Wetenschappers en elektronische publicaties: de uitgevers mogen wel uitkijken

Marc van Oostendorp

Verslag voor Emnet


De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) organiseerde op 24 november een studiedag over de mogelijkheden van elektronische publicaties voor wetenschappers. De organisatie, die ongeveer een kwart van alle gelden beheert die de Nederlandse regering uitgeeft aan wetenschappelijk onderzoek, had vertegenwoordigers van de uitgeverij en van de wetenschap uitgenodigd om eens te komen praten over de manier waarop subsidiegelden voor bijzondere wetenschappelijke publicaties verdeeld moeten worden.

Wetenschappers schrijven wat af. De meeste onderzoekers publiceren elk jaar wel een paar artikelen in een wetenschappelijk tijdschrift, en af en toe ook een boek. Ze krijgen daar doorgaans niet voor betaald. Dat hoeft ook niet -- ze hebben immers een mooie betrekking aan de universiteit of een onderzoeksinstelling en ze werken aan die publicaties in de tijd van hun baas. De belastingbetaler heeft al voor die boeken en artikelen betaald.

Tot zover is er dus weinig aan de hand. Toch wringt er iets. De uitgevers van deze tijdschriften en boeken hoeven nauwelijks geld uit te geven aan auteursrechten. Ze krijgen deze als het ware voor niets in de schoot geworpen, ze drukken ze en binden er een kaft omheen. Vervolgens verkopen ze deze publicaties weer voor een niet kinderachtig bedrag aam de bibliotheken van dezelfde instellingen van wie ze het materiaal eerder gekregen hebben.

De wetenschappelijke onderzoeksinstellingen deze gang van zaken onrechtvaardig te vinden. Al deze instellingen hebben in Nederland bovendien al sinds jaar en dag een goede oprit naar de elektronische snelweg: Surfnet, het deel van Internet waaraan het Nederlandse hoger onderwijs is aangesloten, geldt nog steeds als een van de snelste en comfortabelste manieren om deel te nemen aan het digitale verkeer.

Als de uitgevers niet opletten nemen de wetenschappers het heft in eigen handen. Medewerkers van onder andere de Katholieke Universiteit Brabant, de Erasmus Universiteit en de Rijksuniversiteit Leiden, lieten tijdens de studiedag voorbeelden zien van nieuwsbrieven en gedegen wetenschappelijke tijdschriften die via Internet worden uitgegeven. Ook zogenaamde preprint-diensten, elektronische archieven op Internet waar onderzoekers onderling ongepubliceerde artikelen uitwisselen, worden steeds populairder.

De meeste uitgevers tonen echter vooralsnog weinig onder de indruk. Zelfs de vertegenwoordigers van de Sdu en van Kluwer die tijdens de NWO-dag voordrachten verzorgden, beperkten zich over het algemeen tot tamelijk algemene overzichtspresentaties over wat zoal de technische, organisatorische en financiële problemen waren bij de uitvoering van elektronische publicaties. Verder viel op dat ze zich over het algemeen veel sceptischer toonden over de mogelijkheden van de digitale media dan de aanwezige wetenschappers.

Illustratief was het betoog van de Kampense oudtestamenticus dr. J. Renkema. Hij was de enige van alle sprekers die geen multimediale ondersteuning gebruikte bij zijn presentatie. Dat maakte zijn enthousiasme voor de mogelijkheden van de computer voor zijn vak er niet minder om. Vol vuur vertelde hij over de uitgebreide zoekprogramma's die hij gebruikte bij de bestudering van de Bijbel. Ook over de elektronische nieuwsbrieven die hem op de hoogte hielden over de laatste ontwikkelingen op zijn vakgebied bleek hij enthousiast.

Als dit soort onderzoekers zijn zin krijgt zal een zeer groot deel van alle wetenschappelijke communicatie in de nabije toekomst via elektronische kanalen verlopen. Er waren tijdens de forumdiscussie aan het eind van de dag ook onderzoekers die kritische kantlijnen plaatsten bij de financiële haalbaarheid van sommige van de projecten die hun collega's hadden voorgesteld, maar over het algemeen was men zeer positief. De uitgevers mogen wel uitkijken.