deze trend nog enkele malen sterker: het lijkt wel alsof iederéén spreektaal schrijft. Tijdens bijna de hele twintigste eeuw hebben mensen geklaagd en gemopperd dat de jeugd steeds minder leest en steeds minder schrijft. Waar mensen elkaar in de negentiende eeuw nog verwenden met elke dag een lange brief, bracht de telefoon in de ogen van sommige mensen alleen maar kaalslag. Maar in 1993 gebeurde er iets opmerkelijks. Het Internet, voorheen een exclusief netwerk voor militairen en medewerkers van universiteiten, werd vrijgegeven voor het algemene publiek. Elektronische post groeide uit tot een van de populairste toepassingen van het computernetwerk. Sommige mensen ontvangen honderden van die berichten per dag en schrijven er tientallen terug. Die berichten worden in grote haast geschreven. Hun stijl is daardoor veel informeler, veel spreektaliger, dan die van de papieren brief. Wie vroeger misschien nog zou schrijven ``Geachte heer, Graag wend ik mij tot u met een verzoek om informatie over uw nieuwe serie stofzuigers'', schrijft nu ``Hallo, ik hoor dat jullie nieuwe stofzuigers er zijn; daar wil ik wel meer van weten.'' Er wordt dus in overvloed geschreven -- maar wel in spreektaal.

Ik denk dat die schrijflust wel weer zal overgaan als de Internet-techniek verbetert. Al dat moderne geschrijf komt voor een belangrijk deel voort uit noodzaak. Een computerbestandje met een gesproken tekst is nu nog vele malen omvangrijker en daarom kostbaarder te versturen dan een geschreven tekstje. Als geluidsbestanden sneller, gemakkelijker en goedkoper op een computer gemaakt en via het Net verspreid kunnen worden, ligt het voor de hand dat er een combinatie ontstaat tussen e-mail en het antwoordapparaat. Je spreekt een berichtje in en stuurt het naar de elektronische brievenbus van je correspondente. Die beluister het als het haar uitkomt en formuleert, ook weer mondeling, een antwoord dat ze naar jouw brievenbusje stuurt. Geen getik meer, alleen een goed gesprek, met de voordelen van e-mail: je wordt niet gestoord en je antwoordt als het jou uitkomt.

Computers maken de grens tussen spreektaal en schrijftaal ook op een andere manier vager. Langzaam maar zeker worden ze beter in het opnemen van dictaten en in het voorlezen van teksten: in het omzetten van het gesproken woord in geschreven woord en omgekeerd. Zeker de laatste jaren komt er schot in. Dat komt minder doordat we nu beter begrijpen hoe de menselijke taal werkt of hoe een computerprogramma geschreven kan worden dat met menselijke taal kan omgaan dan doordat computers nu eenmaal almaar sneller worden en almaar grotere computergeheugens krijgen. Zo ontstaat langzaam maar zeker een nieuwe situatie, waarin je op elk willekeurig moment kunt kiezen of je een tekst wilt lezen of horen; of je hem wilt intíkken of inspréken. Een waarin er nauwelijks nog verschil is tussen spreektaal en schrijftaal.

Wie daar behoefte aan heeft kan zich dan op elk moment elke willekeurige tekst laten voorlezen. Sommige mensen noemen het een bezwaar van teksten op de computer dat je een elektrisch beeldscherm niet mee in bad of in bed kunt nemen. Ik denk dat dit bezwaar over twintig jaar opgeheven is: dan zit in elke badkamer en boven elk bed een luidsprekertje geïnstalleerd die de krant of het nieuwste boek van Toon Tellegen voorleest, net zoals er in elke moderne auto een luidsprekertje zit dat de recentste e-mailberichten voordraagt. Blinden en slechtzienden maken nu al vaak gebruik van die techniek. Veel redacties sturen desgewenst via een computermodem elektronische versies van hun krant naar hun abonnees. Omgekeerd kunnen computers dan hopelijk ook elke willekeurige tekst voor ons uitschrijven, want lezen is meestal sneller dan luisteren: wie leest kan nog eens een stukje overslaan dat hem niet interesseert en onmiddellijk doorgaan naar de wel relevante informatie.

Een dergelijke technische inwisselbaarheid van schrijftaal en spreektaal móét die twee ook vormelijk wel bij elkaar brengen. Aan de taal van de elektronische post kunnen we zien dat sommige schrijftaal misschien meer spreektalig wordt. Tegelijkertijd heeft sommige schrijftaal ook onmiskenbare eigen voordelen, die nog wel even zullen blijven bestaan: een voorgelezen tabel is lang niet zo overzichtelijk als een tabel op papier.

DE WERELD EEN HUISKAMER

Met die computers en die elektronische post zijn we aangekomen bij onze eigen eeuwwisseling. Na honderd jaar is het huiskamerexperiment nog lang niet voorbij, maar integendeel, met mobiele telefoons en met Internet, een nieuw tijdperk ingeslagen. Ik heb al gezegd dat de belangrijkste invloed op taal altijd komt van interactieve technieken. Als dat zo is, zou ons nog wel eens een periode van snelle taalveranderingen te wachten kunnen te staan, want je kunt tegen geen apparaat zo goed terugpraten als tegen je mobiele telefoon. En je kunt nergens zo goed en zo langdurig babbelen als op het Internet.

Vooral over de invloed van Internet op onze taal hoor je dan ook wel eens iemand nogal wilde voorspelling doen: dat netwerk zou bijvoorbeeld de omloopsnelheid van nieuwe woorden enorm vergroten. Maar we moeten voorzichtig zijn. Zo oud is het Internet niet; pas sinds 1993 staat het open voor mensen buiten de universiteit. En zoveel mensen maken ook nu nog geen gebruik van het netwerk. Er wordt geschat dat ongeveer anderhalf of twee miljoen Nederlanders regelmatig van het Internet gebruik maken. Dat is iets meer dan een tiende van alle inwoners. Al die mensen zijn waarschijnlijk invloedrijk en belangrijk, maar niemand weet of ze invloedrijk en belangrijk genoeg zijn om de taal definitief te veranderen. Zoals ook niemand weet wanneer het Internet even wijd verbreid zal zijn in ons taalgebied als het telefoonnet.

Een andere voorspelling die er wel eens gedaan wordt over de invloed van het Internet op taal, is dat dit netwerk de definitieve doorbraak van het Engels zal bewerkstelligen. Het Internet maakt de wereld weer een beetje kleiner en brengt dus ook de vreemde talen weer iets dichterbij. Het Nederlandse taalgebied is in deze opvatting al een huiskamer. Nu is de wereld aan de beurt en in die wereldhuiskamer zal Engels gesproken worden.

Ik denk dat ook dat voorlopig nog wel meevalt. Ook op internationale schaal hebben vervoersmiddelen meer verandering gebracht dan alle massamedia bij elkaar. Als de mensen zich nog uitsluitend per trekschuit en postkoets konden vervoeren, zouden er maar weinig Nederlanders zijn die Engels spraken. Het relatieve effect van Internet is daarbij vergeleken waarschijnlijk gering. Dat is een reden om al te zorgelijke voorspellingen over de toekomst van het Nederlands met een korrel zout te nemen -- of althans om het aandeel van het Internet daarbij niet te overschatten. Wie in de nabije toekomst een lezer of een luisteraar wil trekken op het Internet, zal die lezer of luisteraar ook zoveel mogelijk aan zich moeten binden door de hem in de taal aan te spreken die hij ook in zijn huiskamer gebruikt. Voorlopig zal dat nog even het Nederlands zijn. Zelfs de streektalen krijgen nieuwe kansen: publiceren op Internet is heel goedkoop, zodat zelfs een tijdschrift voor een kleine doelgroep nog relatief profitabel kan zijn. Bovendien kun je met het Internet ineens nagenoeg kosteloos ook die dialectsprekers bereiken die verhuisd zijn naar een andere provincie of geëmigreerd naar een ander land. Zo kunnen we ineens over de hele wereld een verhaal in het Gronings of een `populair praatje' in het Zeeuws lezen.

Het is kortom volgens mij nog te vroeg om iets zinnigs te kunnen zeggen over de relatie tussen Internet en taal. Aan één voorspelling durf ik me toch wel te wagen -- je ziet haar nu al uitkomen. Het gaat, zoals alle technologische vernieuwingen, behalve voor veel plezier, ook weer voor veel ergernis zorgen. Ook deze tijd kent weer veel meneren Grootes die zich ergeren aan de beledigende, platte en grove taal op de weblocaties van minstens evenveel meneren Idzerda. Alleen het argument dat zij zelf ``wegens seinverbod alle middelen van verweer'' missen kunnen ze niet meer gebruiken. In de huidige wereld heeft Grootes als hij dat wil evenveel toegang tot de katheder als ir. H.H.S. à Steringa Idzerda. Of we het nu leuk vinden of niet, de wereld is een grote huiskamer geworden en de media hebben hun taal daaraan aangepast.

MEER LEZEN OVER TAAL EN TECHNIEK IN DE TWINTIGSTE EEUW

Er zijn de afgelopen jaren een paar mooie proefschriften verschenen over de geschiedenis van de technieken die een relatie hebben met taal. Zo schreef Karel Dibbets een mooi boek over de opkomst van de geluidsfilm (Sprekende films, Amsterdam: Otto Cramwinckel, 1993) en Huub Wijfjes een al even mooi boek over de Nederlandse omroep voor de Tweede Wereldoorlog (Radio onder restrictie. Overheidsbemoeiing met radioprogramma's 1919-1941, Amsterdam: Stichting beheer IISG, 1988). Het rijtje wordt compleet gemaakt met het boek over de opkomst van de telefonie van Otto de Wit (Telefonie in Nederland 1877-1940, Amsterdam: Otto Cramwinckel, 1998).

Taalkundigen hebben zich bij mijn weten jammer genoeg nooit serieus met de telefoon of de film beziggehouden. De omroep is wel bestudeerd: een Vlaamse taalkundige, Ludo Beheydt, redigeerde een bundel artikels over Taal en omroep (Den Haag: Stichting Bibliographica Neerlandica, 1991) en een andere Vlaamse taalkundige, Hans Van de Velde, schreef een proefschrift over Variatie en verandering in het gesproken Standaard-Nederlands (1935-1993) ( Nijmegen, 1996). Over taal, computers en het Internet publiceerde ikzelf onlangs het boek Computers en taal (Den Haag: Sdu).